Rob van der Woude's Scripting Pages

Microsoft Windows 7 Home Premium Service Pack 1

Version 6.1.7601 (32 bits)

Dutch - Netherlands

 

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

 

A
 
ACINIUPD utility to update the INI file.
APPEND Allows programs to open data files in specified directories as if they were in the current directory.
ARP Geeft de door Address Resolution Protocol (ARP) gebruikte tabellen weer voor het omzetten van IP-adressen naar fysieke adressen en wijzigt deze.
ASSOC Bestandsassociaties weergeven of wijzigen
AT De opdracht AT programmeert opdrachten en programma's zodat deze op een bepaalde tijd en datum door de computer worden uitgevoerd. Om deze opdracht te kunnen gebruiken moet de service Schedule zijn gestart.
ATTRIB Bestandskenmerken weergeven of wijzigen.
AUDITPOL Controlebeleidsprogramma
 
B
 
BCDBOOT Bcdboot - hulpprogramma voor het maken en repareren van Bcd-opstartbestanden. Het opdrachtregelprogramma bcdboot.exe wordt gebruikt voor het kopiëren van essentiële opstartbestanden naar de systeempartitie en voor het maken van een nieuwe BCD-opslag voor het systeem.
BCDEDIT Eigenschappen instellen in de opstartdatabase voor het beheren van het opstarten.
BITSADMIN BITS administration utility.
BOOTCFG Met dit opdrachtregelprogramma kunt u de instellingen voor de opstartvermelding in het bestand boot.ini configureren, opzoeken, wijzigen of verwijderen.
BREAK Uitgebreide Ctrl+C-controle in- of uitschakelen.
 
C
 
CACLS Toegangsbeheerlijsten voor bestanden weergeven of wijzigen.
CALL Batchprogramma vanuit een ander batchprogramma aanroepen.
CD Naam van huidige map weergeven of map wijzigen.
CDBURN
CERTREQ CertReq.exe
CERTUTIL CertUtil.exe
CHCP Nummer van actieve codetabel weergeven of instellen.
CHDIR Naam van de huidige map weergeven of map wijzigen.
CHKDSK Schijf controleren en statusrapport weergeven.
CHKNTFS Schijfcontrole bij opstarten weergeven of aanpassen.
CHOICE Met dit hulpprogramma kunnen gebruikers een item in een lijst selecteren en wordt de index van de keuze geretourneerd.
CIPHER Hiermee kan de versleuteling van mappen (of bestanden) op NTFS-partities worden weergegeven en gewijzigd.
CLIP Leidt uitvoer van een opdracht op de opdrachtregel om naar het klembord van Windows. Deze uitvoer kan vervolgens in andere programma's worden geplakt.
CLS Scherm wissen.
CMD Een nieuwe instantie van de Windows-opdrachtprompt starten.
CMDKEY Maakt, verwijdert en geeft gebruikersnamen en wachtwoorden weer.
COLOR Standaardkleuren van voor- en achtergrond instellen.
COMP Inhoud van twee bestanden of verzamelingen van bestanden vergelijken.
COMPACT Compressie van bestanden op NTFS-partities weergeven of wijzigen.
CONVERT FAT-volumes omzetten naar NTFS. U kunt het huidige station niet omzetten.
COPY Eén of meer bestanden naar een andere locatie kopiëren.
CSCRIPT Microsoft ® Console Based Script Host
 
D
 
DATE Datum instellen of weergeven.
DEBUG Runs Debug, a program testing and editing tool.
DEFRAG Hiermee worden gefragmenteerde bestanden op lokale volumes opgezocht en geconsolideerd om de systeemprestaties te verbeteren.
DEL Eén of meer bestanden verwijderen.
DEVCON Device Console Help
DHCPLOC
DIANTZ Cabinet Maker - Lossless Data Compression Tool
DIR Een lijst met bestanden en onderliggende mappen weergeven.
DISKCOMP Inhoud van twee diskettes vergelijken.
DISKCOPY Inhoud van een diskette naar een andere kopiëren.
DISKPART De eigenschappen van een schijfpartitie weergeven of configureren.
DISKPERF Hulpprogramma voor het configureren van schijfprestaties
DISKRAID Microsoft DiskRAID versie 6.1.7601
DISM DISM wordt gebruikt voor het inventariseren, installeren, verwijderen, configureren en bijwerken van onderdelen van en pakketten in Windows- installatiekopieën. De beschikbare opdrachten zijn afhankelijk van de kopie die wordt verwerkt en verder speelt het een rol of de kopie offline is of actief is.
DISPDIAG Logs display information to a file in the current directory.
DOSKEY Opdrachtregel bewerken, Windows-opdrachten ongedaan maken en macros maken.
DPATH Programma's in staat stellen om gegevensbestanden in opgegeven mappen te openen alsof deze bestanden zich in de actieve map bevinden.
DRIVERQUERY De huidige status en eigenschappen van het appararaatstuurprogramma weergeven.
DSADD This tool's commands add specific types of objects to the directory.
DSGET This tool's commands display the selected properties of a specific object in the directory.
DSMOD This dsmod command modifies existing objects in the directory.
DSMOVE This command moves or renames an object within the directory.
DSQUERY This tool's commands suite allow you to query the directory according to specified criteria.
DSRM This command deletes objects from the directory.
DVDBURN
 
E
 
ECHO Berichten weergeven of opdrachtecho's in-of uitschakelen.
EDIT MS-DOS Editor Version 2.0.026 Copyright (c) Microsoft Corp 1995.
EDLIN Starts Edlin, a line-oriented text editor.
ENDLOCAL Lokalisatie van wijzigingen in de systeemomgeving in een batchbestand beëindigen.
ERASE Eén of meer bestanden verwijderen.
EVENTCREATE Met dit opdrachtregelprogramma kan een beheerder een aangepaste gebeurtenis-id en bericht in een opgegeven gebeurtenislogboek maken.
EXE2BIN Converts .EXE (executable) files to binary format.
EXIT Het programma CMD.EXE (opdrachtregel) afsluiten.
EXPAND Eén of meer gecomprimeerde bestanden uitpakken.
EXTRACT Diamond Extraction Tool - Version (16) 1.00.0530 (04/3/95)
 
F
 
FC Twee bestanden of twee bestandensets, en de verschillen tussen de bestanden weergeven.
FILEVER Prints file version information.
FIND Naar een tekenreeks in een bestand of bestanden zoeken.
FINDSTR Naar tekenreeksen in bestanden zoeken.
FINGER Gegevens weergeven over een gebruiker op een systeem waar de service Finger wordt uitgevoerd. De uitvoer hangt af van het externe systeem.
FLTMC Programma Filterbeheerbesturing
FOR Een opgegeven opdracht uitvoeren voor elk bestand in een verzameling bestanden.
FORFILES Selecteert een bestand (of een groep bestanden) en voert een opdracht op het bestand uit. Dit is nuttig voor batchtaken.
FORMAT Een schijf voor gebruik met Windows formatteren.
FSUTIL De eigenschappen van het bestandssysteem weergeven of deze configureren.
FTP Bestanden verplaatsen van en naar een computer met een FTP-serverservice (heet soms een daemon). FTP kan interactief worden gebruikt.
FTYPE Bestandstypen die worden gebruikt in koppelingen van bestandsextensies, weergeven of wijzigen.
 
G
 
GETMAC Met dit hulpprogramma kan een administrator het MAC-adres van netwerkadapters op een computer weergeven.
GOTO De opdracht-interpreter van Windows naar een gemarkeerde regel in een batchprogramma laten springen.
GPRESULT De groepsbeleidinformatie voor de computer en gebruiker weergeven.
GPUPDATE GPUpdate [/Target:{Computer | User}] [/Force] [/Wait:<waarde>] [/Logoff] [/Boot] [/Sync]
GRAFTABL Een uitgebreide tekenset in grafische modus weergeven.
 
H
 
HELP Help-informatie voor Windows-opdrachten weergeven.
HOSTNAME De naam van de huidige host weergeven.
 
I
 
ICACLS ACL's voor bestanden en mappen weergeven, aanpassen en terugzetten, of er een back-up maken.
IF Voorwaardelijke verwerking in batchprogramma's uitvoeren.
IFMEMBER Return Code shows number of groups this user is a member of.
IPCONFIG Standaard wordt alleen het IP-adres, subnetmasker en de standaardgateway voor elke aan TCP/IP-gebonden adapter weergegeven.
ISCSICLI Microsoft iSCSI-initiator, versie 6.1 Build 7601
 
J
 
JT Microsoft (R) Task Scheduler Command Line Utility
 
L
 
LABEL De volumenaam van een schijf instellen, wijzigen of verwijderen.
LODCTR Hiermee worden registerwaarden van prestatiemeteritems bijgewerkt.
LOGEVENT Log an user event to EventLog registry.
LOGMAN Microsoft © Logman.exe (6.1.7601.17514)
LOGOFF Command-line logoff utility version 1.00.
 
M
 
MAKECAB Cabinet Maker - Lossless Data Compression Tool
MANAGE-BDE Hiermee wordt BitLocker-stationsversleuteling op schijfvolumes
MD Een map maken.
MEM Displays the amount of used and free memory in your system.
MKDIR Een map maken.
MKLINK Symbolische koppelingen en harde koppelingen maken
MODE Een systeemapparaat configureren.
MORE Uitvoer scherm voor scherm weergeven.
MOUNTVOL Maakt, verwijdert of geeft een volumekoppelingspunt weer.
MOVE E&eacute;n of meer bestanden van een map naar een andere map verplaatsen.
MRINFO Multicastinformatie
 
N
 
NBTSTAT Protocolstatistieken en actieve TCP/IP-verbindingen weergeven die NBT gebruiken (NetBIOS over TCP/IP).
NET Net Command
NETCFG WinPE network installer
NETSH Netwerkopdrachtshell
NETSTAT Protocolstatistieken en de actieve TCP/IP-netwerkverbindingen weergeven.
NLSFUNC Loads country-specific information.
NLTEST Hulpprogramma Microsoft® Logon Server Test
NSLOOKUP nslookup APP
 
O
 
OPENFILES De bestanden weergeven die door externe gebruikers worden gebruikt tijdens het delen van bestanden.
 
P
 
PATH Het zoekpad voor uitvoerbare bestanden weergeven of instellen.
PATHPING TCP/IP-opdracht PathPing
PAUSE De verwerking van een batchbestand onderbreken en een bericht weergeven.
PING TCP/IP-opdracht Ping
PNPUTIL Microsoft PnP-hulpprogramma
POPD De vorige waarde van de huidige map terugzetten die is opgeslagen met PUSHD.
PORTQRY Displays the state of TCP and UDP ports.
POWERCFG Met dit opdrachtregelhulpprogramma kunnen gebruikers de energie-instellingen voor een systeem beheren.
PRINT Een tekstbestand afdrukken.
PROMPT De opdrachtprompt van Windows wijzigen.
PSEXEC Execute processes remotely
PSFILE PsFile lists or closes files opened remotely.
PSGETSID Translates SIDs to names and vice versa
PSINFO Local and remote system information viewer
PSKILL Terminates processes on local or remote systems
PSLIST Sysinternals PsList
PSLOGGEDON See who's logged on
PSLOGLIST local and remote event log viewer
PSPASSWD Local and remote password changer
PSSERVICE Service information and configuration utility
PSSHUTDOWN Shutdown, logoff and power manage local and remote systems
PSSUSPEND Process Suspender
PUSHD De huidige map opslaan en vervolgens wijzigen.
 
R
 
RASDIAL Gebruikersinterface voor inbellen op opdrachtregel van Externe toegang
RD Een map verwijderen.
REAGENTC Hiermee wordt de Windows Herstelomgeving (WinRE) geconfigureerd.
RECOVER Leesbare informatie op een slecht-leesbare of defecte schijf herstellen.
REG Registerhulpprogramma (console)
REGINI Registry Initializer
REGISTER-CIMPROVIDER Registers CIM Provider into system
RELOG Met Relog maakt u nieuwe prestatielogboeken van gegevens in bestaande prestatielogboeken door de steekproeffrequentie te wijzigen en/of de bestandsindeling te converteren. Deze opdracht biedt ondersteuning voor alle indelingen van prestatielogboeken, inclusief gecomprimeerde logboeken van Windows NT 4.0.
REM Opmerkingen in batchbestanden of CONFIG.SYS opnemen.
REN De naam van een bestand of bestanden wijzigen.
RENAME De naam van een bestand of bestanden wijzigen.
REPLACE Bestanden vervangen.
RMDIR Een map verwijderen.
ROBOCOPY Geavanceerd hulpprogramma voor het kopi&euml;ren van bestanden en mapstructuren
ROUTE Netwerkrouteringstabellen manipuleren.
RPCPING Hulpprogramma RPC Ping
RUNAS Hulpprogramma Uitvoeren als
 
S
 
SC Services (achtergrondprocessen) weergeven of configureren.
SCHTASKS Het uitvoeren van opdrachten en programma's op een computer plannen.
SDBINST Toepassingscompatibiliteitsdatabase-installer
SECEDIT Opdrachthulpprogramma voor Windows Beveiligingsconfiguratie-editor
SET Omgevingsvariabelen van Windows weergeven, instellen of verwijderen.
SETLOCAL Lokalisatie van wijzigingen in de systeemomgeving in een batchbestand starten.
SETVER Sets the version number that MS-DOS reports to a program.
SETX Hiermee worden omgevingsvariabelen in de gebruikers- of systeemomgeving gemaakt of gewijzigd. Kan variabelen instellen op basis van argumenten, registersleutels of bestandsinvoer.
SFC Hiermee wordt de integriteit van alle beveiligde systeembestanden gecontroleerd en worden ongeldige versies vervangen door geldige Microsoft- versies.
SHIFT De positie van vervangbare parameters in batchbestanden wijzigen.
SHORTCUT
SHUTDOWN Een computer op een juiste manier lokaal of extern afsluiten.
SOON Command Scheduling Utility
SORT Invoer sorteren.
START Een apart venster voor het uitvoeren van een opgegeven programma of opdracht openen.
SUBINACL SubInAcl version 5.2.3790.1180
SUBST Een pad aan een stationsletter koppelen.
SXSTRACE Hulpprogramma voor Sxs-tracering
SYSTEMINFO Computerspecifieke eigenschappen en configuratie weergeven.
 
T
 
TAKEOWN Met dit hulpprogramma kan een administrator opnieuw toegang tot een ontoegankelijk bestand krijgen door opnieuw een eigenaar toe te wijzen.
TASKKILL Een toepassing of proces afbreken of stoppen.
TASKLIST De actieve taken, inclusief services, weergeven.
TIME De systeemtijd weergeven of instellen.
TIMEOUT Dit hulpprogramma accepteert een parameter voor time-out. Er wordt gewacht gedurende de opgegeven periode (seconden) of totdat een toets wordt ingedrukt. Toetsindruk kan worden genegeerd.
TITLE De titel van het venster voor een CMD.EXE-sessie instellen.
TRACERPT Gebeurtenistraceringrapportageprogramma
TRACERT TCP/IP-opdracht Traceroute
TREE De mapstructuur van een station of een pad grafisch weergeven.
TYPE De inhoud van een tekstbestand weergeven.
TYPEPERF Met Typeperf worden prestatiegegevens naar het opdrachtvenster of een logboekbestand geschreven. Beëindig Typeperf door op Ctrl+C te drukken.
TZUTIL Windows-hulpprogramma voor tijdzones
 
U
 
UNLODCTR Itemnamen en verklarende tekst verwijderen voor het opgegeven item.
 
V
 
VAULTCMD Hiermee kunt u opgeslagen referenties maken, weergeven of verwijderen.
VER De versie van Windows weergeven.
VERIFIER Beheer van stuurprogrammacontrole
VERIFY Windows zodanig instellen dat het schrijven van bestanden naar schijf wordt gecontroleerd.
VOL De volumenaam en serienummer van een schijf weergeven.
VSSADMIN vssadmin 1.1 - Opdrachtregelbeheerprogramma voor Volume Shadow Copy-service
 
W
 
W32TM Diagnostisch hulpprogramma voor Windows Time-service
WAITFOR Dit hulpprogramma verzendt, of wacht op een signaal op een systeem. Als /S niet is opgegeven, wordt het signaal aan alle computers in een domein verzonden. Als /S is opgegeven, wordt het signaal alleen aan de opgegeven computer verzonden.
WBADMIN wbadmin 1.0 - opdrachtregelprogramma voor het maken van back-ups
WECUTIL Event Collector Command Line Utility
WEVTUTIL Opdrachtregelhulpprogramma voor gebeurtenissen
WHERE Hiermee wordt de locatie van alle bestanden weergegeven die aan het zoekfilter voldoen. Standaard wordt alleen in de huidige map en in de paden die zijn opgegeven in de variabele PATH gezocht.
WHOAMI Dit hulpprogramma kan worden gebruikt voor het ophalen van de gebruikersnaam en groepsgegevens samen met beveiligings-id's, bevoegdheden, aanmeldings-id's van de huidige gebruiker op het lokale systeem, m.a.w. wie is de aangemelde gebruiker? Als er geen schakeloptie wordt opgegeven, wordt de gebruikers- naam in NTLM-indeling weergegeven (domein\gebruikersnaam).
WINRM Windows Remote Management (WinRM) is the Microsoft implementation of the WS-Management protocol which provides a secure way to communicate with local and remote computers using web services.
WINRS winrs
WMIC WMI-informatie op de opdrachtregel weergeven.
 
X
 
XCOPY Bestanden en mapstructuren kopi&euml;ren.

 

ACINIUPD   (Version 5.0.2158.1)

ACINIUPD: utility to update the INI file.

aciniupd [/e | /k] [/u] [/v] ini_file section key new_value.
  /e  Update the value for the key in the section specified.
  /k  Update the key name with the new key name in the section specified.
  /u  Update INI file in user's windows directory instead of system directory.
  /v  Verbose mode.

 

APPEND

Allows programs to open data files in specified directories as if they were in
the current directory.

APPEND [[drive:]path[;...]] [/X[:ON | :OFF]] [/PATH:ON | /PATH:OFF] [/E]
APPEND ;

  [drive:]path Specifies a drive and directory to append.
  /X:ON        Applies appended directories to file searches and
               application execution.
  /X:OFF       Applies appended directories only to requests to open files.
               /X:OFF is the default setting.
  /PATH:ON     Applies appended directories to file requests that already
               specify a path.  /PATH:ON is the default setting.
  /PATH:OFF    Turns off the effect of /PATH:ON.
  /E           Stores a copy of the appended directory list in an environment
               variable named APPEND.  /E may be used only the first time
               you use APPEND after starting your system.

Type APPEND ; to clear the appended directory list.
Type APPEND without parameters to display the appended directory list.

 

ARP   (Version 6.1.7600.16385)

Geeft de door Address Resolution Protocol (ARP) gebruikte tabellen weer voor
het omzetten van IP-adressen naar fysieke adressen en wijzigt deze.

ARP -s inet_addr eth_addr [if_addr]
ARP -d inet_addr [if_addr]
ARP -a [inet_addr] [-N if_addr] [-v]

  -a            Geeft huidige ARP-vermeldingen weer door de huidige protocol-
                gegevens aan te vragen. Als het inet_addr niet is opgegeven,
                worden alleen de IP- en fysieke adressen van de opgegeven
                computer weergegeven. Als meer dan één netwerkinterface ARP
                gebruikt, worden er vermeldingen weergegeven voor elke
                ARP-tabel
  -g            Hetzelfde als -a.
  -v            Geeft de huidige ARP-vermeldingen in uitgebreide modus weer.
                Alle ongeldige vermeldingen en vermeldingen op het look-back-
                interface worden weergegeven.
  inet_addr     Specificeert een internetadres.
  -N if_addr    Geeft de ARP-vermeldingen weer voor de netwerkinterface
                opgegeven door if_addr.
  -d            Verwijdert de host opgegeven door inet_addr. Als u sterretjes
                (*) als jokertekens gebruikt, kunt u alle hosts verwijderen.
  -s            Voegt de host toe en associeert het internetadres inet_addrn
                met het fysieke adres eth_addr. Het fysieke adres wordt
                weergegeven als 6 hexadecimale bytes gescheiden door een
                streepje.
  eth_addr      Specificeert een fysiek adres.
  if_addr       Indien aanwezig, specificeert dit het internetadres van de
                interface waarvan de adresomzettingstabel moet worden
                gewijzigd. Indien niet aanwezig, wordt de eerste toepasbare
                interface gebruikt.
Voorbeelden:
  > arp -s 157.55.85.212   00-aa-00-62-c6-09
    Een statische vermelding toevoegen.

  > arp -a
    De ARP-tabel weergeven.

 

ASSOC   (internal command)

Bestandsextensiekoppelingen weergeven of wijzigen

ASSOC [.ext[=[fileType]]]

  .ext      Bepaalt de bestandsextensie waaraan het bestandstype moet
	    worden gekoppeld
  fileType  Bepaalt het bestandstype dat moet worden gekoppeld aan de
	    bestandsextensie

Typ ASSOC zonder parameters om de actieve bestandskoppelingen weer te
geven. Als ASSOC wordt aangeroepen met alleen een bestandsextensie,
wordt de actieve bestandskoppeling weergeven voor die bestandsextensie.
Als u niets opgeeft voor het bestandstype zal de opdracht de koppeling
voor de bestandsextensie verwijderen.

 

AT   (Version 6.1.7600.16385)

De opdracht AT programmeert opdrachten en programma's zodat deze op een     
bepaalde tijd en datum door de computer worden uitgevoerd. Om deze          
opdracht te kunnen gebruiken moet de service Schedule zijn gestart.

AT [\\computernaam] [ [ID] [/DELETE] | /DELETE [/YES]]                    
AT [\\computernaam] tijd [/INTERACTIVE]
    [ /EVERY:datum[,...] | /NEXT:datum[,...]] "opdracht"

\\computernaam       Geeft een externe computer op. Opdrachten worden
                     gepland op de lokale computer als deze parameter
                     wordt weggelaten.
Id                   Is een id-nummer dat is toegewezen aan een geplande
                     opdracht.
/delete              Annuleert een geplande opdracht. Als id is weggelaten
                     worden alle geplande opdrachten op de computer
                     geannuleerd.
/yes                 Wordt gebruikt met de opdracht 'delete' als bij 
                     het verwijderen van meerdere geplande opdrachten geen 
                     verdere bevestiging nodig is.
tijd                 Bepaalt het tijdstip wanneer de opdracht wordt 
                     uitgevoerd.
/interactive         Als deze schakeloptie wordt gebruikt, kan de taak 
                     interactief worden uitgevoerd met het bureaublad van 
                     de gebruiker die is aangemeld op het moment dat de 
                     taak wordt uitgevoerd.
/every:datum[,...]   Voert de opdracht uit op de opgegeven dag(en) van de
                     week of maand. Als datum is weggelaten, wordt aangenomen 
                     dat de huidige dag van de maand wordt bedoeld.
/next:datum[,...]    Voert de opgegeven opdracht uit op de eerstvolgende
                     keer dat het die dag is (bijv. komende donderdag). Als
                     datum is weggelaten, wordt aangenomen dat de huidige 
                     dag van de maand wordt bedoeld.
opdracht             Het batchprogramma of de Windows NT-opdracht die
                     moet worden uitgevoerd.

 

ATTRIB   (Version 6.1.7600.16385)

Bestandskenmerken weergeven of wijzigen.

ATTRIB [+R | -R] [+A | -A ] [+S | -S] [+H | -H] [+I | -I]
       [[station:][pad] bestandsnaam] [/S] [/D] [/L]]

  +   Stelt een kenmerk in.
  -   Verwijdert een kenmerk.
  R   Kenmerk Alleen-lezen.
  A   Kenmerk Archief.
  S   Kenmerk Systeem.
  H   Kenmerk Verborgen.
  I   Kenmerk Bestand zonder geïndexeerde inhoud
  [station:][pad][bestandsnaam]
      Geeft een bestand of aantal bestanden op voor de bewerking met attrib
  /S  Verwerkt overeenkomende bestanden in de actieve map en alle submappen.
  /D  Verwerkt ook mappen.
  /L  Werken op de kenmerken van de symbolische koppeling in plaats van het
      doel van de symbolische koppeling

 

AUDITPOL   (Version 6.1.7600.16385)

Syntaxis: AuditPol opdracht [<subopdracht><opties>]


Opdrachten (slechts één opdracht toegestaan per keer dat de opdracht wordt
uitgevoerd)
  /?               Help (contextgevoelig)
  /get             Huidig controlebeleid weergeven
  /set             Controlebeleid instellen
  /list            Te selecteren beleidselementen weergeven
  /backup          Controlebeleid opslaan in een bestand
  /restore         Controlebeleid herstellen uit een bestand
  /clear           Controlebeleid wissen
  /remove          Gebruikersafhankelijk controlebeleid verwijderen voor
                   een gebruikersaccount
  /resourceSACL    Globale bron-SACL's configureren


Gebruik AuditPol <opdracht> /? voor details van de afzonderlijke opdrachten

 

BCDBOOT   (Version 6.1.7601.17514)

Bcdboot - hulpprogramma voor het maken en repareren van Bcd-opstartbestanden.

Het opdrachtregelprogramma bcdboot.exe wordt gebruikt voor het kopiëren van
essentiële opstartbestanden naar de systeempartitie en voor het maken van een
nieuwe BCD-opslag voor het systeem.

bcdboot <bron> [/l <landinstellingen>] [/s <volumeletter>] [/v]
               [/m [{Id van lader voor besturingssysteem}]]

  bron              Hiermee wordt de locatie opgegeven van de
                    Windows-systeemhoofdmap.

  /l                Hiermee wordt een optionele parameter voor de
                    landinstelling opgegeven voor gebruik bij het
                    initialiseren van de BCD-opslag. De standaardinstelling
                    is Engels (Verenigde Staten).

  /s                Hiermee wordt de parameter voor een optionele
                    volumeletter opgegeven voor het aanwijzen van
                    de doelsysteempartitie waarnaar de bestanden voor de
                    opstartomgeving worden gekopieerd. De standaardinstelling
                    is de systeempartitie die wordt aangeduid door
                    de firmware.

  /v                Hiermee wordt de uitgebreide modus ingeschakeld.

  /m                Als een GUID van de lader voor het besturingssysteem is
                    opgegeven, wordt met deze optie het opgegeven
                    object van de lader samengevoegd met de systeemsjabloon
                    zodat een opstartbaar item wordt gemaakt. Anders worden
                    alleen algemene objecten samengevoegd.


Voorbeelden: bcdboot c:\windows /l en-us
          bcdboot c:\windows /s h:
          bcdboot c:\windows /m {d58d10c6-df53-11dc-878f-00064f4f4e08}

 

BCDEDIT   (Version 6.1.7601.17514)

BCDEDIT - Editor voor archief met opstartconfiguratiegegevens

Het opdrachtregelhulpprogramma Bcdedit.exe past het archief met
opstartconfiguratiegegevens aan. Dit archief bevat parameters voor de
opstartconfiguratie en bepaalt hoe het besturingssysteem wordt opgestart.
Deze parameters werden eerder in bestand Boot.ini opgeslagen (in op BIOS
gebaseerde besturingssystemen) of in de niet-vluchtige RAM-
vermeldingen (in op EFI (Extensible Firmware Interface) gebaseerde
besturingssystemen). U kunt Bcdedit.exe gebruiken om vermeldingen in/aan het
archief voor opstartconfiguratiegegevens toe te voegen, te verwijderen,
te bewerken of in te voegen.

Typ bcdedit.exe /? <opdracht> voor gedetailleerde informatie over de
opdrachten en opties. Bijvoorbeeld: als u gedetailleerde informatie over
de opdracht /createstore wilt weergeven, typt u:

     bcdedit.exe /? /createstore

Voer 'bcdedit /? TOPICS' uit voor een alfabetische lijst met onderwerpen
in dit Help-bestand.

Opdrachten voor een archief
===========================
/createstore    Een nieuw en leeg archief met opstartconfiguratiegegevens
                maken.
/export         De inhoud van het systeemarchief naar een bestand exporteren.
                Dit bestand kan later worden gebruikt om de toestand van het
                systeemarchief te herstellen.
/import         De toestand van het systeemarchief herstellen met behulp
                van een back-upbestand dat is gemaakt met de opdracht /export.
/sysstore       Het systeemarchiefapparaat instellen (is alleen geldig voor
                EFI-systemen, deze instelling blijft niet behouden wanneer de
                computer opnieuw wordt opgestart, en wordt alleen gebruikt
                als het systeemarchiefapparaat niet eenduidig is).

Opdrachten voor vermeldingen in een archief
===========================================
/copy           Kopieën van vermeldingen in het archief maken.
/create         Nieuwe vermeldingen in het archief maken.
/delete         Vermeldingen uit het archief verwijderen.
/mirror         Een mirror maken van vermeldingen in de het archief.

Voer 'bcdedit /? ID' uit voor informatie over id's die door deze opdrachten
worden gebruikt.

Opdrachten voor opties voor vermeldingen
========================================
/deletevalue    Vermeldingsopties uit het archief verwijderen.
/set            Waarden voor vermeldingsopties in het archief instellen.

Voer 'bcdedit /? TYPES' uit voor een lijst met gegevenstypen die door deze
opdrachten worden gebruikt.
Voer 'bcdedit /? FORMATS' uit voor een lijst met geldige gegevensindelingen.

Opdrachten die de uitvoer bepalen
=================================
/enum           Vermeldingen in het archief weergeven.
/v              Opdrachtregeloptie die volledige vermeldings-id's weergeeft,
                in plaats van bekende id's. Gebruik /v als alleenstaande
                opdracht als u volledige vermeldings-id's voor het type
                ACTIVE wilt weergeven.

Het uitvoeren van 'bcdedit' is gelijk aan het uitvoeren van 'bcdedit /enum
ACTIVE'.

Opdrachten die opstartbeheer besturen
=====================================
/bootsequence   De eenmalige opstartvolgorde voor opstartbeheer instellen.
/default        De standaardvermelding instellen die door opstartbeheer
                wordt gebruikt.
/displayorder   De volgorde instellen waarmee opstartbeheer het menu met
                meerdere opstartmogelijkheden zal weergeven.
/timeout        De time-outwaarde van opstartbeheer instellen.
/toolsdisplayorder  De volgorde instellen waarmee opstartbeheer het menu
                met hulpprogramma's zal weergeven.

Opdrachten die EMS (Noodsituatiebeheerservices) voor een opstarttoepassing
besturen
=============================================================================
/bootems        Noodsituatiebeheerservices voor een opstarttoepassing
                in- of uitschakelen.
/ems            Noodsituatiebeheerservices voor een besturingssysteem-
                vermelding in- of uitschakelen.
/emssettings    De globale parameters voor Noodsituatiebeheerservices
                instellen.

Opdrachten voor foutopsporing
=============================
/bootdebug      Foutopsporing voor een opstarttoepassing in- of uitschakelen.
/dbgsettings    De globale parameters voor foutopsporing instellen.
/debug          Foutopsporing voor de kernel voor een besturingssysteem-
                vermelding in- of uitschakelen.
/hypervisorsettings  De hypervisorparameters instellen.

 

BITSADMIN   (Version 7.5.7601.17514)

BITSADMIN version 3.0 [ 7.5.7601 ]
BITS administration utility.
(C) Copyright 2000-2006 Microsoft Corp.

BITSAdmin is deprecated and is not guaranteed to be available in future versions of Windows.
Administrative tools for the BITS service are now provided by BITS PowerShell cmdlets.

USAGE: BITSADMIN [/RAWRETURN] [/WRAP | /NOWRAP] command
The following commands are available:

/HELP           Prints this help 
/?              Prints this help 
/UTIL /?        Prints the list of utilities commands 
/PEERCACHING /?   Prints the list of commands to manage Peercaching
/CACHE /?       Prints the list of cache management commands 
/PEERS /?       Prints the list of peer management commands

/LIST    [/ALLUSERS] [/VERBOSE]     List the jobs
/MONITOR [/ALLUSERS] [/REFRESH sec] Monitors the copy manager
/RESET   [/ALLUSERS]                Deletes all jobs in the manager

/TRANSFER <job name> [type] [/PRIORITY priority] [/ACLFLAGS flags] 
          remote_url local_name
    Transfers one of more files.
    [type] may be /DOWNLOAD or /UPLOAD; default is download
    Multiple URL/file pairs may be specified.
    Unlike most commands, <job name> may only be a name and not a GUID.

/CREATE [type] <job name>               Creates a job
    [type] may be /DOWNLOAD, /UPLOAD, or /UPLOAD-REPLY; default is download
    Unlike most commands, <job name> may only be a name and not a GUID.

/INFO <job> [/VERBOSE]                   Displays information about the job
/ADDFILE <job> <remote_url> <local_name> Adds a file to the job
/ADDFILESET <job> <textfile>             Adds multiple files to the job
   Each line of <textfile> lists a file's remote name and local name, separated
   by spaces.  A line beginning with '#' is treated as a comment.
   Once the file set is read into memory, the contents are added to the job.

/ADDFILEWITHRANGES  <job> <remote_url> <local_name range_list>
   Like /ADDFILE, but BITS will read only selected byte ranges of the URL.
   range_list is a comma-delimited series of offset and length pairs.
   For example,

       0:100,2000:100,5000:eof

   instructs BITS to read 100 bytes starting at offset zero, 100 bytes starting
   at offset 2000, and the remainder of the URL starting at offset 5000.

/REPLACEREMOTEPREFIX <job> <old_prefix> <new_prefix>
    All files whose URL begins with <old_prefix> are changed to use <new_prefix>

Note that BITS currently supports HTTP/HTTPS downloads and uploads.
It also supports UNC paths and file:// paths as URLS

/LISTFILES <job>                     Lists the files in the job
/SUSPEND <job>                       Suspends the job
/RESUME <job>                        Resumes the job
/CANCEL <job>                        Cancels the job
/COMPLETE <job>                      Completes the job

/GETTYPE <job>                       Retrieves the job type
/GETACLFLAGS <job>                   Retrieves the ACL propagation flags

/SETACLFLAGS <job> <ACL_flags>       Sets the ACL propagation flags for the job
  O - OWNER       G - GROUP 
  D - DACL        S - SACL  

  Examples:
      bitsadmin /setaclflags MyJob OGDS
      bitsadmin /setaclflags MyJob OGD

/GETBYTESTOTAL <job>                 Retrieves the size of the job
/GETBYTESTRANSFERRED <job>           Retrieves the number of bytes transferred
/GETFILESTOTAL <job>                 Retrieves the number of files in the job
/GETFILESTRANSFERRED <job>           Retrieves the number of files transferred
/GETCREATIONTIME <job>               Retrieves the job creation time
/GETMODIFICATIONTIME <job>           Retrieves the job modification time
/GETCOMPLETIONTIME <job>             Retrieves the job completion time
/GETSTATE <job>                      Retrieves the job state
/GETERROR <job>                      Retrieves detailed error information
/GETOWNER <job>                      Retrieves the job owner
/GETDISPLAYNAME <job>                Retrieves the job display name
/SETDISPLAYNAME <job> <display_name> Sets the job display name
/GETDESCRIPTION <job>                Retrieves the job description
/SETDESCRIPTION <job> <description>  Sets the job description
/GETPRIORITY    <job>                Retrieves the job priority
/SETPRIORITY    <job> <priority>     Sets the job priority
   Priority usage choices:
      FOREGROUND 
      HIGH
      NORMAL
      LOW
/GETNOTIFYFLAGS <job>                 Retrieves the notify flags
/SETNOTIFYFLAGS <job> <notify_flags>  Sets the notify flags
    For more help on this option, please refer to the MSDN help page for SetNotifyFlags
/GETNOTIFYINTERFACE <job>             Determines if notify interface is registered
/GETMINRETRYDELAY <job>               Retrieves the retry delay in seconds
/SETMINRETRYDELAY <job> <retry_delay> Sets the retry delay in seconds
/GETNOPROGRESSTIMEOUT <job>           Retrieves the no progress timeout in seconds
/SETNOPROGRESSTIMEOUT <job> <timeout> Sets the no progress timeout in seconds
/GETMAXDOWNLOADTIME <job>             Retrieves the download timeout in seconds
/SETMAXDOWNLOADTIME <job> <timeout>   Sets the download timeout in seconds
/GETERRORCOUNT <job>                  Retrieves an error count for the job

/SETPROXYSETTINGS <job> <usage>      Sets the proxy usage
   usage choices:
    PRECONFIG   - Use the owner's default Internet settings.
    AUTODETECT  - Force autodetection of proxy.
    NO_PROXY    - Do not use a proxy server.
    OVERRIDE    - Use an explicit proxy list and bypass list. 
                  Must be followed by a proxy list and a proxy bypass list.
                  NULL or "" may be used for an empty proxy bypass list.
  Examples:
      bitsadmin /setproxysettings MyJob PRECONFIG
      bitsadmin /setproxysettings MyJob AUTODETECT
      bitsadmin /setproxysettings MyJob NO_PROXY
      bitsadmin /setproxysettings MyJob OVERRIDE proxy1:80 "<local>" 
      bitsadmin /setproxysettings MyJob OVERRIDE proxy1,proxy2,proxy3 NULL 

/GETPROXYUSAGE <job>                 Retrieves the proxy usage setting
/GETPROXYLIST <job>                  Retrieves the proxy list
/GETPROXYBYPASSLIST <job>            Retrieves the proxy bypass list

/TAKEOWNERSHIP <job>                 Take ownership of the job

/SETNOTIFYCMDLINE <job> <program_name> [program_parameters] 
    Sets a program to execute for notification, and optionally parameters.
    The program name and parameters can be NULL.
    IMPORTANT: if parameters are non-NULL, then the program name should be the
               first parameter.

  Examples:
    bitsadmin /SetNotifyCmdLine MyJob c:\winnt\system32\notepad.exe  NULL
    bitsadmin /SetNotifyCmdLine MyJob c:\foo.exe "c:\foo.exe parm1 parm2" 
    bitsadmin /SetNotifyCmdLine MyJob NULL NULL

/GETNOTIFYCMDLINE <job>              Returns the job's notification command line

/SETCREDENTIALS <job> <target> <scheme> <username> <password>
  Adds credentials to a job.
  <target> may be either SERVER or PROXY
  <scheme> may be BASIC, DIGEST, NTLM, NEGOTIATE, or PASSPORT. 

/REMOVECREDENTIALS <job> <target> <scheme> 
  Removes credentials from a job.
/GETCUSTOMHEADERS <job>                           Gets the Custom HTTP Headers
/SETCUSTOMHEADERS <job> <header1> <header2> <...> Sets the Custom HTTP Headers
/GETCLIENTCERTIFICATE <job>                       Gets the job's Client Certificate Information
/SETCLIENTCERTIFICATEBYID <job> <store_location> <store_name> <hexa-decimal_cert_id>
  Sets a client authentication certificate to a job.
  <store_location> may be 
	1(CURRENT_USER), 2(LOCAL_MACHINE), 3(CURRENT_SERVICE),
	4(SERVICES), 5(USERS), 6(CURRENT_USER_GROUP_POLICY),
	7(LOCAL_MACHINE_GROUP_POLICY) or 8(LOCAL_MACHINE_ENTERPRISE). 

/SETCLIENTCERTIFICATEBYNAME <job> <store_location> <store_name> <subject_name>
  Sets a client authentication certificate to a job.
  <store_location> may be 
	1(CURRENT_USER), 2(LOCAL_MACHINE), 3(CURRENT_SERVICE),
	4(SERVICES), 5(USERS), 6(CURRENT_USER_GROUP_POLICY),
	7(LOCAL_MACHINE_GROUP_POLICY) or 8(LOCAL_MACHINE_ENTERPRISE). 

/REMOVECLIENTCERTIFICATE <job>                Removes the Client Certificate Information from the job

/SETSECURITYFLAGS <job> <value>   
   Sets the HTTP security flags for URL redirection and checks performed on the server certificate during the transfer.
   The value is an unsigned integer with the following interpretation for the bits in the binary representation.
     Enable CRL Check                                 : Set the least significant bit
     Ignore invalid common name in server certificate : Set the 2nd bit from right
     Ignore invalid date in  server certificate       : Set the 3rd bit from right
     Ignore invalid certificate authority in server
       certificate                                    : Set the 4th bit from right
     Ignore invalid usage of certificate              : Set the 5th bit from right
     Redirection policy                               : Controlled by the 9th-11th bits from right
         0,0,0  - Redirects will be automatically allowed.
         0,0,1  - Remote name in the IBackgroundCopyFile interface will be updated if a redirect occurs.
         0,1,0  - BITS will fail the job if a redirect occurs.

     Allow redirection from HTTPS to HTTP             : Set the 12th bit from right

/GETSECURITYFLAGS <job>   
   Reports the HTTP security flags for URL redirection and checks performed on the server certificate during the transfer.

/SETVALIDATIONSTATE  <job>  <file-index> <true|false>
      <file-index> starts from 0          
    Sets the content-validation state of the given file within the job.

/GETVALIDATIONSTATE  <job>  <file-index>  
      <file-index> starts from 0          
    Reports the content-validation state of the given file within the job.

/GETTEMPORARYNAME  <job>  <file-index>  
      <file-index> starts from 0          
    Reports the temporary filename of the given file within the job.

The following options control peercaching of a particular job:

/SETPEERCACHINGFLAGS  <job> <value>   
    Sets the flags for the job's peercaching behavior.
    The value is an unsigned integer with the following interpretation for the bits in the binary representation.
        Allow the job's data to be downloaded from a peer : Set the least significant bit
        Allow the job's data to be served to peers        : Set the 2nd bit from right

/GETPEERCACHINGFLAGS  <job>               
    Reports the flags for the job's peercaching behavior.

The following options are valid for UPLOAD-REPLY jobs only:

/GETREPLYFILENAME <job>        Gets the path of the file containing the server reply
/SETREPLYFILENAME <job> <path> Sets the path of the file containing the server reply
/GETREPLYPROGRESS <job>        Gets the size and progress of the server reply
/GETREPLYDATA     <job>        Dumps the server's reply data in hex format

The following options can be placed before the command:
/RAWRETURN                     Return data more suitable for parsing
/WRAP                          Wrap output around console (default)
/NOWRAP                        Don't wrap output around console

The /RAWRETURN option strips new line characters and formatting.
It is recognized by the /CREATE and /GET* commands.

Commands that take a <job> parameter will accept either a job name or a job ID
GUID inside braces.  BITSADMIN reports an error if a name is ambiguous.

 

BOOTCFG   (Version 6.1.7600.16385)

BOOTCFG /parameter [argumenten]

Beschrijving:
    Met dit opdrachtregelprogramma kunt u de instellingen voor de
    opstartvermelding in het bestand boot.ini configureren, opzoeken, wijzigen
    of verwijderen.

Parameterlijst:
    /Copy       Hiermee wordt een kopie van een bestaande opstartvermelding
                gemaakt.

    /Delete     Hiermee wordt een bestaande opstartvermelding uit
                boot.ini verwijderd.

    /Query      Hiermee worden de huidige opstartvermeldingen en de
                bijbehorende instellingen weergegeven.

    /Raw        Hiermee kunnen schakelopties worden opgegeven die moeten
                worden toegevoegd.

    /Timeout    Hiermee kan de waarde voor time-out worden gewijzigd.

    /Default    Hiermee kan de standaardopstartvermelding worden gewijzigd.

    /EMS        Hiermee kan de schakeloptie /redirect worden.
                ingesteld voor headless-ondersteuning.

    /Debug      Hiermee kunnen de poort en baudrate worden
                opgegeven voor foutopsporing op afstand.

    /Addsw      Hiermee kunnen voorgedefinieerde
                schakelopties worden toegevoegd.
    /Rmsw       Hiermee kunnen voorgedefinieerde
                schakelopties worden verwijderd
    /Dbg1394    Hiermee kan foutopsporing via poort 1394
                worden geconfigureerd.
    /?          Dit helpbericht weergeven.

Voorbeelden:
    BOOTCFG /Copy /?
    BOOTCFG /Delete /?
    BOOTCFG /Query /?
    BOOTCFG /Raw /?
    BOOTCFG /Timeout /?
    BOOTCFG /EMS /?
    BOOTCFG /Debug /?
    BOOTCFG /Addsw /?
    BOOTCFG /Rmsw /?
    BOOTCFG /Dbg1394 /?
    BOOTCFG /Default /?
    BOOTCFG /?

Waarschuwing: Boot.ini wordt gebruikt voor opstartopties in Windows XP en
              oudere besturingssystemen. Gebruik het opdrachtregelprogramma
              BCDEDIT voor het aanpassen van de opstartopties in Windows
              Vista.

 

BREAK   (internal command)

Uitgebreide Ctrl+C-controle op DOS-systeem in- of uitschakelen.

Dit is aanwezig voor compatibiliteit met DOS-systemen. Het heeft geen effect
onder Windows.

Als opdrachtextensies worden ingeschakeld en worden uitgevoerd op
Windows, zal de opdracht BREAK een hardcoded-breakpoint geven
indien foutopsporing wordt uitgevoerd door een foutopsporingsprogramma.

 

CACLS   (Version 6.1.7600.16385)

 Opmerking: Cacls is verouderd. Gebruik Icacls.

ACL's (toegangsbeheerlijsten) van bestanden weergeven of bewerken

 CACLS best.naam [/T] [/M] [/L] [/S[:SDDL]] [/E] [/C] [/G gebr.:machtiging]
        [/R gebr. [...]] [/P gebr.:machtiging [...]] [/D gebr. [...]]
    best.naam     ACL's weergeven
    /T            ACL's wijzigen van opgegeven bestanden in de huidige map
                  en alle submappen
    /L            Op symbolische koppeling uitvoeren, i.p.v op doel
    /M            ACL's van volumes, gekoppeld aan een map, wijzigen
    /S            SDDL-tekenreeks voor de DACL weergeven
    /S:SDDL       ACL's vervangen door ACL's in SDDL-tekenreeks (niet geldig
                  met /E, /G, /R, /P of /D)
    /E            ACL bewerken in plaats van vervangen
    /C            Doorgaan bij toegang geweigerd
    /G gebr:machtiging  Opgegeven gebruiker toegangsrechten verlenen
                  Machtiging kan zijn: R  Lezen, W  Schrijven, C  Wijzigen
                  (schrijven), F  Volledig beheer
    /R gebruiker  Toegangsrechten van opgegeven gebruiker intrekken.
                  [alleen geldig met /E]
    /P gebr:machtiging  Toegangsrechten van opgegeven gebruiker vervangen
                  Machtiging kan zijn: N  Geen, R  Lezen, W  Schrijven,
                  C  Wijzigen (schrijven), F  Volledig beheer
    /D gebruiker  Opgegeven gebruiker toegang weigeren
U kunt jokertekens gebruiken om meerdere bestanden op te geven in een
opdracht. U kunt meerdere gebruikers opgeven in een opdracht.

Afkortingen:
   CI - Container Inherit
        De ACE wordt door mappen overgenomen
   OI - Object Inherit
        De ACE wordt door bestanden overgenomen
   IO - Inherit Only
        De ACE is niet van toepassing op het huidige bestand of de huidige map
   ID - Inherited
        De ACE is van de ACL van de bovenliggende map overgenomen.

 

CALL   (internal command)

Een batchprogramma aanroepen vanuit een ander batchprogramma.

CALL [station:][pad]bestandsnaam [batchparameters]

  batchparameters  Bepaalt eventuele opdrachtregelinformatie die voor
                   het uitvoeren van het batchprogramma vereist is.

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert CALL als volgt:

De opdracht CALL accepteert nu namen als het doel van CALL. De
syntaxis is:

    CALL :naam argumenten

Een nieuwe batchbestandscontext wordt gemaakt met de opgegeven argumenten
en besturing wordt overgegeven aan de opdracht na de opgegeven naam. U moet
twee keer 'afsluiten' door in twee keer het einde van het batchscriptbestand
te bereiken. Als u voor het eerst het einde bereikt, wordt de besturing
geretourneerd naar een punt vlak na de CALL-opdracht. De tweede keer wordt
het batchscript afgesloten. Typ GOTO /? voor een beschrijving van de
GOTO :EOF-extensie waarmee u kunt 'terugkeren' uit een batchscript.

Daarnaast is uitbreiding van argumentverwijzingen in een batchscript(%0,
%1, etc.) als volgt gewijzigd:


    %* in een batchscript verwijst naar alle argumenten (b.v. %1 %2 %3
        %4 %5 ...)

    Vervanging van batchparameters (%n) is verbeterd. U kunt nu de volgende
    extra syntaxis gebruiken:

    %~1         - breidt %1 uit waarbij aanhalingstekens (") worden 
                   verwijderd
    %~f1        - breidt %1 uit naar een fully-qualified-padnaam
    %~d1        - breidt %1 alleen uit naar een stationsletter
    %~p1        - breidt %1 alleen uit naar een pad
    %~n1        - breidt %1 alleen uit naar een bestandsnaam
    %~x1        - breidt %1 alleen uit naar een bestandsextensie
    %~s1        - uitgebreid pad bevat alleen korte namen
    %~a1        - breidt %1 uit naar bestandskenmerken van bestand
    %~t1        - breidt %1 uit naar datum/tijd van bestand
    %~z1        - breidt %1 uit naar grootte van bestand
    %~$PATH:1   - doorzoekt de mappen in omgevingsvariabele PATH en breidt
                   %1 uit naar de fully-qualified-naam van het eerste
                   gevonden bestand. Als de naam van de omgevingsvariabele
                   niet is opgegeven of als het bestand niet wordt gevonden,
                   wordt deze wijzigingstoets uitgebreid naar de lege
                   tekenreeks.

    De wijzigingstoetsen kunnen worden gecombineerd om samengestelde
    resultaten te krijgen:

    %~dp1       - breidt %1 alleen uit naar een stationsletter en pad
    %~nx1       - breidt %1 alleen uit naar een bestandsnaam en extensie
    %~dp$PATH:1 - doorzoekt de mappen in omgevingsvariabele PATH naar %1
                   en breidt uit naar de stationsletter en het pad van het
                   eerste gevonden bestand
    %~ftza1     - breidt %1 uit naar een op DIR lijkende uitvoerregel

    In bovenstaande voorbeelden kunnen %1 en PATH worden vervangen door 
    andere geldige waarden. De syntaxis %~ wordt afgesloten door een 
    geldig argumentnummer. De wijzigingstoetsen %~ mogen niet samen worden
    gebruikt met %*.

 

CD   (internal command)

De naam van de actieve map weergeven of de actieve map wijzigen.

CHDIR [/D] [station:][pad]
CHDIR [..]
CD [/D] [station:][pad]
CD [..]

  ..   Geeft aan dat u naar de bovenliggende map wilt gaan.

Typ CD <stationsletter> (bijv. CD E:) om de actieve map in het opgegeven
station weer te geven. Als u CD zonder parameters typt, worden het actieve
station en de actieve map weergegeven.

Gebruik de schakeloptie /D als u zowel het actieve station als de actieve
map voor een station wilt wijzigen.

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert CHDIR als volgt:

De actieve maptekenreeks wordt aangepast (qua hoofd-/kleine lettergebruik)
aan de namen op de schijf. Dus CD C:\TEMP stelt de
actieve map in op C:\Temp als dat ook het geval is op schijf.

De opdracht CHDIR ziet spaties niet als scheidingstekens, zodat het
mogelijk is om CD te gebruiken naar een submapnaam die een spatie
bevat, zonder de naam te omgeven met aanhalingstekens. Bijvoorbeeld:

    cd \winnt\profiles\username\programs\start menu

is hetzelfde als:

    cd "\winnt\profiles\username\programs\start menu"

Dit is wat u moet typen als de extensies zijn uitgeschakeld.

 

CDBURN   (Version 5.2.3790.0)

Usage:
	cdburn <drive> -erase [image [options]]
	cdburn <drive> image [options]
Options:
	-erase            Erases the disk before burning (valid for R/W only)
	-sao              Writes the image out in "session at once", or cue
	                  sheet, mode (default is "track at once")
	-speed            Speed of burn, or 'max' for maximum speed
	-imagehaspostgap  Use if your image already contains a 150 sector postgap
	The [image] must be provided unless the -erase flag is set.
	If both an image and -erase are provided, the media will be
	erased prior to burning the image to the disc.

 

CERTREQ   (Version 6.1.7600.16385)

Syntaxis:
  CertReq -?
  CertReq [-v] -?
  CertReq [-Command] -?

  CertReq [-Submit] [Options] [RequestFileIn [CertFileOut [CertChainFileOut
  [FullResponseFileOut]]]]
    Een aanvraag naar een certificeringsinstantie verzenden.

  Opties:
    -attrib Kenmerkenreeks
    -binary
    -PolicyServer Beleidsserver
    -config Configuratiereeks
    -Anonymous
    -Kerberos
    -ClientCertificate Clientcertificaat-id
    -UserName Gebruikersnaam
    -p Wachtwoord
    -crl
    -rpc
    -AdminForceMachine
    -RenewOnBehalfOf

  CertReq -Retrieve [Options] RequestId [CertFileOut [CertChainFileOut 
  [FullResponseFileOut]]]
    Een antwoord op een aanvraag van een certificeringsinstantie ophalen.

  Opties:
    -binary
    -PolicyServer Beleidsserver
    -config Configuratiereeks
    -Anonymous
    -Kerberos
    -ClientCertificate Clientcertificaat-id
    -UserName Gebruikersnaam
    -p Wachtwoord
    -crl
    -rpc
    -AdminForceMachine

  CertReq -New [Options] [PolicyFileIn [RequestFileOut]]
    Een nieuwe aanvraag volgens PolicyFileIn maken

  Opties:
    -attrib Kenmerkenreeks
    -binary
    -cert Certificaat-id
    -PolicyServer Beleidsserver
    -config Configuratiereeks
    -Anonymous
    -Kerberos
    -ClientCertificate Clientcertificaat-id 
    -UserName Gebruikersnaam
    -p Wachtwoord
    -user
    -machine
    -xchg Uitwisselingcertificaatbestand

  CertReq -Accept [Opties] [CertChainFileIn | FullResponseFileIn | CertFileIn]
    Een antwoord op een vorige nieuwe aanvraag accepteren en installeren.

  Opties:
    -user 
    -machine

  CertReq -Policy [Options] [RequestFileIn [PolicyFileIn [RequestFileOut 
  [PKCS10FileOut]]]]
    Een kruiscertificaat of aanvraag voor gekwalificeerde ondergeschiktheid
    maken op basis van een bestaand CA-certificaat of een bestaande aanvraag.

  Opties:
    -attrib Kenmerkenreeks
    -binary
    -cert Certificaat-id
    -PolicyServer Beleidsserver
    -Anonymous
    -Kerberos
    -ClientCertificate Clientcertificaat-id 
    -UserName Gebruikersnaam
    -p Wachtwoord
    -noEKU
    -AlternateSignatureAlgorithm
    -HashAlgorithm Hash-algoritme

  CertReq -Sign [Options] [RequestFileIn [RequestFileOut]]
    Een certificaataanvraag ondertekenen met een inschrijvingsagent of een
    handtekeningcertificaat voor gekwalificeerde ondergeschiktheid.

  Opties:
    -binary
    -cert Certificaat-id
    -PolicyServer Beleidsserver
    -Anonymous
    -Kerberos
    -ClientCertificate Clientcertificaat-id 
    -UserName Gebruikersnaam
    -p Wachtwoord
    -crl
    -noEKU
    -HashAlgorithm Hash-algoritme

  Certificaataanvraag -Enroll [opties] NaamSjabloon
  Certificaataanvraag -Enroll -cert Certificaat-id [opties] [Renew] [ReuseKeys]
    Inschrijven voor een nieuw certificaat of een certificaat vernieuwen.

  Opties:
    -PolicyServer Beleidsserver
    -user 
    -machine

 

CERTUTIL   (Version 6.1.7601.18151)

Werkwoorden:
  -dump             -- Configuratiegegevens of bestanden dumpen
  -asn              -- ASN.1-bestand parseren

  -decodehex        -- Hexadecimaal gecodeerd bestand decoderen
  -decode           -- Base64-gecodeerd bestand decoderen
  -encode           -- Bestand coderen naar Base64

  -deny             -- Aanvraag met status In behandeling weigeren
  -resubmit         -- Aanvraag met status In behandeling opnieuw indienen
  -setattributes    -- Kenmerken instellen voor aanvraag met status In behandeling
  -setextension     -- Uitbreiding instellen voor in behandeling zijnde aanvraag
  -revoke           -- Certificaat intrekken
  -isvalid          -- Huidige certificaattoestand weergeven

  -getconfig        -- Standaard configuratietekenreeks ophalen
  -ping             -- Active Directory Certificate Services-aanvraaginterface met de opdracht Ping aanroepen
  -pingadmin        -- Beheerinterface voor het met de opdracht Ping aanroepen van de Active Directory Certificate Services
  -CAInfo           -- CA-informatie weergeven
  -ca.cert          -- Het CA-certificaat ophalen
  -ca.chain         -- De CA-certificaatketen ophalen
  -GetCRL           -- CRL opvragen
  -CRL              -- Nieuwe lijsten met wijzigingen in ingetrokken certificaten uitgeven 
(of alleen delta-CRL's)
  -shutdown         -- Active Directory Certificate Services afsluiten

  -installCert      -- CA-certificaat installeren
  -renewCert        -- CA-certificaat vernieuwen

  -schema           -- Certificaatschema dumpen
  -view             -- Certificaatweergave dumpen
  -db               -- Onbewerkte database dumpen
  -deleterow        -- Rij van de serverdatabase verwijderen

  -backup           -- Back-up van Active Directory Certificate Services maken
  -backupDB         -- Back-up maken van de database met Active Directory Certificate Services
  -backupKey        -- Back-up maken van het Active Directory Certificate Services-certificaat en de persoonlijke sleutel
  -restore          -- Active Directory Certificate Services terugzetten
  -restoreDB        -- Database met de Active Directory Certificate Services terugzetten
  -restoreKey       -- Active Directory Certificate Services-certificaat en de persoonlijke sleutel terugzetten
  -importPFX        -- Certificaat en persoonlijke sleutel importeren
  -dynamicfilelist  -- Lijst met dynamische bestanden weergeven
  -databaselocations -- Databaselocaties weergeven
  -hashfile         -- Versleutelingshash van een bestand genereren en weergeven

  -store            -- Certificaatopslag dumpen
  -addstore         -- Certificaat toevoegen aan archief
  -delstore         -- Certificaat verwijderen uit het archief
  -verifystore      -- Certificaat in archief controleren
  -repairstore      -- Koppeling aan reparatiesleutel of het bijwerken van certificaateigenschappen of security descriptor van sleutel
  -viewstore        -- Certificaatopslag dumpen
  -viewdelstore     -- Certificaat verwijderen uit het archief

  -dsPublish        -- Het certificaat of de CRL uitgeven in Active Directory Domain Services

  -ADTemplate       -- AD-sjablonen weergeven
  -Template         -- Sjablonen voor inschrijvingsbeleid weergeven
  -TemplateCAs      -- CA's voor sjabloon weergeven
  -CATemplates      -- Sjablonen voor CA weergeven
  -enrollmentServerURL -- Inschrijvingsserver-URL's weergeven, toevoegen of verwijderen die zijn gekoppeld aan een CA
  -ADCA             -- CA's van AD weergeven
  -CA               -- CA's voor inschrijvingsbeleid weergeven
  -Policy           -- Inschrijvingsbeleid weergeven
  -PolicyCache      -- Cachevermeldingen voor het inschrijvingsbeleid weergeven of verwijderen
  -CredStore        -- Vermeldingen in referentiearchief weergeven, toevoegen of verwijderen
  -InstallDefaultTemplates -- Standaardcertificaatsjablonen installeren
  -URLCache         -- De URL-cachevermeldingen weergeven of verwijderen
  -pulse            -- Automatische-inschrijvingsgebeurtenissen pulsen
  -MachineInfo      -- Gegevens van Active Directory Domain Services-computerobject weergeven
  -DCInfo           -- Gegevens van domeincontroller weergeven
  -EntInfo          -- Gegevens van onderneming weergeven
  -TCAInfo          -- CA-informatie weergeven
  -SCInfo           -- Gegevens van smartcard weergeven

  -SCRoots          -- Basiscertificaten van smartcard beheren

  -verifykeys       -- Openbaar/persoonlijk sleutelpaar controleren
  -verify           -- Certificaat, CRL of keten controleren
  -syncWithWU       -- Synchroniseren met Windows Update
  -generateSSTFromWU -- SST genereren van Windows Update
  -sign             -- CRL of certificaat opnieuw van een handtekening voorzien

  -vroot            -- Virtuele webroot en bestandsshares maken/verwijderen
  -vocsproot        -- Virtuele webbasismappen voor OCSP-webproxy maken/verwijderen
  -addEnrollmentServer -- Een inschrijvingsservertoepassing toevoegen
  -deleteEnrollmentServer -- Een inschrijvingsservertoepassing verwijderen
  -oid              -- ObjectId weergeven of weergavenaam instellen
  -error            -- Tekst van foutcode weergeven
  -getreg           -- Registerwaarde weergeven
  -setreg           -- Registerwaarde instellen
  -delreg           -- Registerwaarde verwijderen

  -ImportKMS        -- Gebruikerssleutels en certificaten in serverdatabase importeren voor 
sleutelarchivering
  -ImportCert       -- Een certificaatbestand in de database importeren
  -GetKey           -- Blob voor herstel van gearchiveerde persoonlijke sleutel ophalen
  -RecoverKey       -- Gearchiveerde persoonlijke sleutel ophalen
  -MergePFX         -- PFX-bestanden samenvoegen
  -ConvertEPF       -- PFX-bestanden converteren naar EPF-bestand
  -?                -- Bericht van gebruik weergeven


CertUtil -?              -- Een woordenlijst (opdrachtlijst) weergeven
CertUtil -dump -?        -- De Helptekst weergeven voor het woord dump
CertUtil -v -?           -- De volledige Helptekst weergeven voor alle woorden

CertUtil: - de opdracht ? is voltooid.

 

CHCP   (internal command)

Het nummer van de actieve codetabel weergeven of dit instellen.

CHCP [nnn]

  nnn   Het nummer van de codetabel.

Om het nummer van de huidige codetabel te zien, typt u CHCP zonder parameter.

 

CHDIR   (internal command)

De naam van de actieve map weergeven of de actieve map wijzigen.

CHDIR [/D] [station:][pad]
CHDIR [..]
CD [/D] [station:][pad]
CD [..]

  ..   Geeft aan dat u naar de bovenliggende map wilt gaan.

Typ CD <stationsletter> (bijv. CD E:) om de actieve map in het opgegeven
station weer te geven. Als u CD zonder parameters typt, worden het actieve
station en de actieve map weergegeven.

Gebruik de schakeloptie /D als u zowel het actieve station als de actieve
map voor een station wilt wijzigen.

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert CHDIR als volgt:

De actieve maptekenreeks wordt aangepast (qua hoofd-/kleine lettergebruik)
aan de namen op de schijf. Dus CD C:\TEMP stelt de
actieve map in op C:\Temp als dat ook het geval is op schijf.

De opdracht CHDIR ziet spaties niet als scheidingstekens, zodat het
mogelijk is om CD te gebruiken naar een submapnaam die een spatie
bevat, zonder de naam te omgeven met aanhalingstekens. Bijvoorbeeld:

    cd \winnt\profiles\username\programs\start menu

is hetzelfde als:

    cd "\winnt\profiles\username\programs\start menu"

Dit is wat u moet typen als de extensies zijn uitgeschakeld.

 

CHKDSK   (Version 6.1.7600.16385)

Een schijf controleren en vervolgens een statusrapport weergeven.


CHKDSK [volume[[pad]best.naam]]] [/F] [/V] [/R] [/X] [/I] [/C] [/L[:grootte]]
                                 [/B]


  volume          Het koppelpunt, de volumenaam of stationsletter (gevolgd
                  door een dubbele punt).
  bestandsnaam    Alleen voor FAT/FAT32: bepaalt welke bestanden op
                  fragmentatie moeten worden gecontroleerd.
  /F              Herstelt fouten op de schijf.
  /V              Op FAT/FAT32: geeft het volledige pad en de naam van elk
                  bestand op de schijf weer.
                  Op NTFS: geeft opruimberichten weer, indien aanwezig.
  /R              Vindt beschadigde sectoren en herstelt leesbare gegevens
                  (hiervoor is /F nodig)
  /L:grootte      Alleen NTFS: wijzigt de grootte van het logboekbestand naar
                  de opgegeven hoeveelheid kB. Als grootte niet is opgegeven,
                  wordt de huidige grootte weergegeven.
  /X              Forceert het eerst ontkoppelen van het volume, indien nodig.
                  Alle geopende ingangen naar het volume worden dan ongeldig
                  (hiervoor is /F nodig)
  /I              Alleen NTFS: voert een minder uitgebreide controle van
                  indexvermeldingen uit
  /C              Alleen NTFS: slaat het controleren van cycli binnen de
                  mapstructuur over
  /B              Alleen NFTS: evalueert de beschadigde cluster op het volume
                  opnieuw (hiervoor is /R nodig)

De schakelopties /I of /C verminderen de hoeveelheid tijd die is benodigd voor
het uitvoeren van Chkdsk door bepaalde controles van het volume over te slaan.

 

CHKNTFS   (Version 6.1.7600.16385)

Tijdens het opstarten de schijfcontrole weergeven of deze aanpassen.

CHKNTFS volume [...]
CHKNTFS /D
CHKNTFS /T[:tijd:]
CHKNTFS /X volume [...]
CHKNTFS /C volume [...]

  volume    Bepaalt het koppelpunt, de volumenaam of stationsletters
            (gevolgd door een dubbele punt) van een station.
  /D        Zet de computer terug op het standaardgedrag. Alle stations
            worden bij het opstarten gecontroleerd en chkdsk wordt
            uitgevoerd op beschadigde stations.
  /T:tijd   Wijzigt de aftellingstijd voor AUTOCHK-start in de opgegeven
            hoeveelheid tijd (in seconden). Als geen tijd wordt opgegeven,
            wordt de huidige instelling weergegeven.
  /X        Sluit een station uit van de standaardcontrole bij het 
            opstarten. Uitgesloten stations worden niet bijeengevoegd 
            tussen aanroepen van de opdracht.
  /C        Controleert een station tijdens het opstarten. Chkdsk wordt
            uitgevoerd als het station is beschadigd.

Als er geen schakelopties worden opgegeven, zal CHKNTFS weergeven of het
opgegeven station is beschadigd of dat gepland is dat het station de volgende
keer dat het wordt opgestart wordt gecontroleerd.

 

CHOICE

CHOICE [/C keuzes] [/N] [/CS] [/T time out /D keuze] [/M tekst]

Beschrijving:
    Met dit hulpprogramma kunnen gebruikers een item in
    een lijst selecteren en wordt de index van de keuze geretourneerd.

Parameterlijst:
   /C    choices       De lijst met keuzes die dient te worden gemaakt.
                       Standaardlijst is 'JN'.

   /N                  Hiermee wordt de lijst in de prompt verborgen.
                       Het bericht voor de prompt wordt
                       weergegeven en de keuzes zijn ingeschakeld.

   /CS                 Hiermee kunnen hoofdlettergevoelige keuzes worden
                       geselecteerd . Standaard is niet-hoofdlettergevoelig.

   /T    time-out      Aantal seconden voor pauze voordat een standaard
                       keuze wordt gemaakt. Waarden van 0 tot 9999 zijn
                       geldig. Als 0 wordt opgegeven, is er geen pauze.
                       De standaardkeuze wordt geselecteerd.

   /D    keuze         De standaardkeuze na nnnn seconden.
                       Het teken dient in de verzameling keuzes te zijn
                       opgenomen
                       in de optie /C en nnnn dient ook met /T te zijn
                       opgegeven.

   /M    tekst         Het bericht dat wordt weergegeven voordat
                       de prompt wordt weergegeven. Als niet opgegeven
                       wordt alleen een prompt weergegeven.

   /?                  Hiermee wordt dit helpbericht weergegeven.

   Opmerking:
   De omgevingsvariabele ERRORLEVEL wordt ingesteld op de index
   van de sleutel die is geselecteerd. De eerste keuze retourneert
   een waarde 1, de tweede een waarde 2, enzovoort.
   Als de gebruiker op een toets drukt die geen geldige waarde is,
   wordt een pieptoon weergegeven. Als een fout wordt vastgesteld,
   wordt een waarde ERRORLEVEL van 255 geretourneerd. Als de
   gebruiker op Ctrl+Break of Ctrl+C drukt, wordt een waarde
   voor ERRORLEVEL van 0 geretourneerd. Als u ERRORLEVEL-parameters 
   in een batchprogramma gebruikt, dienen deze in afnemende grootte te
   worden opgenomen.

Voorbeelden:
   CHOICE /?
   CHOICE /C JNA /M "Druk op J voor Ja, N voor Nee of A als u wilt Annuleren."
   CHOICE /T 10 /C ync /CS /D y 
   CHOICE /C ab /M "Kies a voor optie 1 en b voor optie 2."
   CHOICE /C ab /N /M "Kies a voor optie 1 en b voor optie 2."

 

CIPHER   (Version 6.1.7600.16385)

Hiermee kan de versleuteling van mappen (of bestanden) op NTFS-partities
worden weergegeven en gewijzigd.

  CIPHER [/E | /D | /C]
         [/S:map] [/B] [/H] [padnaam [...]]

  CIPHER /K [/ECC:256|384|521]

  CIPHER /R:bestandsnaam [/SMARTCARD] [/ECC:256|384|521]

  CIPHER /U [/N]

  CIPHER /W:map

  CIPHER /X[:efsbestand] [bestandsnaam]

  CIPHER /Y

  CIPHER /ADDUSER [/CERTHASH:hash | /CERTFILE:bestandsnaam |
         /USER:gebruikersnaam]
         [/S:map] [/B] [/H] [padnaam [...]]

  CIPHER /FLUSHCACHE [/SERVER:servernaam]
 
  CIPHER /REMOVEUSER /CERTHASH:hash
         [/S:map] [/B] [/H] [padnaam [...]]

  CIPHER /REKEY [padnaam [...]]

    /B        Afsluiten als een fout optreedt. Standaard gaat CIPHER door
              zelfs als fouten optreden.
    /C        Hiermee wordt informatie over het versleutelde bestand
              weergegeven.
    /D        Hiermee worden de opgegeven bestanden of mappen ontsleuteld.
    /E        Hiermee worden de opgegeven bestanden of mappen versleuteld.
              De mappen worden gemarkeerd zodat achteraf toegevoegde
              bestanden worden versleuteld. Het versleutelde bestand kan
              de versleuteling kwijtraken als het wordt gewijzigd en de
              bovenliggende map is niet versleuteld. Aanbevolen wordt om het
              bestand en de bovenliggende map te versleutelen.
    /H        Hiermee worden bestanden met het kenmerk Verborgen of Systeem
              weergegeven. Deze bestanden worden normaal niet weergegeven.
    /K        Hiermee wordt een nieuw certificaat en nieuwe sleutel gemaakt
              voor gebruik bij EFS. Als deze optie wordt geselecteerd, worden
              alle andere opties genegeerd.

              Opmerking: Standaard worden met /K een certificaat en sleutel
                    gemaakt die voldoen aan het huidige groepsbeleid. Als ECC
                    wordt opgegeven, wordt een zelfondertekend certificaat
                    gemaakt met de opgegeven sleutelgrootte.

    /N        Deze optie werkt alleen met /U. Hiermee wordt voorkomen dat
              sleutels worden bijgewerkt. Deze optie wordt gebruikt om alle
              versleutelde bestanden op lokale stations te vinden.
    /R        Hiermee worden een sleutel en een certificaat voor EFS-herstel
              gegenereerd en naar een PFX-bestand (met het
              certificaat en de persoonlijke sleutel) en een CER-
              bestand (met alleen het certificaat) geschreven. Een
              administrator kan de inhoud van het CER-bestand aan het
              EFS-herstelbeleid toevoegen om de herstelsleutel voor gebruikers
              te maken en het PFX-bestand te importeren om individuele
              bestanden te herstellen. Als SMARTCARD wordt opgegeven, worden
              de herstelsleutel en het certificaat op een smartcard
              opgeslagen. Een CER-bestand wordt gegenereerd (dat alleen het
              certificaat bevat). Er wordt geen PFX-bestand gegenereerd.

              Opmerking: Standaard worden met /R een 2048-bits sleutel en een
                    certificaat voor RSA-herstel gemaakt. Als ECC wordt
                    opgegeven, moet dit worden gevolgd door een sleutelgrootte
                    van 256, 384 of 521.

    /S        Hiermee wordt de opgegeven bewerking uitgevoerd op de opgegeven
              map en alle bestanden en submappen in deze map.
    /U        Hiermee worden alle versleutelde bestanden op lokale stations
              gemarkeerd. De bestandsversleutelingssleutel van de gebruiker
              of de herstelsleutels worden bijgewerkt naar de huidige
              versie als deze worden gewijzigd. Deze optie werkt niet
              samen met andere opties, behalve met /N.
    /W        Hiermee worden gegevens in ongebruikte beschikbare schijfruimte
              op het volledige volume verwijderd. Als deze optie wordt
              gebruikt, worden alle andere opties genegeerd. De opgegeven map
              kan zich overal op een lokaal volume bevinden. Als het een
              koppelpunt is of verwijst naar een map op een ander volume,
              dan worden de gegevens op het volume verwijderd.
    /X        Hiermee wordt een back-up van het EFS-certificaat en de
              sleutels gemaakt in bestand 'bestandsnaam'. Als efsfile
              wordt opgegeven, wordt een back-up gemaakt van het certificaat
              of de certificaten van de huidige gebruiker die zijn gebruikt
              om het bestand te versleutelen. In andere gevallen wordt een
              back-up gemaakt van het huidige EFS-certificaat en sleutels van
              de gebruiker.
    /Y        Hiermee wordt de huidige EFS-certificaatduimafdruk op de lokale
              computer weergegeven.
    /ADDUSER  Hiermee wordt een gebruiker aan de opgegeven versleutelde
              bestanden toegevoegd. Als CERTHASH wordt opgegeven, zoekt Cipher
              naar een certificaat met deze SHA1-hash. Als CERTFILE wordt
              opgegeven, zal Cipher het certificaat uit het bestand ophalen.
              Als USER wordt opgegeven, wordt in Active Directory Domain
              Services gezocht naar het certificaat van de gebruiker.
    /FLUSHCACHE
              Hiermee wordt de cache voor EFS-sleutels van de gebruiker die de
              oproep doet, leeggemaakt op de opgegeven server. Als geen
              servernaam wordt opgegeven, wordt de sleutelcache van de
              gebruiker op de lokale computer leeggemaakt.
    /REKEY    Hiermee worden de opgegeven versleutelde bestanden zodanig
              bijgewerkt dat de huidige geconfigureerde EFS-sleutel wordt
              gebruikt.
    /REMOVEUSER     Hiermee wordt een gebruiker uit de opgegeven bestanden
                    verwijderd. CERTHASH moet de SHA1-has van het certificaat
                    zijn om te kunnen worden verwijderd.

    map          Pad naar map
    bestandsnaam Bestandsnaam zonder extensies
    padnaam      Een patroon, bestand of map
    efsbestand   Pad naar versleuteld bestand

    Zonder parameters geeft CIPHER de versleutelingsstatus van de huidige map
    en de bestanden erin weer. U kunt meerdere mapnamen en jokertekens
    gebruiken. Gebruik spaties tussen parameters.

 

CLIP   (Version 6.1.7600.16385)

CLIP

Beschrijving:
    Leidt uitvoer van een opdracht op de opdrachtregel om naar het
    klembord van Windows.
    Deze uitvoer kan vervolgens in andere programma's worden geplakt.

Parameterlijst:
    /?                  Dit helpbericht weergeven

Voorbeelden:
    DIR | CLIP          Plaatst een kopie van de huidige map-
                        lijst in het klembord van Windows.

    CLIP < LEESMIJ.TXT  Plaatst een kopie van de tekst in
                        leesmij.txt op het klembord van Windows.

 

CLS   (internal command)

Het scherm wissen.

CLS

 

CMD   (Version 6.1.7601.17514)

Een nieuw exemplaar van de Windows-opdrachtinterpreter starten

CMD [/A | /U] [/Q] [/D] [/E:ON | /E:OFF] [/F:ON | /F:OFF] [/V:ON | /V:OFF]
    [[/S] [/C | /K] tekenreeks]

/C      Voert de opdracht uit die is opgegeven met tekenreeks en stopt dan
/K      Voert de opdracht uit die is opgegeven met tekenreeks en blijft 
        actief
/S      Wijzigt de verwerking van tekenreeks na /C of /K (zie hieronder)
/Q      Schakelt echo uit
/D      Uitvoering van AutoRun-opdrachten uit register uitschakelen 
        (zie hieronder)
/A      Maakt de uitvoer van interne opdrachten in een pipe of bestand ANSI
/U      Maakt de uitvoer van interne opdrachten in een pipe of bestand
        Unicode
/T:fg   Stelt voorgrond-/achtergrondkleuren in (typ COLOR /? voor meer info)
/E:ON   Schakelt opdrachtextensies in (zie hieronder)
/E:OFF  Schakelt opdrachtextensies uit (zie hieronder)
/F:ON   Schakelt tekenvoltooiing van bestands- en mapnamen in
        (zie hieronder)
/F:OFF  Schakelt tekenvoltooiing van bestands- en mapnamen uit
        (zie hieronder)
/V:ON   Schakelt vertraagde uitbreiding van omgevingsvariabele in met ! als
        scheidingsteken. Bijvoorbeeld: /V:ON staat !var! toe de variabele
        var uit te breiding tijdens uitvoering. De syntaxis var breidt
        variabelen uit tijdens de invoer, wat heel anders is binnen een
        FOR-lus.
/V:OFF  Schakelt vertraagde uitbreiding van omgevingsvariabele uit.

Opmerking: meerdere opdrachten die worden gescheiden door opdracht-
           scheidingsteken '&&' worden als tekenreeks geaccepteerd als 
           ze worden omgeven door aanhalingstekens. Voor 
           compatibiliteitsredenen is /X hetzelfde als /E:ON, /Y is 
           hetzelfde als /E:OFF en /R is hetzelfde als /C. Alle andere
           schakelopties worden genegeerd.

Als /C of /K is opgegeven wordt de rest van de opdrachtregel na de 
schakeloptie verwerkt als een opdrachtregel, waarbij op de volgende manier
dubbele aanhalingstekens worden verwerkt:

    1.	Als wordt voldaan aan alle volgende condities, worden
            aanhalingstekens op de opdrachtregel bewaard:

	- geen schakeloptie /S
	- precies twee aanhalingstekens
	- geen speciale tekens tussen de twee aanhalingstekens (speciaal is
	  (&<>()@ˆ| )
	- één of meer spaties tussen de twee aanhalingstekens
	- de tekenreeks tussen de twee aanhalingstekens is de naam van
	  een uitvoerbaar bestand.

     2.	Anders wordt gekeken of het eerste teken een aanhalingsteken is
            en als dat zo is, wordt het eerste teken en het laatste
            aanhalingsteken verwijderd van de opdrachtregel, waardoor alle
            tekst na het laatste aanhalingsteken wordt bewaard.

Als /D NIET is opgegeven op de opdrachtregel wordt tijdens het starten van
CMD.EXE gezocht naar de volgende REG_SZ/REG_EXPAND_SZ-registervariabelen en
als een of beide aanwezig zijn, worden deze eerst uitgevoerd.

    HKEY_LOCAL_MACHINE\Software\Microsoft\Command Processor\AutoRun

        en/of

    HKEY_CURRENT_USER\Software\Microsoft\Command Processor\AutoRun

Opdrachtextensies zijn standaard ingeschakeld. U kunt extensies ook
uitschakelen voor een speciale aanroep door gebruik te maken van de
schakeloptie /E:OFF. U kunt extensies in- of uitschakelen voor alle
aanroepen van CMD.EXE op een computer en/of gebruikersaanmeldingssessie
door het instellen van een of beide van de volgende REG_DWORD-waarden
in het register op 0x1 of 0x0 met behulp van REGEDT.EXE:

    HKEY_LOCAL_MACHINE\Software\Microsoft\Command Processor\EnableExtensions

        en/of

    HKEY_CURRENT_USER\Software\Microsoft\Command Processor\EnableExtensions

De gebruikersspecifieke instelling gaat boven de instelling van de computer.
De opdrachtregelparameters gaan boven de registerinstellingen.

In een batchbestand heeft het argument SETLOCAL ENABLEEXTENSIONS of
DISABLEEXTENSIONS een hogere prioriteit dan de schakeloptie /E:ON of /E:OFF.
Zie SETLOCAL /? voor meer informatie.

De opdrachtextensies bieden wijzigingen van en/of toevoegingen aan de
volgende opdrachten:

    DEL of ERASE
    COLOR
    CD of CHDIR
    MD of MKDIR
    PROMPT
    PUSHD
    POPD
    SET
    SETLOCAL
    ENDLOCAL
    IF
    FOR
    CALL
    SHIFT
    GOTO
    START (inclusief wijzigingen aan externe aanroep van opdracht)
    ASSOC
    FTYPE

Typ opdrachtnaam /? om specifieke details van een opdracht weer te geven.

Vertraagde extensie van omgevingsvariabele is NIET standaard
ingeschakeld. U kunt deze extensie in- of uitschakelen voor een
specifieke aanroep van CMD.EXE met de schakeloptie /V:ON of /V:OFF.
U kunt vertraagde uitbreiding van alle aanroepen van CMD.EXE in- of
uitschakelen op een computer en/of gebruikersaanmeldingssessie door het
instellen van een of beide van de volgende REG_DWORD-waarden in het
register op 0x1 of 0x0 met behulp van REGEDT.EXE:

  HKEY_LOCAL_MACHINE\Software\Microsoft\Command Processor\DelayedExpansion

      en/of

  HKEY_CURRENT_USER\Software\Microsoft\Command Processor\DelayedExpansion

De gebruikersspecifieke instelling gaat boven de instelling van de computer.
De opdrachtregelparameters gaan boven de registerinstellingen.

In een batchbestand het heeft het argument SETLOCAL ENABLEEXTENSIONS of
DISABLEEXTENSIONS een hogere prioriteit dan de schakeloptie /E:ON of /E:OFF.
Zie SETLOCAL /? voor meer informaties.

Als vertraagde uitbreiding van omgevingsvariabele is ingeschakeld, kan het
uitroepteken worden gebruikt om de waarde van de omgevingsvariabele te
vervangen tijdens uitvoering.

U kunt voltooiing van bestandsnamen in- of uitschakelen voor een specifieke
aanroep van CMD.EXE met schakeloptie /F:ON of /F:OFF. U kunt voltooiing
van alle aanroepen van CMD.EXE in- of uitschakelen op een computer en/of
gebruikersaanmeldingssessie door het instellen van een of beide van de
volgende REG_WORD-waarden in het register met behulp van REGEDT.EXE:

    HKEY_LOCAL_MACHINE\Software\Microsoft\Command Processor\CompletionChar
    HKEY_LOCAL_MACHINE\Software\Microsoft\Command Processor\PathCompletionChar

        en/of

    HKEY_CURRENT_USER\Software\Microsoft\Command Processor\CompletionChar
    HKEY_CURRENT_USER\Software\Microsoft\Command Processor\PathCompletionChar

met de hexadecimale waarde van een te gebruiken besturingsteken voor een
bepaalde functie (b.v. 0x4 is Ctrl-D en 0x6 is Ctrl-F). De gebruikersspecifieke
instellingen gaan boven de instellingen voor de computer. De opdrachtregel-
parameters gaan boven de registerinstellingen.

Als voltooiing is ingeschakeld met schakeloptie /F:ON zijn de twee gebruikte
besturingstekens Ctrl-D voor voltooiing van mapnamen en Ctrl-F voor voltooiing
van bestandsnamen. Als u een bepaald voltooiingsteken in het register wilt
uitschakelen, kunt u de waarde voor spatie (0x20) gebruiken omdat dit geen
geldig besturingsteken is.

Automatisch invullen wordt gestart als u één van de twee besturingstekens
typt. De functie voor automatisch invullen neemt de tekenreeks met het pad
aan de linkerkant van de aanwijzer, voegt er een jokerteken aan toe en maakt
een lijst met paden die overeenkomen. Vervolgens wordt het eerste
overeenkomende pad weergegeven. Als er geen paden overeenkomen wordt er een
geluid weergegeven en wordt de lijst niet aangepast. Hierna wordt bij het
indrukken van de toets met het besturingsteken door de lijst met
overeenkomende paden gebladerd. Als op de Shift-toets en de toets met het
besturingsteken wordt gedrukt wordt in de tegenovergestelde richting door de
lijst gebladerd. Als u de regel bewerkt en wijzigt en vervolgens op de toets
met het controleteken drukt, wordt de lijst met overeenkomende paden
weggegooid en wordt een nieuwe lijst gegenereerd. Hetzelfde gebeurt als u
wisselt tussen automatisch invullen van namen van mappen en bestanden. Het
enige verschil tussen de twee besturingstekens is dat het teken voor
aanvullen van bestandsnamen zowel bestandsnamen als mapnamen vindt, terwijl
het teken voor aanvullen van mapnamen alleen mapnamen vindt. Als aanvullen
van bestandsnamen wordt gebruikt voor de ingebouwde mapopdrachten (CD, MD of
RD) dan wordt aanvullen van mapnamen verondersteld.

De programmacode van automatisch aanvullen verwerkt bestandsnamen met spaties
of andere speciale tekens door deze in te sluiten door aanhalingstekens. Ook
wordt de tekst aan de rechterkant van de aanwijzer op het moment dat automatisch
aanvullen wordt aangeroepen weggegooid.

Speciale tekens waarvoor aanhalingstekens zijn vereist:
     <spatie>
     &()[]{}ˆ=;!'+,`~

 

CMDKEY   (Version 6.1.7600.16385)

Maakt, verwijdert en geeft gebruikersnamen en wachtwoorden weer.

De syntaxis van deze opdracht is:

CMDKEY [{/add | /generic}:doelnaam {/smartcard | /user:gebruikersnaam
{/pass{:wachtwoord}}} | /delete{:doelnaam | /ras} | /list{:doelnaam}]

Voorbeelden:

  Voor het weergeven van alle beschikbare referenties:
     cmdkey /list
     cmdkey /list:doelnaam

  Voor het maken van domeinreferenties:
     cmdkey /add:doelnaam /user:gebruikersnaam /pass:password
     cmdkey /add:doelnaam /user:gebruikersnaam /pass
     cmdkey /add:doelnaam /user:gebruikersnaam
     cmdkey /add:doelnaam /smartcard

  Voor het maken van algemene referenties:
     Vervang hiervoor de schakeloptie /add door /generic

  Voor het verwijderen van bestaande referenties:
     cmdkey /delete:doelnaam

  Voor het verwijderen van RAS-referenties:
     cmdkey /delete /ras

 

COLOR   (internal command)

Stelt de voorgrond- en achtergrondkleuren in voor standaardconsole.

COLOR (attr)

  attr        kenmerk voor kleur van console-uitvoer

Kleurkenmerken bestaan uit twee hexadecimale tekens -- de eerste
staat voor de achtergrond; de tweede staat voor de voorgrond. Elk teken
kan een van de volgende waarden zijn:

    0 = Zwart       8 = Donkergrijs
    1 = Blauw       9 = Pastelblauw
    2 = Groen       A = Limoengroen
    3 = Groenblauw  B = Lichtblauw
    4 = Rood        C = Lichtrood
    5 = Paars       D = Lichtpaars
    6 = Geel        E = Lichtgeel
    7 = Grijs       F = Wit

Als er geen argument opgegeven zijn, stelt deze opdracht de kleuren in
zoals deze waren toen CMD.EXE gestart werd. Deze waarde komt van de
huidige console, de schakeloptie /T of uit de registerwaarde
DefaultColor.

De opdracht COLOR stelt ERRORLEVEL in op 1 als een poging gedaan wordt
om COLOR uit te voeren met identieke kleuren als voor- en
achtergrond.

"COLOR fc" geeft bijvoorbeeld lichtrood op wit.

 

COMP   (Version 6.1.7600.16385)

De inhoud van twee bestanden of groepen bestanden vergelijken.

COMP [data1] [data2] [/D] [/A] [/L] [/N=aantal] [/C] [/OFF[LINE]]

  data1       De locatie en naam van de eerste bestand(en) die u
              wilt vergelijken.
  data2       De locatie en naam van de andere bestand(en) die u
              wilt vergelijken.
  /D          Geeft de verschillen in decimale notatie weer.
  /A          Geeft de verschillen in ASCII-tekens weer.
  /L          Geeft regelnummers weer bij de verschillen.
  /N=aantal   Vergelijkt het eerste aantal regels van beide bestanden.
  /C          Vergelijkt de bestanden zonder op hoofdletters en
              kleine letters te letten in ASCII.
  /OFF[LINE]  Slaat bestanden met ingeschakeld offlinekenmerk niet over.

Gebruik jokertekens in de parameters data1 en data2 als u groepen
bestanden wilt vergelijken.

 

COMPACT   (Version 6.1.7600.16385)

De compressie van bestanden op NTFS-partities weergeven of wijzigen.

COMPACT [/C | /U] [/S[:dir]] [/A] [/I] [/F] [/Q] [bestandsnaam [...]]

  /C        Comprimeert de opgegeven bestanden. Mappen worden gemarkeerd.
            zodat later toegevoegde bestanden gecomprimeerd worden.
  /U        Decomprimeert de opgegeven bestanden. Mappen worden gemarkeerd
            zodat later toegevoegde bestanden niet gecomprimeerd worden.
  /S        Voert de opgegeven bewerking uit op bestanden in de opgegeven
            map en alle submappen. Standaard wordt de actieve map gebruikt.
  /A        Geeft bestanden weer met een verborgen- of
            systeembestandskenmerk. Deze bestanden worden standaard
            overgeslagen.
  /I        Laat de opgegeven opdracht doorgaan, ook als er fouten
            optreden. Normaal stopt COMPACT als er een fout optreedt.
  /F        Forceert de compressiebewerking op alle opgegeven bestanden, ook
            op bestanden die al gecomprimeerd zijn. Normaal worden al
            gecomprimeerde bestanden overgeslagen.
  /Q        Geeft alleen de meest essentiële informatie weer.

  bestandsnaam   Een patroon, bestand of map.

  Indien gebruikt zonder parameters, beeldt COMPACT de compressiestatus
  van de actieve map en de bestanden daarin af. U kunt meer
  bestandsnamen en jokertekens gebruiken. U moet een spatie invoegen tussen
  verschillende parameters.

 

CONVERT   (Version 6.1.7600.16385)

Een FAT-volume naar NTFS converteren.

CONVERT volume: /FS:NTFS [/V] [/CvtArea:bestandsnaam] [/NoSecurity] [/X]


  volume        Bepaalt de stationsletter (gevolgd door een dubbele punt), het
                koppelpunt of de volumenaam.
  /FS:NTFS      Bepaalt dat het volume naar NTFS wordt geconverteerd.
  /V            Bepaalt dat Convert in de modus met uitleg wordt uitgevoerd.
  /CvtArea:bestandsnaam
                Bepaalt een aaneengesloten bestand in de hoofdmap om als
                tijdelijke plaatsaanduiding voor NFTS-systeembestanden te
                dienen.
  /NoSecurity   Bepaalt dat de veiligheidsinstellingen voor de geconverteerde
                bestanden voor iedereen toegankelijk zijn.
  /X            Bepaalt dat het volume indien nodig ontkoppeld wordt.
                Alle geopende volume-ingangen worden hierdoor ongeldig.

 

COPY   (internal command)

Eén of meer bestanden kopiëren naar een andere locatie.

COPY [/D] [/V] [/N] [/Y | /-Y] [/Z] [/L] [/A | /B] bron [/A | /B]
     [+ bron [/A | /B] [+ ...]] [doel [/A | /B]]

  bron    Geeft aan welke bestanden moeten worden gekopieerd.
  /A      Geeft aan dat het ASCII-tekstbestand betreft.
  /B      Geeft aan dat het een binair bestand betreft.
  /D      Geeft aan dat het doelbestand bij het maken wordt ontsleuteld
  doel    De map en/of de bestandsnamen voor de nieuwe bestanden.
  /V      Controleert of de nieuwe bestanden correct zijn gekopieerd.
  /N      Gebruikt korte bestandsnaam, indien beschikbaar,
          wanneer een bestand wordt gekopieerd dat geen
          8-punt-3-bestandsnaam heeft.
  /Y      Onderdrukt vragen om bevestiging bij negeren van bestaand
          doelbestand.
  /-Y     Vraagt om bevestiging bij overschrijven van bestaand doelbestand.
  /Z      Kopieert bestanden van het netwerk in modus voor opnieuw starten.
  /L      Als de bron een symbolische koppeling is, wordt de koppeling naar
          het doel gekopieerd in plaats van het eigenlijke bestand waarnaar
          de bronkoppeling verwijst.

De schakeloptie /Y kan vooraf zijn ingesteld in de omgevingsvariabele
COPYCMD. Dit kan worden opgeheven met de schakeloptie /-Y.
Standaard wordt een waarschuwingsbericht weergegeven wanneer een bestand
wordt overschreven tenzij de opdracht COPY wordt uitgevoerd vanuit een
batchscript.

Geef om bestanden bijeen te voegen één bestand op als doel en meerdere
als bron (gebruik jokertekens of de notatie bestand1+bestand2+bestand3).

 

CSCRIPT   (Version 5.8.7600.16385)

Microsoft (R) Windows Script Host versie 5.8
Copyright (C) Microsoft Corporation 1996-2001. Alle rechten voorbehouden.

Gebruik: CScript scriptnaam.extensie [optie...] [argumenten...]

Opties:
 //B         Batchmodus: onderdrukt de weergave van scriptfouten en scriptprompts
 //D         Actieve foutopsporing inschakelen
 //E:engine  Engine gebruiken voor uitvoering van script
 //H:CScript Wijzigt de standaardhost voor scriptverwerking in CScript.exe
 //H:WScript Wijzigt de standaardhost voor scriptverwerking in WScript.exe (standaard)
 //I         Interactieve modus (standaard tegenovergestelde van //B)
 //Job:xxxx  Een WSF-taak uitvoeren
 //Logo      Logo weergeven (standaard)
 //Nologo    Weergave van logo uitschakelen: gedurende de uitvoering wordt geen vaandel weergegeven
 //S         De huidige opdrachtregelopties opslaan voor deze gebruiker
 //T:nn      Time-out in seconden: maximumtijd dat een script mag worden uitgevoerd
 //X         Script uitvoeren in debugger
 //U         Unicode gebruiken voor omgeleide I/O vanaf de console

 

DATE   (internal command)

De datum weergeven of deze instellen.

DATE [/T | datum]

DATE zonder parameters geeft de huidige datum weer en vraagt u een nieuwe
datum in te voeren. Druk op ENTER om de huidige datum te behouden.

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, ondersteunt de
opdracht DATE de schakeloptie /T, waarmee de opdracht alleen
de huidige datum weergeeft, zonder te vragen om een nieuwe
datum.

 

DEBUG

Runs Debug, a program testing and editing tool.

DEBUG [[drive:][path]filename [testfile-parameters]]

  [drive:][path]filename  Specifies the file you want to test.
  testfile-parameters     Specifies command-line information required by
                          the file you want to test.

After Debug starts, type ? to display a list of debugging commands.

 

DEFRAG   (Version 6.1.7600.16385)

Microsoft Schijfdefragmentatie
Copyright (c) 2007 Microsoft Corp.

Beschrijving:

	Hiermee worden gefragmenteerde bestanden op lokale volumes
		opgezocht en geconsolideerd om de systeemprestaties te verbeteren.

Syntaxis:
	defrag <volumes> | /C | /E <volumes>    [/H] [/M | [/U] [/V]]
	defrag <volumes> | /C | /E <volumes> /A [/H] [/M | [/U] [/V]]
	defrag <volumes> | /C | /E <volumes> /X [/H] [/M | [/U] [/V]]
	defrag <volume>                      /T [/H]       [/U] [/V]

Parameters:
	Waarde	Beschrijving

	/A	Analyse uitvoeren op de opgegeven volumes.

	/C	De bewerking uitvoeren op alle volumes.

	/E	De bewerking uitvoeren op alle volumes behalve de opgegeven volumes.

	/H	De bewerking uitvoeren met normale prioriteit (standaardwaarde is laag).

	/e	De bewerking uitvoeren op elk volume,  parallel op de achtergrond.

	/T	Een bewerking volgen die al wordt uitgevoerd op het opgegeven volume.

	/U	De voortgang van de bewerking op het scherm afdrukken.

	/V	Uitgebreide uitvoer afdrukken inclusief de fragmentatiestatistieken.

	/X	Consolidatie van de beschikbare ruimte uitvoeren op de opgegeven volumes.

Voorbeelden:

	defrag C: /U /V
	defrag C: D: /M
	defrag C:\mountpoint /A /U
	defrag /C /H /V

 

DEL   (internal command)

Eén of meer bestanden verwijderen.

DEL [/P] [/F] [/S] [/Q] [/A[[:]kenmerken]] namen
ERASE [/P] [/F] [/S] [/Q] [/A[[:]kenmerken]] namen

  namen     Een lijst met één of meer bestanden of mappen. Joker-
            tekens kunnen worden gebruikt om meerdere bestanden te
            verwijderen. Als een map is opgegeven, worden alle bestanden
            in die map verwijderd.

  /P        Vraagt om bevestiging voordat een bestand wordt verwijderd.
  /F        Forceert verwijdering van alleen-lezenbestanden.
  /S        Verwijdert de opgegeven bestanden uit alle submappen.
  /Q        Stille modus: vraagt bij gebruik van jokertekens niet om
                          bevestiging.
  /A        Selecteert de te verwijderen bestanden op basis van kenmerken.
  kenmerken  R  Alleen-lezenbestanden                 S  Systeembestanden
             H  Verborgen bestanden                   A  Archiveringsbestanden
             I  Bestanden zonder geïndexeerde inhoud  L  Reparsepunten
             -  Voorvoegsel met betekenis 'niet'

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, veranderen DEL en ERASE als volgt:

De weergave van schakeloptie /S worden omgekeerd zodat alleen de bestanden
worden weergegeven die zijn verwijderd en niet de bestanden die niet zijn
gevonden.

 

DEVCON   (Version 5.2.3718.0)

Device Console Help:
DEVCON [-r] [-m:\\<machine>] <command> [<arg>...]
-r if specified will reboot machine after command is complete, if needed.
<machine> is name of target machine.
<command> is command to perform (see below).
<arg>... is one or more arguments if required by command.
For help on a specific command, type: DEVCON help <command>
classfilter          Allows modification of class filters.
classes              List all device setup classes.
disable              Disable devices that match the specific hardware or instance ID.
driverfiles          List driver files installed for devices.
drivernodes          Lists all the driver nodes of devices.
enable               Enable devices that match the specific hardware or instance ID.
find                 Find devices that match the specific hardware or instance ID.
findall              Find devices including those that are not present.
help                 Display this information.
hwids                Lists hardware ID's of devices.
install              Manually install a device.
listclass            List all devices for a setup class.
reboot               Reboot local machine.
remove               Remove devices that match the specific hardware or instance ID.
rescan               Scan for new hardware.
resources            Lists hardware resources of devices.
restart              Restart devices that match the specific hardware or instance ID.
sethwid              Modify Hardware ID's of listed root-enumerated devices.
stack                Lists expected driver stack of devices.
status               List running status of devices.
update               Manually update a device.
updateni             Manually update a device (non interactive).

 

DHCPLOC   (Version 5.1.2600.0)

USAGE:

DHCPLOC [-p] [-a:"list-of-alertnames"] [-i:alertinterval] machine-ip-address [list of valid dhcp servers ip addresses]

 

DIANTZ   (Version 6.1.7600.16385)

Cabinet Maker - Lossless Data Compression Tool

MAKECAB [/V[n]] [/D var=value ...] [/L dir] source [destination]
MAKECAB [/V[n]] [/D var=value ...] /F directive_file [...]

  source         File to compress.
  destination    File name to give compressed file.  If omitted, the
                 last character of the source file name is replaced
                 with an underscore (_) and used as the destination.
  /F directives  A file with MakeCAB directives (may be repeated). Refer to
                 Microsoft Cabinet SDK for information on directive_file.
  /D var=value   Defines variable with specified value.
  /L dir         Location to place destination (default is current directory).
  /V[n]          Verbosity level (1..3).

 

DIR   (internal command)

Een lijst weergeven met bestanden en submappen in een map

DIR [station:][pad][bestandsnaam] [/A[[:]kenmerken]] [/B] [/C] [/D] [/L] [/N]
    [/O[[:]volgorde]] [/P] [/Q] [/R] [/S] [/T[[:]tijdsveld]] [/W] [/X] [/4]

  [station:][pad][bestandsnaam]
             Station, map en/of bestanden die u wilt weergeven.
  /A         Bestanden met opgegeven kenmerken weergeven.
  kenmerken  D  Mappen                R  Alleen-lezenbestanden
             H  Verborgen bestanden   A  Archiveringsbestanden
             S  Systeembestanden      I  Bestanden zonder geïndexeerde inhoud
             L  Reparsepunten         -  Voorvoegsel met betekenis 'niet'
  /B         Kaal formaat gebruiken (geen heading-gegevens of samenvatting).
  /C         Het duizendtal-scheidingsteken weergeven in bestandsgroottes.
             Dit is de standaardinstelling. Gebruik /-C om het weergeven van
             het scheidingsteken uit te schakelen.
  /D         Zelfde als brede-lijstsortering maar bestanden worden per
             kolom gesorteerd.
  /L         Kleine letters gebruiken.
  /N         Nieuwe indeling (lange lijst) waarbij bestandsnamen rechts
             worden weergegeven.
  /O         Bestandslijst in gesorteerde volgorde.
  volgorde   N  Op naam (alfabet.)      S  Op grootte (kleinste eerst)
             E  Op extensie (alfabet.)  D  Op datum en tijd (oudste eerst)
             G  Mappen eerst groeperen  -  Voorvoegsel voor omgekeerde
                                           volgorde
  /P         Wachten na elk gegevensscherm.
  /Q         De eigenaar van het bestand weergeven.
  /R         Andere gegevensstreams van het bestand weergeven.
  /S         De bestanden in opgegeven map en alle submappen weergeven.
  /T         Het tijdsveld dat wordt weergegeven of gebruikt voor sorteren.
  tijdsveld  C  Tijdstip van maken
             A  Laatste keer dat het bestand is gebruikt
             W  Laatste keer dat naar het bestand is geschreven
  /W         Brede-lijstsortering gebruiken.
  /X         De korte namen weergeven die zijn gemaakt voor bestanden die
             geen 8.3-bestandsnaam hebben. De weergave is als bij /N,
             waarbij de korte naam voor de lange naam wordt geplaatst.
             Als er geen korte naam beschikbaar is, worden spaties
             weergegeven.
  /4         Jaartallen met vier cijfers weergeven.

Schakelopties kunnen vooraf zijn ingesteld met de omgevingsvariabele DIRCMD.
Het voorvoegsel - (streepje) onderdrukt ingestelde schakelopties
(bijv. /-W)

 

DISKCOMP   (Version 6.1.7600.16385)

De inhoud van twee diskettes vergelijken.

DISKCOMP [station1: [station2:]]

 

DISKCOPY   (Version 6.1.7600.16385)

Kopieert de inhoud van een diskette naar een andere diskette.

DISKCOPY [station1: [station2:]] [/V]

  /V   Controleert of de gegevens juist zijn gekopieerd.

De twee diskettes moeten van hetzelfde type zijn.
U mag hetzelfde station voor station1 en station2 opgeven.

 

DISKPART   (Version 6.1.7601.17514)

Microsoft DiskPart-versie 6.1.7601
Copyright (C) 1999-2008 Microsoft Corporation.
Op computer: LTROB

Syntaxis voor Microsoft DiskPart:
	diskpart [/s <script>] [/?]

	/s <script> - Een DiskPart-script gebruiken.
	/?          - Dit hulpscherm weergeven.

 

DISKPERF   (Version 6.1.7600.16385)

DISKPERF [-Y[D|V] | -N[D|V]] [\\computernaam]

  -Y  Het systeem zodanig instellen dat alle schijfprestatiemeteritems
      worden gestart wanneer het systeem opnieuw wordt gestart.

  -YD De schijfprestatiemeteritems voor fysieke schijven inschakelen
      wanneer het systeem opnieuw wordt gestart.
  -YV De schijfprestatiemeteritems voor logische stations inschakelen
      of voor opslagvolumes, wanneer het systeem opnieuw wordt gestart.
  -N  Het systeem zodanig instellen dat alle schijfprestatiemeteritems
      worden uitgeschakeld wanneer het systeem opnieuw wordt gestart.

  -ND De schijfprestatiemeteritems voor fysieke schijven uitschakelen.
  -NV De schijfprestatiemeteritems voor logische stations uitschakelen.
  \\computernaam        Dit is de naam van de computer die u wilt weergeven
                        of waarvoor u het gebruik van prestatiemeteritems wilt
                        instellen. De computer dient een Windows 2000-systeem
                        te zijn.
  Opmerking: Schijfprestatiemeteritems zijn permanent ingeschakeld 
             op systemen na Windows 2000.

 

DISKRAID   (Version 6.1.7601.17514)

Microsoft DiskRAID versie 6.1.7601
Copyright (C) 2003-2007 Microsoft Corporation.
Op computer: LTROB

Syntaxis:  DISKRAID [/? | [/s <script>] [/v]]

    Hiermee kunt u de toepassing DiskRAID starten.

    /?          Deze instructies voor gebruik van DiskRAID weergeven.

    /s <script> De opdrachten uit het DiskRAID-scriptbestand op
                de opgegeven locatie uitvoeren.

    /v          DiskRAID in de uitgebreide modus uitvoeren, waarbij extra
                informatie wordt weergegeven over elke opdracht die wordt
                uitgevoerd.

Voorbeelden:

    DISKRAID
    DISKRAID /v

 

DISM   (Version 6.1.7600.16385)

Hulpprogramma DISM (Deployment Image Servicing and Management)
Versie: 6.1.7600.16385


DISM.exe [dism_opties] {WIM_opdracht} [<WIM_argumenten>]
DISM.exe {/Image:<pad_naar_offline_installatiekopie> | /Online} [dism_opties]
         {servicing_opdracht} [<servicing_argumenten>]

BESCHRIJVING:

  DISM wordt gebruikt voor het inventariseren, installeren, verwijderen,
  configureren en bijwerken van onderdelen van en pakketten in Windows-
  installatiekopieën. De beschikbare opdrachten zijn afhankelijk van de
  kopie die wordt verwerkt en verder speelt het een rol of de
  kopie offline is of actief is.

WIM-OPDRACHTEN:

  /Get-MountedWimInfo     - Hiermee wordt informatie weergegeven over
                            gekoppelde WIM-installatiekopieën.
  /Get-WimInfo            - Hiermee wordt informatie weergegeven over
                            installatiekopieën in een WIM-bestand.
  /Commit-Wim             - Hiermee worden wijzigingen in een gekoppelde
                            WIM-installatiekopie opgeslagen.
  /Unmount-Wim            - Hiermee wordt een gekoppelde WIM-installatiekopie
                            ontkoppeld.
  /Mount-Wim              - Hiermee wordt een installatiekopie gekoppeld
                            vanuit een WIM-bestand.
  /Remount-Wim            - Hiermee wordt een zwevende WIM-koppelingsmap
                            hersteld.
  /Cleanup-Wim            - Hiermee worden bronnen verwijderd in verband met
                            gekoppelde WIM- installatiekopieën die beschadigd
                            zijn.

SPECIFICATIES VAN INSTALLATIEKOPIE:

  /Online                 - Is van toepassing op het actieve besturingssysteem.
  /Image                  - Hiermee wordt het pad opgegeven naar de hoofdmap
                            van een offline Windows-installatiekopie.

DISM-OPTIES:

  /English                - Hiermee wordt de uitvoer van de opdrachtregel in
                            het Engels weergegeven.
  /Format                 - Hiermee wordt de uitvoerindeling voor rapporten
                            opgegeven.
  /WinDir                 - Hiermee wordt het pad opgegeven naar de Windows-map.
  /SysDriveDir            - Hiermee wordt het pad opgegeven naar het bestand
                            voor het laden van het systeem met de naam BootMgr.
  /LogPath                - Hiermee wordt het pad naar het logboekbestand
                            opgegeven.
  /LogLevel               - Hiermee wordt het uitvoerniveau voor het
                            logboekbestand (1-4) opgegeven.
  /NoRestart              - Hiermee worden het automatisch opnieuw opstarten
                            en het vragen hierom uitgeschakeld.
  /Quiet                  - Hiermee wordt alle uitvoer onderdrukt, behalve
                            foutberichten.
  /ScratchDir             - Hiermee wordt het pad naar een scratchdirectory
                            opgegeven.

Geef een optie onmiddellijk vóór /? op voor meer informatie over deze DISM-
opties en de bijbehorende argumenten.

  Voorbeelden:
    DISM.exe /Mount-Wim /?
    DISM.exe /ScratchDir /?
    DISM.exe /Image:C:\test\offline /?
    DISM.exe /Online /?

 

DISPDIAG   (Version 6.1.7600.16385)

Logs display information to a file in the current directory.

Usage: dispdiag [-testacpi] [-d] [-delay <seconds>] [-out <FilePath>]
	-testacpi            runs hotkey diagnostics test
	-d                   generates a dmp file as well with additional data.
	-delay               delays the collection of data by specified time in seconds.
	-out <FilePath>      path where the dispdiag file should be saved, including filename. This must be the last parameter
Output:
	Name of the saved file.

 

DOSKEY   (Version 6.1.7600.16385)

Opdrachtregels bewerken, Windows-opdrachten terugroepen en macro's maken.

DOSKEY [/REINSTALL] [/LISTSIZE=grootte] [/MACROS[:ALL | :EXE-naam]]
  [/HISTORY] [/INSERT | /OVERSTRIKE] [/EXENAME=EXE-naam]
  [/MACROFILE=bestandsnaam] [macronaam=[tekst]]

  /REINSTALL          Installeert een nieuwe kopie van Doskey.
  /LISTSIZE=grootte   Stelt grootte in van opdrachtgeschiedenisbuffer.
  /MACROS             Geeft alle Doskey-macro's weer.
  /MACROS:ALL         Geeft alle Doskey-macro's weer voor alle uitvoerbare 
                      bestanden met Doskey-macro's.
  /MACROS:EXE-naam    Geeft alle Doskey-macro's weer voor het opgegeven
                      EXE-bestand.
  /HISTORY            Geeft alle in het geheugen opgeslagen opdrachten weer.
  /INSERT             Geeft aan dat de nieuw ingevoerde tekst in de oude
                      tekst moet worden ingevoegd.
  /OVERSTRIKE         Geeft aan dat nieuwe tekst oude tekst overschrijft.
  /EXENAME=EXE-naam   Het uitvoerbare bestand.
  /MACROFILE=bestandsnaam
                      Een te installeren bestand met macro's.
  macronaam           Een naam voor de macro die u maakt.
  tekst               Opdrachten die u wilt opnemen.

Met PIJL-OMHOOG en PIJL-OMLAAG roept u opdrachten opnieuw op; ESC wist
de opdrachtregel; met F7 wordt de opdrachtregelgeschiedenis weergegeven;
ALT+F7 wist de opdrachtregelgeschiedenis; F8 doorzoekt de opdrachtregel-
geschiedenis. Met F9 selecteert u een opdracht per nummer;
ALT+F10 wist macrodefinities.

De volgende codes zijn speciale codes in Doskey-macrodefinities:
$T     Opdrachtscheidingsteken. Maakt het mogelijk meerdere opdrachten
       te gebruiken in een macro.
$1-$9  Batchparameters. Komen overeen met %1-%9 in batchprogramma's.
$*     Wordt vervangen door alles achter de macronaam in de opdrachtregel.

 

DPATH   (internal command)

Programma's in staat stellen om gegevensbestanden in opgegeven mappen te
openen alsof deze bestanden zich in de actieve map bevinden.

APPEND [[station:]pad[;...]] [/X[:ON | :OFF]] [/PATH:ON | /PATH:OFF] [/E]
APPEND ;

  [station:]pad  Het station en de map die u wilt toevoegen.
  /X:ON          Past toegevoegde mappen toe op bestandszoekopdrachten en
                 op het uitvoeren van toepassingen.
  /X:OFF         Past toegevoegde mappen alleen toe op aanvragen om
                 bestanden te openen. /X:OFF is de standaardinstelling.
  /PATH:ON       Past de toegevoegde mappen toe op bestandsaanvragen die
                 reeds een pad bevatten. /PATH:ON is de standaardinstelling.
  /PATH:OFF      Schakelt /PATH:ON uit.
  /E             Bewaart een kopie van de toegevoegde map in
                 omgevingsvariabele APPEND. U kunt /E alleen de eerste keer
                 gebruiken dat u APPEND gebruikt nadat u het systeem hebt
                 gestart.

Typ APPEND ; om de lijst met toegevoegde mappen leeg te maken.
Typ APPEND zonder parameters om de lijst met toegevoegde mappen weer te 
geven.

 

DRIVERQUERY   (Version 6.1.7600.16385)

DRIVERQUERY [/S computer [/U gebruikersnaam [/P [wachtwoord]]]]
              [/FO indeling] [/NH] [/SI] [/V] 
Beschrijving:
    Hiermee kan een administrator een lijst met geïnstalleerde 
    stuurprogramma's weergeven.

Parameterlijst:
      /S   computer           Het externe systeem voor een verbinding.

      /U   [domein\]gebruiker De gebruikerscontext waarin de opdracht
                              moet worden uitgevoerd.

      /P   [wachtwoord]       Het wachtwoord voor de opgegeven
                              gebruikerscontext.

      /FO  indeling           Het type uitvoer dat moet worden weergegeven.
                              Geldige waarden voor de schakeloptie:
                              TABLE, LIST, CSV.

      /NH                     Hiermee wordt opgegeven dat de kopregel van de kolom
                              niet moet worden weergegeven
                              Alleen geldig voor de indelingen TABLE en CSV.

      /SI                     Informatie over ondertekende stuurprogramma's.

      /V                      Uitgebreide uitvoer weergeven. 
                              Ongeldig voor ondertekende stuurprogramma's.

      /?                      Dit helpbericht weergeven.

Voorbeelden:
    DRIVERQUERY
    DRIVERQUERY /FO CSV /SI
    DRIVERQUERY /NH
    DRIVERQUERY /S ip-adres /U gebruiker /V 
    DRIVERQUERY /S computer /U domein\gebruiker /P wachtwoord /FO LIST

 

DSADD   (Version 5.2.3790.0)

Description:  This tool's commands add specific types of objects to the
directory. The dsadd commands:

dsadd computer - adds a computer to the directory.
dsadd contact - adds a contact to the directory.
dsadd group - adds a group to the directory.
dsadd ou - adds an organizational unit to the directory.
dsadd user - adds a user to the directory.
dsadd quota - adds a quota specification to a directory partition.

For help on a specific command, type "dsadd <ObjectType> /?" where
<ObjectType> is one of the supported object types shown above.
For example, dsadd ou /?.
Remarks:
Commas that are not used as separators in distinguished names must be
escaped with the backslash ("\") character
(for example, "CN=Company\, Inc.,CN=Users,DC=microsoft,DC=com").
Backslashes used in distinguished names must be escaped with a backslash
(for example,
"CN=Sales\\ Latin America,OU=Distribution Lists,DC=microsoft,DC=com").
Directory Service command-line tools help:
dsadd /? - help for adding objects.
dsget /? - help for displaying objects.
dsmod /? - help for modifying objects.
dsmove /? - help for moving objects.
dsquery /? - help for finding objects matching search criteria.
dsrm /? - help for deleting objects.

 

DSGET   (Version 5.2.3790.0)

Description:  This tool's commands display the selected properties
of a specific object in the directory. The dsget commands:

dsget computer - displays properties of computers in the directory.
dsget contact - displays properties of contacts in the directory.
dsget subnet - displays properties of subnets in the directory.
dsget group - displays properties of groups in the directory.
dsget ou - displays properties of ou's in the directory.
dsget server - displays properties of servers in the directory.
dsget site - displays properties of sites in the directory.
dsget user - displays properties of users in the directory.
dsget quota - displays properties of quotas in the directory.
dsget partition - displays properties of partitions in the directory.

To display an arbitrary set of attributes of any given object in the
directory use the dsquery * command (see examples below).

For help on a specific command, type "dsget <ObjectType> /?" where
<ObjectType> is one of the supported object types shown above.
For example, dsget ou /?.
Remarks:
The dsget commands help you to view the properties of a specific object in
the directory: the input to dsget is an object and the output is a list of
properties for that object. To find all objects that meet a given search
criterion, use the dsquery commands (dsquery /?).

The dsget commands support piping of input to allow you to pipe results from
the dsquery commands as input to the dsget commands and display detailed
information on the objects found by the dsquery commands.

Commas that are not used as separators in distinguished names must be
escaped with the backslash ("\") character
(for example, "CN=Company\, Inc.,CN=Users,DC=microsoft,DC=com").
Backslashes used in distinguished names must be escaped with a backslash (for
example, "CN=Sales\\ Latin America,OU=Distribution Lists,DC=microsoft,
DC=com").
Examples:
To find all users with names starting with "John" and display their office
numbers:

	dsquery user -name John* | dsget user -office

To display the sAMAccountName, userPrincipalName and department attributes of
the object whose DN is ou=Test,dc=microsoft,dc=com:

	dsquery * ou=Test,dc=microsoft,dc=com -scope base -attr
	sAMAccountName userPrincipalName department

To read all attributes of any object use the dsquery * command.
For example, to read all attributes of the object whose DN is
ou=Test,dc=microsoft,dc=com:

	dsquery * ou=Test,dc=microsoft,dc=com -scope base -attr *

Directory Service command-line tools help:
dsadd /? - help for adding objects.
dsget /? - help for displaying objects.
dsmod /? - help for modifying objects.
dsmove /? - help for moving objects.
dsquery /? - help for finding objects matching search criteria.
dsrm /? - help for deleting objects.
dsget succeeded

 

DSMOD   (Version 5.2.3790.0)

Description:  This dsmod command modifies existing objects in the directory.
The dsmod commands include:

dsmod computer - modifies an existing computer in the directory.
dsmod contact - modifies an existing contact in the directory.
dsmod group - modifies an existing group in the directory.
dsmod ou - modifies an existing organizational unit in the directory.
dsmod server - modifies an existing domain controller in the directory.
dsmod user - modifies an existing user in the directory.
dsmod quota - modifies an existing quota specification in the directory.
dsmod partition - modifies an existing quota specification in the directory.

For help on a specific command, type "dsmod <ObjectType> /?" where
<ObjectType> is one of the supported object types shown above.
For example, dsmod ou /?.

Remarks:
The dsmod commands support piping of input to allow you to pipe results from
the dsquery commands as input to the dsmod commands and modify the objects
found by the dsquery commands.

Commas that are not used as separators in distinguished names must be
escaped with the backslash ("\") character
(for example, "CN=Company\, Inc.,CN=Users,DC=microsoft,DC=com").
Backslashes used in distinguished names must be escaped with a backslash 
(for example,
"CN=Sales\\ Latin America,OU=Distribution Lists,DC=microsoft,DC=com").

Examples:
To find all users in the organizational unit (OU)
"ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com" and add them to the Marketing Staff group:

dsquery user ûstartnode "ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com" | 
dsmod group "cn=Marketing Staff,ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com" -addmbr

Directory Service command-line tools help:
dsadd /? - help for adding objects.
dsget /? - help for displaying objects.
dsmod /? - help for modifying objects.
dsmove /? - help for moving objects.
dsquery /? - help for finding objects matching search criteria.
dsrm /? - help for deleting objects.

 

DSMOVE   (Version 5.2.3790.0)

Description:  This command moves or renames an object within the directory.

Syntax:     dsmove <ObjectDN>
                [-newparent <ParentDN>] 
                [-newname <NewName>]
                [{-s <Server> | -d <Domain>}] 
                [-u <UserName>] 
                [-p {<Password> | *}]
                [-q]
		[{-uc | -uco | -uci}]

Parameters:

Value                   Description
<ObjectDN>              Required/stdin. Distinguished name (DN) 
                        of object to move or rename.
                        If this parameter is omitted it
                        will be taken from standard input (stdin).
-newparent <ParentDN>   DN of the new parent location to which object
                        should be moved.
-newname <NewName>      New relative distinguished name (RDN) value
                        to which object should be renamed.
{-s <Server> | -d <Domain>}
                        -s <Server> connects to the domain controller (DC)
                        with name <Server>.
                        -d <Domain> connects to a DC in domain <Domain>.
                        Default: a DC in the logon domain.
-u <UserName>           Connect as <UserName>. Default: the logged in user.
                        User name can be: user name, domain\user name,
                        or user principal name (UPN).
-p <Password>           Password for the user <UserName>.
                        If * is used, then the command prompts for a
                        password.
-q                      Quiet mode: suppress all output to standard output.
{-uc | -uco | -uci}	-uc Specifies that input from or output to pipe is
			formatted in Unicode. 
			-uco Specifies that output to pipe or file is 
			formatted in Unicode. 
			-uci Specifies that input from pipe or file is
			formatted in Unicode.

Remarks:
If a value that you supply contains spaces, use quotation marks 
around the text (for example, "CN=John Smith,CN=Users,DC=microsoft,DC=com").
If you enter multiple values, the values must be separated by spaces
(for example, a list of distinguished names). 

Commas that are not used as separators in distinguished names must be
escaped with the backslash ("\") character
(for example, "CN=Company\, Inc.,CN=Users,DC=microsoft,DC=com").
Backslashes used in distinguished names must be escaped with a backslash
(for example,
"CN=Sales\\ Latin America,OU=Distribution Lists,DC=microsoft,DC=com").

Examples:
The user object for the user Jane Doe can be renamed to Jane Jones
with the following command:

    dsmove "cn=Jane Doe,ou=sales,dc=microsoft,dc=com" -newname "Jane Jones"

The same user can be moved from the Sales organization to the Marketing
organization with the following command:

    dsmove "cn=Jane Doe,ou=sales,dc=microsoft,dc=com"
    -newparent ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com

The rename and move operations for the user can be combined with the
following command:

    dsmove "cn=Jane Doe,ou=sales,dc=microsoft,dc=com"
    -newparent ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com -newname "Jane Jones"

Directory Service command-line tools help:
dsadd /? - help for adding objects.
dsget /? - help for displaying objects.
dsmod /? - help for modifying objects.
dsmove /? - help for moving objects.
dsquery /? - help for finding objects matching search criteria.
dsrm /? - help for deleting objects.
dsmove failed:De parameter is onjuist.
type dsmove /? for help.

 

DSQUERY   (Version 5.2.3790.0)

Description: This tool's commands suite allow you to query the directory
according to specified criteria. Each of the following dsquery commands finds
objects of a specific object type, with the exception of dsquery *, which can
query for any type of object:

dsquery computer - finds computers in the directory.
dsquery contact - finds contacts in the directory.
dsquery subnet - finds subnets in the directory.
dsquery group - finds groups in the directory.
dsquery ou - finds organizational units in the directory.
dsquery site - finds sites in the directory.
dsquery server - finds domain controllers in the directory.
dsquery user - finds users in the directory.
dsquery quota - finds quota specifications in the directory.
dsquery partition - finds partitions in the directory.
dsquery * - finds any object in the directory by using a generic LDAP query.

For help on a specific command, type "dsquery <ObjectType> /?" where
<ObjectType> is one of the supported object types shown above.
For example, dsquery ou /?.

Remarks:
The dsquery commands help you find objects in the directory that match 
a specified search criterion: the input to dsquery is a search criterion 
and the output is a list of objects matching the search. To get the 
properties of a specific object, use the dsget commands (dsget /?).

The results from a dsquery command can be piped as input to one of the other
directory service command-line tools, such as dsmod, dsget, dsrm or dsmove.

Commas that are not used as separators in distinguished names must be
escaped with the backslash ("\") character
(for example, "CN=Company\, Inc.,CN=Users,DC=microsoft,DC=com"). Backslashes
used in distinguished names must be escaped with a backslash (for example,
"CN=Sales\\ Latin America,OU=Distribution Lists,DC=microsoft,DC=com").


Examples:
To find all computers that have been inactive for the last four weeks and
remove them from the directory:

	dsquery computer -inactive 4 | dsrm

To find all users in the organizational unit
"ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com" and add them to the Marketing Staff group:

	dsquery user ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com |	dsmod group
        "cn=Marketing Staff,ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com" -addmbr

To find all users with names starting with "John" and display his office
number:

	dsquery user -name John* | dsget user -office

To display an arbitrary set of attributes of any given object in the
directory use the dsquery * command. For example, to display the
sAMAccountName, userPrincipalName and department attributes of the object
whose DN is ou=Test,dc=microsoft,dc=com:

	dsquery * ou=Test,dc=microsoft,dc=com -scope base
	-attr sAMAccountName userPrincipalName department

To read all attributes of the object whose DN is ou=Test,dc=microsoft,dc=com:

	dsquery * ou=Test,dc=microsoft,dc=com -scope base -attr *

Directory Service command-line tools help:
dsadd /? - help for adding objects.
dsget /? - help for displaying objects.
dsmod /? - help for modifying objects.
dsmove /? - help for moving objects.
dsquery /? - help for finding objects matching search criteria.
dsrm /? - help for deleting objects.

 

DSRM   (Version 5.2.3790.0)

Description: This command deletes objects from the directory.

Syntax:     dsrm <ObjectDN ...> [-noprompt] [-subtree [-exclude]]
            [{-s <Server> | -d <Domain>}] [-u <UserName>]
            [-p {<Password> | *}] [-c] [-q] [{-uc | -uco | -uci}]

Parameters:
Value               Description
<ObjectDN ...>      Required/stdin. List of one or more 
                    distinguished names (DNs) of objects to delete.
                    If this parameter is omitted it is
                    taken from standard input (stdin).
-noprompt           Silent mode: do not prompt for delete confirmation.
-subtree [-exclude] Delete object and all objects in the subtree under it.
                    -exclude excludes the object itself
                    when deleting its subtree.
{-s <Server> | -d <Domain>}
                    -s <Server> connects to the domain controller (DC) with
                    name <Server>.
                    -d <Domain> connects to a DC in domain <Domain>.
                    Default: a DC in the logon domain.
-u <UserName>       Connect as <UserName>. Default: the logged in user.
                    User name can be: user name, domain\user name,
                    or user principal name (UPN).
-p {<Password> | *}
                    Password for the user <UserName>. If * is used,
                    then the command prompts you for the password.
-c                  Continuous operation mode: report errors but continue
                    with next object in argument list when multiple
                    target objects are specified.
		    Without this option, command exits on first error.
-q                  Quiet mode: suppress all output to standard output.
{-uc | -uco | -uci} -uc Specifies that input from or output to pipe is
                    formatted in Unicode. 
                    -uco Specifies that output to pipe or file is 
                    formatted in Unicode. 
                    -uci Specifies that input from pipe or file is
                    formatted in Unicode.

Remarks:
If a value that you supply contains spaces, use quotation marks 
around the text (for example, "CN=John Smith,CN=Users,DC=microsoft,DC=com").
If you enter multiple values, the values must be separated by spaces
(for example, a list of distinguished names). 

Commas that are not used as separators in distinguished names must be
escaped with the backslash ("\") character
(for example, "CN=Company\, Inc.,CN=Users,DC=microsoft,DC=com").
Backslashes used in distinguished names must be escaped with a backslash
(for example,
"CN=Sales\\ Latin America,OU=Distribution Lists,DC=microsoft,DC=com").

Examples:
To remove an organizational unit (OU) called "Marketing" and all the objects
under that OU, use the following command:

dsrm -subtree -noprompt -c ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com

To remove all objects under the OU called "Marketing" but leave
the OU intact, use the following command with the -exclude parameter:

dsrm -subtree -exclude -noprompt -c "ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com"

Directory Service command-line tools help:
dsadd /? - help for adding objects.
dsget /? - help for displaying objects.
dsmod /? - help for modifying objects.
dsmove /? - help for moving objects.
dsquery /? - help for finding objects matching search criteria.
dsrm /? - help for deleting objects.
dsrm failed:De parameter is onjuist.
type dsrm /? for help.

 

DVDBURN   (Version 5.2.3790.0)

Usage: dvdburn <drive> <image> [/Erase]

 

ECHO   (internal command)

Meldingen weergeven of de opdracht ECHO aan- of uitschakelen.

  ECHO [ON | OFF]
  ECHO [melding]

ECHO zonder parameters geeft de huidige instelling voor de opdracht ECHO weer.

 

EDIT

 
MS-DOS Editor   Version 2.0.026   Copyright (c) Microsoft Corp 1995.
 
EDIT [/B] [/H] [/R] [/S] [/<nnn>] [/?] [file(s)]
 
  /B       - Forces monochrome mode.
  /H       - Displays the maximum number of lines possible for your hardware.
  /R       - Load file(s) in read-only mode.
  /S       - Forces the use of short filenames.
  /<nnn>   - Load binary file(s), wrapping lines to <nnn> characters wide.
  /?       - Displays this help screen.
  [file]   - Specifies initial files(s) to load.  Wildcards and multiple
             filespecs can be given.

 

EDLIN

Starts Edlin, a line-oriented text editor.

EDLIN [drive:][path]filename [/B]

  /B   Ignores end-of-file (CTRL+Z) characters.

 

ENDLOCAL   (internal command)

Beëindigt lokalisatie van omgevingsvariabelen in een batchbestand.
Omgevingswijzigingen gemaakt na ENDLOCAL zijn niet alleen geldig binnen
het batchbestand, maar ook nadat het batchbestand is beëindigd.


ENDLOCAL

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert ENDLOCAL als volgt:

Als bijbehorende SETLOCAL opdrachtextensies in- of uitschakelt via
de nieuwe opties ENABLEEXTENSIONS of DISABLEEXTENSIONS, wordt na de
opdracht ENDLOCAL de ingeschakelde/uitgeschakelde toestand van 
opdrachtextensies teruggezet naar de toestand voor uitvoering van
bijbehorende opdracht SETLOCAL.

 

ERASE   (internal command)

Eén of meer bestanden verwijderen.

DEL [/P] [/F] [/S] [/Q] [/A[[:]kenmerken]] namen
ERASE [/P] [/F] [/S] [/Q] [/A[[:]kenmerken]] namen

  namen     Een lijst met één of meer bestanden of mappen. Joker-
            tekens kunnen worden gebruikt om meerdere bestanden te
            verwijderen. Als een map is opgegeven, worden alle bestanden
            in die map verwijderd.

  /P        Vraagt om bevestiging voordat een bestand wordt verwijderd.
  /F        Forceert verwijdering van alleen-lezenbestanden.
  /S        Verwijdert de opgegeven bestanden uit alle submappen.
  /Q        Stille modus: vraagt bij gebruik van jokertekens niet om
                          bevestiging.
  /A        Selecteert de te verwijderen bestanden op basis van kenmerken.
  kenmerken  R  Alleen-lezenbestanden                 S  Systeembestanden
             H  Verborgen bestanden                   A  Archiveringsbestanden
             I  Bestanden zonder geïndexeerde inhoud  L  Reparsepunten
             -  Voorvoegsel met betekenis 'niet'

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, veranderen DEL en ERASE als volgt:

De weergave van schakeloptie /S worden omgekeerd zodat alleen de bestanden
worden weergegeven die zijn verwijderd en niet de bestanden die niet zijn
gevonden.

 

EVENTCREATE   (Version 6.1.7600.16385)

EVENTCREATE [/S systeem [/U gebruikersnaam [/P wachtwoord]]] /ID gebeurtenis-id
            [/L logboeknaam] [/SO bronnaam] /T type /D beschrijving

Beschrijving:
    Met dit opdrachtregelprogramma kan een beheerder een aangepaste
    gebeurtenis-id en bericht in een opgegeven gebeurtenislogboek maken.

Parameterlijst:
    /S    systeem          Bepaalt de computer voor een verbinding

    /U    [domein\]gebruikersnaam
                           Bepaalt de gebruikerscontext waarin
                           de opdracht moet worden uitgevoerd.

    /P    [wachtwoord]     Wachtwoord voor de opgegeven
                           gebruikerscontext. Vraagt om invoer.

    /L    logboeknaam      Bepaalt het gebeurtenislogboek waarin
                           een gebeurtenis wordt gemaakt.

    /T    type             Het type gebeurtenis dat moet worden gemaakt.
                           Geldige typen zijn: SUCCESS, ERROR,
                           WARNING, INFORMATION.

    /SO   bron             Bepaalt de voor de gebeurtenis te
                           gebeurtenis (als niet opgegeven is bron gelijk aan
                           eventcreate) Iedere willekeurige tekenreeks
                           tekenreeks kan als geldige bron dienen.
                           kan als geldige bron dienen, deze vertegenwoordigt
                           de toepassing of het onderdeel dat de gebeurtenis
                           genereert.

    /ID   id               Bepaalt de gebeurtenis-id. Ieder
                           willekeurig getal tussen 1 en 65535 kan
                           van 1 - 1000.

    /D    omschrijving     De omschrijving voor de nieuwe gebeurtenis.

    /?                     Dit helpbericht weergeven.


Voorbeelden:
    EVENTCREATE /T ERROR /ID 1000
        /L APPLICATION /D "Maak een aangepaste foutgebeurtenis in het
        toepassingslogboek"

    EVENTCREATE /T ERROR /ID 999 /L APPLICATION
        /SO WinWord /D "Winword-gebeurtenis 999 vanwege onvoldoende
        schijfruimte"

    EVENTCREATE /S computer /T ERROR /ID 100
        /L APPLICATION /D "Aangepaste taak is niet geïnstalleerd"

    EVENTCREATE /S computer /U gebruiker /P wachtwoord /ID 1 /T ERROR
        /L APPLICATION /D "Gebruikerstoegang is mislukt vanwege ongeldige
        gebruikersreferenties"

 

EXE2BIN

Converts .EXE (executable) files to binary format.

EXE2BIN [drive1:][path1]input-file [[drive2:][path2]output-file]

  input-file   Specifies the .EXE file to be converted.
  output-file  Specifies the binary file to be created.

 

EXIT   (internal command)

Het programma CMD.EXE (opdrachtinterpreter) of het actieve batchscript
sluiten.

EXIT [/B] [exitCode]

  /B        bepaalt of het actieve batchscript wordt afgesloten in plaats
	      van CMD.EXE. Indien niet uitgevoerd vanuit een batchscript,
	      wordt CMD.EXE afgesloten.

  exitCode  bepaalt een numeriek nummer. Als /B is opgegeven, krijgt
	      ERRORLEVEL dat nummer. Als CMD.EXE wordt gesloten, krijgt
	      de exitcode van het proces dat nummer.

 

EXPAND   (Version 6.1.7600.16385)

Microsoft (R) Hulpprogramma voor uitpakken van bestanden Versie 6.1.7600.16385
Copyright (c) Microsoft Corporation.  Alle rechten voorbehouden.

Eén of meer gecomprimeerde bestanden uitpakken.

EXPAND [-R] Bron Doel
EXPAND -R Bron [Doel]
EXPAND -I Doel [Doel]
EXPAND -D Bron.cab [-F:Bestanden]
EXPAND Bron.cab -F:Bestanden Doel

  -R           Naam van uitgepakte bestanden wijzigen.
  -I	       De naam van uitgepakte bestanden wijzigen, maar de mapstructuur
  	       negeren.
  -D           Lijst met bestanden in bron weergeven.
  Bron         Het bronbestand. U kunt jokertekens gebruiken.
  -F:Bestanden Naam van bestanden die uit een CAB-bestand moeten worden
               uitgepakt.
  Doel         Het doelbestand | -pad.
               Doel mag een map zijn.
               Als Bron uit meerdere bestanden bestaat en -r niet
               is opgegeven, moet Doel een map zijn.

 

EXTRACT

Microsoft (R) Diamond Extraction Tool - Version (16) 1.00.0530 (04/3/95)
Copyright (c) Microsoft Corp 1994-1995. All rights reserved.

EXTRACT [/Y] [/A] [/D | /E] [/L dir] cabinet [filename ...]
EXTRACT [/Y] source [newname]
EXTRACT [/Y] /C source destination

  cabinet  - Cabinet file (contains two or more files).
  filename - Name of the file to extract from the cabinet.
             Wild cards and multiple filenames (separated by
             blanks) may be used.

  source   - Compressed file (a cabinet with only one file).
  newname  - New filename to give the extracted file.
             If not supplied, the original name is used.

  /A         Process ALL cabinets.  Follows cabinet chain
             starting in first cabinet mentioned.
  /C         Copy source file to destination (to copy from DMF disks).
  /D         Display cabinet directory (use with filename to avoid extract).
  /E         Extract (use instead of *.* to extract all files).
  /L dir     Location to place extracted files (default is current directory).
  /Y         Do not prompt before overwriting an existing file.

 

FC   (Version 6.1.7600.16385)

Twee bestanden of groepen bestanden vergelijken en de verschillen tussen deze
bestanden weergeven.


FC [/A] [/C] [/L] [/LBn] [/N] [/OFF[LINE]] [/T] [/U] [/W] [/nnnn]
   [station1:][pad1]bestandsnaam1 [station2:][pad2]bestandsnaam2
FC /B [station1:][pad1]bestandsnaam1 [station2:][pad2]bestandsnaam2

   /A          Geeft alleen de eerste en laatste regel van een groep
               verschillende regels weer.
   /B          Voert een binaire vergelijking uit.
   /C          Negeert het verschil tussen hoofdletters en kleine letters.
   /L          Vergelijkt bestanden in ASCII-modus.
   /LBn        Stelt het maximum aantal opeenvolgende niet-overeenkomende
               gevonden gevallen in op het opgegeven aantal regels.
   /N          Geeft de regelnummers weer tijdens een ASCII-vergelijking.
   /OFF[LINE]  Slaat bestanden met ingeschakeld offlinekenmerk niet over.
   /T          Maakt geen spaties van tabs.
   /U          Bestanden vergelijken als UNICODE-tekstbestanden.
   /W          Comprimeert lege ruimte (tabs en spaties) voor vergelijkings-
               doeleinden.
   /nnnn       Bepaalt het aantal opeenvolgende regels die hetzelfde moeten
               zijn.
   [station1:][pad1]bestandsnaam1
               Geeft het eerste bestand of een aantal bestanden op voor de
               vergelijking.
   [station2:][pad2]bestandsnaam2
               Geeft het tweede bestand of een aantal bestanden op voor de
               vergelijking.

 

FILEVER   (Version 5.1.2600.0)

Prints file version information.

FILEVER [/S] [/V] [/E] [/X] [/B] [/A] [/D] [[drive:][path][filename]]

/S	Displays files in specified directory and all subdirectories.
/V	List verbose version information if available.
/E	List executables only.
/X	Displays short names generated for non-8dot3 file names.
/B	Uses bare format (no dir listing).
/A	Don't display file attributes.
/D	Don't display file date and time.

 

FIND   (Version 6.1.7600.16385)

Naar een tekenreeks zoeken in één of meer bestanden.

FIND [/V] [/C] [/N] [/I] [/OFF[LINE]] "reeks"
     [[station:][pad]bestandsnaam[ ...]]

  /V          Geeft alle regels weer waarin de opgegeven tekenreeks NIET
              voorkomt.
  /C          Geeft alleen het aantal regels weer waarin de tekenreeks
              voorkomt.
  /N          Geeft de regelnummers weer bij de weergegeven regels.
  /I          Geeft aan dat bij het zoeken niet moet worden gelet op
              hoofdletters en kleine letters.
  /OFF[LINE]  Slaat bestanden met ingeschakeld offlinekenmerk niet over.
  "reeks"     De te zoeken tekenreeks.
  [station:][pad]bestandsnaam
              De te doorzoeken bestand(en).

Als er geen padnaam is opgegeven, zoekt FIND naar de tekst die na de prompt is
getypt of die is doorgesluisd vanuit een andere opdracht.

 

FINDSTR   (Version 6.1.7601.17514)

Zoeken naar tekenreeksen in bestanden.

FINDSTR [/B] [/E] [/L] [/R] [/S] [/I] [/X] [/V] [/N] [/M] [/O] [/P]
        [/F:bestand] [/C:tekenreeks] [/G:bestand] [/D:maplijst]
        [/A:kleurkenmerken] [/OFF[LINE]] [tekenreeksen]
        [[station:][pad]bestandsnaam[ ...]]

  /B             Vindt patroon als dit aan het begin van een regel staat.
  /E             Vindt patroon als dit aan het einde van een regel staat.
  /L             Gebruikt zoekreeks letterlijk.
  /R             Gebruikt zoekreeks als gewone uitdrukking.
  /S             Zoekt naar overeenkomende bestanden in de actieve map en
                 alle submappen.
  /I             Tijdens de zoekopdracht wordt geen onderscheid gemaakt
                 tussen kleine letters en hoofdletters.
  /X             Geeft regels weer die precies overeenkomen.
  /V             Geeft alleen regels weer waarin de tekenreeks niet voorkomt.
  /N             Geeft het regelnummer weer voor elke overeenkomende regel.
  /M             Geeft alleen de bestandsnaam weer als de tekenreeks in een
                 bestand voorkomt.
  /O             Geeft tekenmarge weer voor elke overeenkomende regel.
  /P             Slaat bestanden met niet-afdrukbare tekens over.
  /OFF[LINE]     Slaat bestanden met ingeschakeld offlinekenmerk niet over.
  /A:attr        Geeft kleurkenmerk weer met twee hexadecimale cijfers.
                 Zie color /?
  /F:bestand     Leest bestandslijst van het opgegeven bestand
                 (/ staat voor console).
  /C:tekenreeks  De opgegeven tekenreeks wordt als één letterlijke zoekreeks
                 gebruikt.
  /G:bestand     Haalt zoekreeks uit het opgegeven bestand
                 (/ staat voor console).
  /D:dir         Zoeken in een door puntkomma's gescheiden lijst van mappen
  tekenreeksen   Tekst waarnaar gezocht moet worden.
  [station:][pad]bestandsnaam
                 Geeft te doorzoeken bestand(en) aan.

Gebruik spaties om meerdere zoektekenreeksen te scheiden tenzij de
schakeloptie /C wordt gebruikt voor het argument. Bijvoorbeeld:
'FINDSTR "hallo allemaal" x.y' zoekt naar "hallo" of "allemaal" in
bestand x.y. 'FINDSTR /C:"hallo allemaal" x.y' zoekt naar "hallo allemaal"
in bestand x.y.

Referentie voor gewone uitdrukkingen:
  .        Jokerteken: elk teken
  *        Herhalen: nul of meer gevallen van vorig teken of klasse
  ˆ        Regelpositie: begin van regel
  $        Regelpositie: einde van regel
  [class]  Tekenklasse: elk teken in set
  [ˆclass] Tegengestelde klasse: elk teken niet in set
  [x-y]    Bereik: elk teken binnen het opgegeven bereik
  \x       Escape: letterlijk gebruik van metateken x
  \<xyz    Woordpositie: begin van woord
  xyz\>    Woordpositie: einde van woord


Raadpleeg voor meer gegevens over het gebruik van gewone uitdrukkingen
met FINDSTR de onlineopdrachtreferentie.

 

FINGER   (Version 6.1.7600.16385)

Gegevens weergeven over een gebruiker op een systeem waar de service Finger
wordt uitgevoerd. De uitvoer hangt af van het externe systeem.

FINGER [-l] [gebruiker]@host [...]

  -l         Geeft informatie weer in lange-lijstindeling.
  gebruiker  Geeft de gebruiker aan waarover u gegevens wilt ontvangen.
             Laat de parameter gebruiker weg om gegevens over alle 
             gebruikers op de geselecteerde host te ontvangen.
  @host      Geeft de server aan op het externe systeem over wiens 
             gebruikers u informatie wilt ontvangen.

 

FLTMC   (Version 6.1.7600.16385)

** Ongeldige opdracht
Geldige opdrachten:
    load        Een filterstuurprogramma laden
    unload      Een filterstuurprogramma verwijderen
    filters     De filters weergeven die momenteel in het systeem zijn
                geregistreerd
    instances   De exemplaren van een filter of volume weergeven die
                momenteel in het systeem zijn geregistreerd
    volumes     Alle volumes/RDR's in het systeem weergeven
    attach      Een filterexemplaar voor een volume maken
    detach      Een filterexemplaar van een volume verwijderen

    Gebruik 'fltmc help [ opdracht ] voor hulp bij een specifieke
    opdracht

 

FOR   (internal command)

Een opgegeven opdracht uitvoeren voor elk bestand in een set bestanden.

FOR %variable IN (set) DO opdracht [opdrachtparameters]

  %variable   Bepaalt een vervangbare parameter van één letter.
  (set)       Bepaalt een set van één of meer bestanden. Jokertekens kunnen
              worden gebruikt.
  opdracht    Bepaalt de opdracht die moet worden uitgevoerd voor elk bestand.
  opdrachtparameters
              Bepaalt de opties of parameters voor de opgegeven opdracht.

Als u de opdracht FOR in een batchprogramma wilt gebruiken, moet u
%%variable opgeven in plaats van %variable. Variabele-namen maken
onderscheid tussen hoofd- en kleine letters, dus %i is iets anders dan %I.

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, worden de volgende extra
opties van de opdracht FOR ondersteund:

FOR /D %variable IN (set) DO opdracht [opdrachtparameters]

    Als de set jokertekens bevat, moeten overeenkomsten worden gezocht
    in mapnamen in plaats van bestandsnamen.

FOR /R [[station:]pad] %variable IN (set) DO opdracht [opdrachtparameters]

    Loopt door de mapstructuur, beginnend bij [station:]pad, waarbij de
    opdracht FOR wordt uitgevoerd in elke map van de structuur. Als geen
    mapspecificatie is opgegeven na /R wordt aangenomen dat het om de
    actieve map gaat. Als alleen een punt (.) is ingesteld, wordt alleen
    de mapstructuur weergegeven.

FOR /L %variable IN (start,step,end) DO opdracht [opdrachtparameters]

    De set is een volgorde van nummers van begin tot einde, in stapgrootte.
    Dus (1,1,5) genereert de volgorde 1 2 3 4 5 en (5,-1,1) genereert
    de volgorde 5 4 3 2 1.

FOR /F ["opties"] %variable IN (bestandsset) DO opdracht [opdrachtparameters]
FOR /F ["opties"] %variable IN ("tekenreeks") DO opdracht [opdrachtparam.]
FOR /F ["opties"] %variable IN ("opdracht") DO opdracht [opdrachtparameters]

    of, als optie usebackq aanwezig is:

FOR /F ["opties"] %variable IN (bestandsset) DO opdracht [opdrachtparameters]
FOR /F ["opties"] %variable IN ('tekenreeks') DO opdracht [opdrachtparam.]
FOR /F ["opties"] %variable IN (`opdracht`) DO opdracht [opdrachtparameters]

    bestandsnaamset zijn één of meer bestandsnamen. Elk bestand wordt
    geopend, gelezen en verwerkt voordat het volgende bestand in de
    bestandsnaamset wordt geopend. Verwerking houdt in het lezen in het
    bestand, het indelen in afzonderlijke tekstregels en daarna het parseren
    van elke regel in nul of meer onderdelen. De tekst van de FOR-lus wordt
    vervolgens aangeroepen met de variabele-waarde(n) die zijn ingesteld op
    de gevonden token-tekenreeks(en). Standaard zal met /F de eerste token
    worden overgeslagen, die wordt gescheiden door een spatie. Lege regels
    worden overgeslagen. U kunt het standaard-parseergedrag onderdrukken door
    de optionele parameter 'opties' op te geven. Dit is een tekenreeks tussen
    aanhalingstekens die één of meer trefwoorden bevat om verschillende
    parseeropties te bepalen. De trefwoorden zijn:

        eol=c           - bepaalt een einde-regelopmerkingteken
                          (slechts één)
        skip=n          - bepaalt het aantal regels dat wordt overgeslagen
                          aan het begin van het bestand.
        delims=xxx      - bepaalt een set scheidingstekens. Dit vervangt de
                          standaardset scheidingstekens van spatie en tab.
        tokens=x,y,m-n  - bepaalt welke tokens van elke regel worden
                          doorgegeven aan de FOR-tekst voor elke iteratie.
                          Hierdoor worden extra variabele-namen toegewezen.
                          De vorm m-n is een bereik, waarmee de m-de t/m
                          de n-de tokens worden bepaald. Als het laatste
                          teken in de tekenreeks tokens= een sterretje is,
                          wordt een extra variabele toegewezen en wordt de
                          resterende tekst ontvangen op de regel na de
                          laatste geparseerde token.
        usebackq        - bepaalt of de nieuwe semantiek wordt gebruikt,
                          waarbij teken (`) wordt uitgevoerd als een
                          opdracht en teken (') een letterlijke
                          tekenreeksopdracht is.
                          Het gebruik van dubbele aanhalingstekens wordt
                          toegestaan om bestandsnamen in de bestandsnaamset
                          op te geven.

    Enkele voorbeelden:

FOR /F "eol=; tokens=2,3* delims=, " %i in (bestand.txt) do
@echo %i %j %k

    verwerkt elke regel in bestand.txt, waarbij regels worden genegeerd
    die beginnen met een puntkomma. Vervolgens worden het tweede en derde
    token van elke regel doorgegeven aan de FOR-tekst, waarbij de tokens
    worden gescheiden door komma's en/of spaties. Opmerking: de FOR-tekst-
    instructies verwijzen naar %i om het tweede token te verkrijgen, %j
    om het derde token te verkrijgen en %k om alle resterende tokens
    na het derde token te verkrijgen. Voor bestandsnamen die spaties
    bevatten, moet u dubbele aanhalingstekens gebruiken. Als u dubbele
    aanhalingstekens op deze manier wilt gebruiken, moet u de optie
    usebackq gebruiken omdat anders de dubbele aanhalingstekens worden
    geïnterpreteerd als een letterlijke tekenreeks om te verwerken.

    %i wordt uitdrukkelijk opgegeven in de FOR-instructie en %j en %k
    worden uitdrukkelijk opgegeven via de optie tokens=. U kunt maximaal
    26 tokens opgeven via de regel tokens=, zolang hierdoor niet wordt
    geprobeerd om een variabele op te geven die hoger is dan de letter
    z of Z. Denk eraan dat FOR-variabele-namen onderscheid maken tussen
    hoofd- en kleine letters, globaal zijn en maar maximaal 52 tegelijk
    actief kunnen zijn.

    U kunt ook de FOR /F-parseerlogica toepassen op een nabije teken-
    reeks, door van de bestandsnaamset tussen haakjes een tekenreeks
    tussen enkele aanhalingstekens te maken. Deze wordt dan behandeld als
    een enkele invoerregel van een bestand en geparseerd.

    Als laatste kunt u de opdracht FOR /F gebruiken om de uitvoer van een
    opdracht te parseren. U kunt dit doen door van de bestandsnaamset tussen
    haakjes een tekenreeks te maken tussen `-aanhalingstekens. Deze wordt
    dan behandeld als een opdrachtregel, die wordt doorgegeven aan een
    child-CMD.EXE en waarvan de uitvoer wordt opgevangen in het geheugen
    en geparseerd alsof het een bestand is. Dus het volgende voorbeeld:

      FOR /F "usebackq delims==" %i IN (`set`) DO @echo %i

    geeft een inventarisatie van de namen van omgevingsvariabelen in de
    actieve omgeving.

Verder is de vervanging van verwijzingen naar FOR-variabelen verbeterd.
U kunt de volgende extra syntaxis gebruiken:

    %~I         - breidt %I uit waarbij aanhalingstekens (") worden 
                   verwijderd
    %~fI        - breidt %I uit naar een fully-qualified-padnaam
    %~dI        - breidt %I alleen uit naar een stationsletter
    %~pI        - breidt %I alleen uit naar een pad
    %~nI        - breidt %I alleen uit naar een bestandsnaam
    %~xI        - breidt %I alleen uit naar een bestandsextensie
    %~sI        - uitgebreid pad bevat alleen korte namen
    %~aI        - breidt %I uit naar bestandskenmerken van bestand
    %~tI        - breidt %I uit naar datum/tijd van bestand
    %~zI        - breidt %I uit naar grootte van bestand
    %~$PATH:I   - doorzoekt de mappen in omgevingsvariabele PATH en breidt
                   %I uit naar de fully-qualified-naam van het eerste
                   gevonden bestand. Als de naam van de omgevingsvariabele
                   niet is opgegeven of als het bestand niet wordt gevonden,
                   wordt deze wijzigingstoets uitgebreid naar de lege
                   tekenreeks.

De wijzigingstoetsen kunnen worden gecombineerd om samengestelde resultaten
te verkrijgen:

    %~dpI       - breidt %I alleen uit naar een stationsletter en pad
    %~nxI       - breidt %I alleen uit naar een bestandsnaam en extensie
    %~fsI       - breidt %I alleen uit naar een volledige padnaam met 
                   korte namen
    %~dp$PATH:i - doorzoekt de mappen in omgevingsvariabele PATH naar %I
                   en breidt uit naar de stationsletter en het pad van het
                   eerste gevonden bestand
    %~ftzaI     - breidt %I uit naar een op DIR lijkende uitvoerregel

In bovenstaande voorbeelden kunnen %I en PATH worden vervangen door andere
geldige waarden. De syntaxis %~ wordt afgesloten door een geldige
FOR-variabele-naam. Als u ervoor kiest om hoofdletters te gebruiken voor
variabele-namen, zoals %I, wordt het beter leesbaar en minder verwarrend
als deze worden gebruikt met de wijzigingstoetsen, waarvoor geen onderscheid
wordt gemaakt tussen hoofd- en kleine letters.

 

FORFILES   (Version 6.1.7600.16385)

FORFILES [/P padnaam] [/M zoekmasker] [/S]
         [/C command] [/D [+ | -] {dd-MM-yyyy | dd}]

Beschrijving:
    Selecteert een bestand (of een groep bestanden)
    en voert een opdracht op het bestand uit. Dit is nuttig voor batchtaken.

Parameterlijst:
    /P    padnaam       Het pad waarin de zoekactie dient te worden gestart.
                        De standaardmap is de huidige werkmap.
    /M    zoekfilter    Zoeken naar bestanden met zoekfilter.
                        Het standaardzoekfilter is *.* .

    /S                  Geeft aan dat forfiles ook in
                        onderliggende mappen moet worden uitgevoerd.
                        Zoals DIR /S.

    /C    opdracht      De opdracht die voor elk bestand wordt uitgevoerd.
                        De opdracht dient binnen dubbele
                        aanhalingstekens te worden opgegeven. 

                        De standaardopdracht is "cmd /c echo @file".

                        De volgende variabelen kunnen worden gebruikt in de
                        opdracht:
                        @file    - retourneert de naam van het bestand.
                        @fname   - retourneert de bestandsnaam zonder
                                   extensie.
                        @ext     - retourneert alleen de extensie van het 
                                   bestand.
                        @path    - retourneert het volledige pad van het
                                   bestand.
                        @relpath - retourneert het relatieve pad van het
                                   bestand.
                        @isdir   - retourneert 'TRUE' als een bestandstype een
                                   map is, en FALSE voor bestanden.
                        @fsize   - retourneert de omvang van het bestand in
                                   bytes.
                        @fdate   - retourneert de datum laatst gewijzigd van het
                                   bestand.
                        @ftime   - retourneert de tijd laatst gewijzigd
                                   van het bestand.

                        Als u speciale tekens op de opdrachtregel wilt
                        opnemen, kunt u de hexadecimale code van het
                        teken in 0xHH-indeling gebruiken. Interne
                        opdrachten van de opdrachtregel dienen te
                        worden voorafgegaan door 'cmd /c'.

    /D    datum         Selecteert bestanden met datum laatst gewijzigd
                        groter dan of gelijk aan (+), of kleiner dan
                        of gelijk aan (-), de opgegeven datum in de indeling
                        dd-MM-yyyy; of selecteert bestanden met
                        datum laatst gewijzigd groter dan
                        huidige datum plus 'dd' dagen, of eerder dan of
                        gelijk aan (-) de huidige datum minus 'dd' dagen. Een
                        geldige aantal 'dd' dagen kan elk getal tussen
                         0-32768 zijn.

                        '+' is het standaardteken als niets is opgegeven.

    /?                  Dit helpbericht weergeven

Voorbeelden:
    FORFILES /? 
    FORFILES  
    FORFILES /P C:\WINDOWS /S /M DNS*.* 
    FORFILES /S /M *.txt /C "cmd /c type @file | more"
    FORFILES /P C:\ /S /M *.bat
    FORFILES /D -30 /M *.exe
             /C "cmd /c echo @path 0x09 is 30 dagen geleden gewijzigd"
    FORFILES /D 01-01-2001
             /C "cmd /c echo @fname is nieuw sinds 1 januari 2001"
    FORFILES /D +2-11-2013 /C "cmd /c echo @fname is nieuw vandaag"
    FORFILES /M *.exe /D +1
    FORFILES /S /M *.doc /C "cmd /c echo @fsize" 
    FORFILES /M *.txt /C "cmd /c if @isdir==FALSE notepad.exe @file"

 

FORMAT   (Version 6.1.7600.16385)

Een schijf voor gebruik met Windows formatteren.

FORMAT volume: [/FS:bestandssysteem] [/V:naam] [/Q] [/A:grootte]
               [/C] [/X] [/P:gangen] [/S:status]
FORMAT volume: [/V:naam] [/Q] [/F:capaciteit] [/P:gangen]
FORMAT volume: [/V:naam] [/Q] [/T:sporen /N:sectoren] [/P:gangen]
FORMAT volume: [/V:naam] [/Q] [/P:gangen]
FORMAT volume  [/Q]

  volume               Het koppelpunt, de volumenaam of de stationsletter
                       (gevolgd door een dubbele punt).
  /FS:bestandssysteem  Het type bestandssysteem (FAT, FAT32, exFAT, NTFS of UDF).
  /V:volumenaam        De volumenaam.
  /Q                   Voert een snelformattering uit. Opmerking: deze optie
                       heft /P op.
  /C                   Alleen NTFS: bestanden die gemaakt worden op het
                       nieuwe volume worden standaard gecomprimeerd.
  /X                   Forceert dat het volume eerst wordt ontkoppeld, indien
                       nodig. Alle geopende ingangen naar het volume zijn dan
                       niet meer geldig.
  /R:revisie           Alleen UDF: dwingt formatteren in een specifieke
                       UDF-versie af (1.02, 1.50, 2.00, 2.01, 2.50).
                       De standaardrevisie is 2.01.
  /D                   Alleen UDF 2.50: metagegevens worden gedupliceerd.
  /A:grootte           De standaardgrootte van de clusters opheffen. Het is
                       raadzaam de standaardinstellingen te gebruiken voor
                       algemeen gebruik.
                       NTFS ondersteunt 512, 1024, 2048, 4096, 8192, 16 kB,
                       32 kB en 64 kB.
                       FAT ondersteunt 512, 1024, 2048, 4096, 8192, 16 kB,
                       32 kB en 64 kB (128 kB of 256 kB als de sectoren
                       groter zijn dan 512 bytes).
                       FAT32 ondersteunt 512, 1024, 2048, 4096, 8192, 16 kB,
                       32 kB en 64 kB (128 kB of 256 kB als de sectoren
                       groter zijn dan 512 bytes).
                       exFAT ondersteunt 512, 1024, 2048, 4096, 8192, 16 kB,
                       32 kB, 64 kB, 128 kB, 256 kB, 512 kB, 1 MB, 2 MB,
                       4 MB, 8 MB, 16 MB en 32 MB.

                       Opmerking: voor de bestandssystemen FAT en FAT32
                       gelden de volgende beperkingen m.b.t. het aantal
                       clusters op een volume:

                       FAT: Aantal clusters <= 65526
                       FAT32: 65526 < Aantal clusters < 268435446

                       Er wordt onmiddellijk met formatteren gestopt als blijkt
                       dat niet aan de bovenstaande vereisten wordt voldaan
                       bij gebruik van de opgegeven clustergrootte.

                       NTFS-compressie wordt niet ondersteund als de
                       clusters groter zijn dan 4096.

  /F:grootte           De grootte van de te formatteren schijf (1,44 MB)
                       bepalen.
  /T:sporen            Het aantal sporen per schijfkant.
  /N:sectoren          Het aantal sectoren per spoor.
  /P:gangen            Nul voor elke sector op het volume kost tijd.
                       Deze optie is niet geldig met /Q
  /S:status        Hierbij staat 'status' voor 'enable' of 'disable'
                  Korte namen zijn standaard ingeschakeld

 

FSUTIL   (Version 6.1.7601.17577)

/? is een ongeldige parameter.
---- Ondersteunde opdrachten ----

8dot3name       Beheer van 8-punt-3-namen
behavior        Gedrag van bestandssysteem beheren
dirty           'Dirty bit' van volume beheren
file            Bestandsspecifieke opdrachten
fsinfo          Informatie over het bestandssysteem
hardlink        Beheer van harde koppelingen
objectid        Beheer van object-id's
quota           Quotabeheer
repair          Zelf-reparerend beheer
reparsepoint    Reparsepuntbeheer
resource        Transactional Resource Manager-beheer
sparse          Beheer van tijdelijke bestanden
transaction     Transactiebeheer
usn             USN-beheer
volume          Volumebeheer

 

FTP   (Version 6.1.7601.17514)

Bestanden verplaatsen van en naar een computer met een FTP-serverservice
(heet soms een daemon). FTP kan interactief worden gebruikt.

FTP [-v] [-d] [-i] [-n] [-g] [-s:bestandsnaam] [-a] [-x:verzendbuffer]
    [-r:ontvangstbuffer] [-b:asyncbuffers] [-w:venstergrootte] [host]

  -v                Onderdrukt de weergave van antwoorden van servers.
  -n                Onderdrukt auto-login bij de eerste verbinding.
  -i                Schakelt interactieve vragen uit tijdens overdracht van
                    meerdere bestanden.
  -d                Schakelt foutopsporing in.
  -g                Schakelt bestandsnaamglobbing uit (zie GLOB-opdracht).
  -s:bestandsnaam   Specificeert een tekstbestand met FTP-opdrachten; de
                    opdrachten worden automatisch uitgevoerd nadat FTP is
                    gestart.
  -a                Gebruik een willekeurige lokale interface wanneer
                    gegevensverbinding wordt gekoppeld.
  -A                Anoniem aanmelden.
  -x:send buffer    De standaardgrootte van SO_SNDBUF (8192) opheffen.
  -r:recv buffer    De standaardgrootte van SO_RCVBUF (8192) opheffen.
  -b:async item     De async-standaarditem van 3 opheffen
  -w:venstergrootte De standaardgrootte van de overdrachtsbuffer (65535)
                    opheffen.
  host              Bepaalt de hostnaam of het IP-adres van de extern
                    host waarmee verbinding moet worden gemaakt.

Opmerkingen:
  - mget- en mput-opdrachten gebruiken y/n/q voor ja/nee/afsluiten.
  - Gebruik CTRL+C om de opdrachten af te breken.

 

FTYPE   (internal command)

Gebruikte bestandstypen in bestandsextensiekoppelingen weergeven of
wijzigen

FTYPE [bestandstype[=[openCommandString]]]

  bestandstype      Bepaalt het bestandstype om te controleren of te wijzigen
  openCommandString Bepaalt de open-opdracht die gebruikt moet worden tijdens
                    het starten van dit type bestanden.

Typ FTYPE zonder parameters om de actieve bestandstypen weer te geven
waaraan open-opdrachttekenreeksen zijn gekoppeld. Als FTYPE wordt aangeroepen
met alleen een bestandstype wordt de actieve open-opdrachttekenreeks voor
dat bestandstype weergegeven. Als u niets opgeeft voor de open-opdracht-
tekenreeks zal de FTYPE-opdracht de open-opdrachttekenreeks voor het
bestandstype verwijderen. Binnen een open-opdrachttekenreeks worden %0
of %1 vervangen door de bestandsnaam die wordt gestart door de koppeling.
%* verkrijgt alle parameters, %2 verkrijgt de eerste parameter, %3
de tweede enzovoorts. %~n verkrijgt alle resterende parameters, beginnend
bij de x-de parameter, waarbij x de waarde 2 t/m 9 kan hebben. Bijvoorbeeld:

    ASSOC .pl=PerlScript
    FTYPE PerlScript=perl.exe %1 %*

geeft u de mogelijkheid om een Perl-script als volgt aan te roepen:

    script.pl 1 2 3

Als u geen extensies wilt typen, moet u het volgende opgeven:

    set PATHEXT=.pl;%PATHEXT%

waardoor het script als volgt kan worden aangeroepen:

    script 1 2 3

 

GETMAC   (Version 6.1.7600.16385)

GETMAC [/S computer [/U gebruikersnaam [/P [wachtwoord]]]] [/FO indeling]
       [/NH] [/V]

Beschrijving:
    Met dit hulpprogramma kan een administrator het MAC-adres
    van netwerkadapters op een computer weergeven.

Parameterlijst:
    /S computer              De computer weergeven waarmee verbinding moet
                             worden gemaakt.

    /U [domein\gebruiker]    De gebruikerscontext weergeven waarin
                             de opdracht moet worden uitgevoerd.

    /P [wachtwoord]          Het wachtwoord weergeven voor de opgegeven
                             gebruikerscontext. Invoer wordt gevraagd indien
                             deze ontbreekt.

    /FO indeling             De indeling weergeven waarin de uitvoer
                             moet worden weergegeven.
                             Geldige waarden: "TABLE","LIST","CSV".

    /NH                      De kolomkop niet in de uitvoer
                             weergeven.
                             Alleen geldig voor de indelingen "TABLE" en
                             "CSV".

    /V                       Uitgebreide uitvoer weergeven.

    /?                       Dit helpbericht weergeven.

Voorbeelden:
    GETMAC /? 
    GETMAC /FO csv 
    GETMAC /S computer /NH /V
    GETMAC /S computer /U gebruiker
    GETMAC /S computer /U domein\gebruiker /P wachtwoord /FO lijst /V
    GETMAC /S computer /U domein\gebruiker /P wachtwoord /FO tabel /NH

 

GOTO   (internal command)

Brengt CMD.EXE naar een regel in het batchprogramma met een opgegeven label.

GOTO label

  label   Tekenreeks die in het batchprogramma als label wordt gebruikt.

Labels staan aan het begin van een regel, voorafgegaan door een dubbele punt.

Als opdrachtextensies worden ingeschakeld, verandert GOTO als volgt:

De opdracht GOTO accepteert nu een doelnaam van :EOF waarmee de besturing
wordt verplaatst naar het einde van het actieve batchscriptbestand. Dit
is een gemakkelijke manier om een batchscriptbestand af te sluiten zonder
een naam op te geven. Deze uitbreiding is handig voor de opdracht CALL. 
Typ CALL /? voor een beschrijving van extensies die van deze functie 
gebruik kunnen maken.

 

GPRESULT   (Version 6.1.7600.16385)

GPRESULT [/S computer [/U gebruikersnaam [/P [wachtwoord]]]] [/SCOPE bereik]
           [/USER doelgebruikersnaam] [/R | /V | /Z]

Beschrijving:
    Met dit opdrachtregelprogramma kunt u de verzameling resulterende beleidsregels
    voor een doelgebruiker en -computer weergeven.

Parameterlijst:
    /S        systeem          Het externe systeem voor de verbinding.

    /U        [domein\]gebruiker    Hiermee wordt de gebruikerscontext opgegeven waaronder de opdracht
                               moet worden uitgevoerd.
    /P        [wachtwoord]     Het wachtwoord voor de opgegeven gebruiker
                               context.  Vraagt om invoer indien weggelaten.
    /SCOPE    bereik           Hiermee wordt aangegeven of de gebruikers- of de
                               computerinstellingen worden weergegeven.
                               Mogelijke waarden: 'USER', 'COMPUTER'.

    /USER     [domein\]gebruiker  De gebruiker voor wie de RSOP-gegevens
                               moeten worden weergegeven.

    /R                         Hiermee worden de RSoP-samenvattingsgegevens
                               weergegeven.

    /V                         Hiermee wordt aangegeven dat er uitgebreide
                               informatie moet worden weergegeven. Deze
                               informatie biedt gedetailleerde instellingen
                               die zijn toegepast met prioriteit 1.

    /Z                         Hiermee wordt aangegeven dat er zeer
                               uitgebreide informatie moet worden weergegeven.
                               Deze informatie biedt nog meer gedetailleerde
                               instellingen die zijn toegepast met een
                               prioriteit van 1 of hoger. Hiermee kunt u zien
                               of een instelling op meerdere locaties
                               is ingesteld. Zie de online-Help
                               van groepsbeleidsregels voor meer informatie.

    /?                         Dit helpbericht weergeven.


Voorbeelden:
    GPRESULT /R
    GPRESULT /USER doelgebruikersnaam /V
    GPRESULT /S computer /USER doelgebruikersnaam /SCOPE COMPUTER /Z
    GPRESULT /S computer /U gebruikersnaam /P wachtwoord /SCOPE USER /V

 

GPUPDATE   (Version 6.1.7600.16385)

Omschrijving: werkt groepsbeleidsinstellingen bij

Syntaxis:  GPUpdate [/Target:{Computer | User}] [/Force] [/Wait:<waarde>]
     [/Logoff] [/Boot] [/Sync] 

Parameters:

Waarde                     Omschrijving
/Target:{Computer | User}  bepaalt dat alleen het beleid van de
                           gebruiker (user) of de computer wordt bijgewerkt.
                           Standaard worden beide beleidsinstellingen
                           bijgewerkt.

/Force                     Past alle beleidsinstellingen opnieuw toe.
                           Standaard worden alleen gewijzigde
                           beleidsinstellingen toegepast.

/Wait:{waarde}             Stelt de wachtduur voor de beleidsverwerking
                           in seconden in. De standaardwaarde is
                           600 seconden. '0' betekent 'niet wachten'.
                           '-1' betekent onbeperkt wachten.
                           Als de tijdslimiet is bereikt, verschijnt 
                           de opdrachtprompt weer, maar gaat de 
                           de beleidsverwerking gewoon verder.

/Logoff                    Forceert een afmelding na het bijwerken van de
                           groepsbeleidsinstellingen. Dit is noodzakelijk
                           voor de groepsbeleidsuitbreidingen bij de client
                           die beleidsinstellingen niet via een
                           achtergrondbijwerkingscyclus verwerken maar
                           tijdens het aanmelden van de gebruiker.
                           Voorbeelden zijn gebruikersgerichte software-

                           installaties en mapomleiding.
                           Deze optie heeft geen effect wanneer er
                           geen uitbreidingen worden opgeroepen waarvoor

                           een afmelding nodig is.

/Boot                      Forceert opnieuw opstarten na het toepassen van de
                           groepsbeleidsinstellingen. Dit is noodzakelijk
                           voor de groepsbeleidsuitbreidingen bij de client
                           die beleidsinstellingen niet via een
                           achtergrondvernieuwingscyclus verwerken maar
                           tijdens het aanmelden van de gebruiker. Een
                           voorbeeld zijn computergerichte
                           software-installaties. Deze optie heeft geen
                           effect als er geen uitbreidingen worden
                           opgeroepen waarvoor een herstart nodig is.
/Sync                      Hierdoor wordt de volgende

                           voorgrondsbeleidstoepassing
                           synchroon uitgevoerd. Voorgrondsbeleidstoepassingen
                           komen tijdens het opstarten en de gebruikers-
                           aanmelding voor. U kunt dit per gebruiker,
                           computer, of voor beide tegelijk opgeven met de

                           parameter /Target.
                           De parameters /Force en /Wait worden genegeerd
                           indien dit is opgegeven.

 

GRAFTABL   (Version 6.1.7600.16385)

Enable Windows to display an extended character set in graphics mode.

GRAFTABL [xxx]
GRAFTABL /STATUS

   xxx      Specifies a code page number.
   /STATUS  Displays the current code page selected for use with GRAFTABL.

 

HELP   (Version 6.1.7600.16385)

Hiermee wordt Help-informatie over Windows-opdrachten weergegeven.

HELP [opdracht]

    opdracht - Help-informatie over deze opdracht weergeven.

 

HOSTNAME   (Version 6.1.7600.16385)

De naam van de huidige host weergeven.

hostnaam

 

ICACLS   (Version 6.1.7600.16385)

ICACLS naam /save ACL-bestand [/T] [/C] [/L] [/Q]
    Hiermee worden de DACL's voor de bestanden en mappen die overeenkomen
    met de naam, opgeslagen in ACL-bestand voor later gebruik met /restore.
    SACL's en eigenaars- of integriteitslabels worden niet opgeslagen.

ICACLS map [/substitute SidOud SidNieuw [...]] /restore ACL-bestand
           [/C] [/L] [/Q]
    Hiermee worden de opgeslagen DACL's op de map toegepast.

ICACLS naam /setowner gebruiker [/T] [/C] [/L] [/Q]
    Hiermee wordt de eigenaar van alle overeenkomende namen gewijzigd. Deze
    optie forceert geen wisseling van eigenaar. Gebruik hiervoor het 
    hulpprogramma Takeown.exe.

ICACLS naam /findsid Sid [/T] [/C] [/L] [/Q]
    Hiermee worden alle overeenkomende namen gezocht die een ACL bevatten
    waarin uitdrukkelijk een Sid wordt genoemd.

ICACLS naam /verify [/T] [/C] [/L] [/Q]
    Hiermee worden alle bestanden gezocht waarvoor de ACL niet in canonieke
    vorm is, of waarvan de lengtes inconsistent zijn met het aantal ACE's.

ICACLS naam /reset [/T] [/C] [/L] [/Q]
    Hiermee worden ACL's met standaard overgenomen ACL's vervangen voor
    alle overeenkomende bestanden.

ICACLS naam [/grant[:r] Sid:machtiging[...]]
       [/deny Sid:machtiging [...]]
       [/remove[:g|:d]] Sid[...]] [/T] [/C] [/L] [/Q]
       [/setintegritylevel Niveau:beleid[...]]

    /grant[:r] Sid: machtiging geeft de opgegeven toegangsrechten aan de
               gebruiker. Met :r vervangen de machtigingen alle eerdere
               uitdrukkelijk toegewezen machtigingen. Zonder :r worden
               de machtigingen aan alle eerdere uitdrukkelijk toegewezen
               machtigingen toegevoegd.

    /deny Sid:machtiging: weigert uitdrukkelijk de opgegeven toegangsrechten.
              Een ACE voor uitdrukkelijk weigeren wordt aan de opgegeven
              machtigingen toegevoegd, en dezelfde machtigingen in elke
              uitdrukkelijke toewijzing worden verwijderd.

    /remove[:[g|d]] Sid: verwijdert alle exemplaren van Sid in de ACL. Met
                    :g worden alle exemplaren van aan die Sid toegewezen
                    machtigingen verwijderd. Met :d worden alle aan die Sid
                    geweigerde machtigingen verwijderd.

    /setintegritylevel [(CI)(OI)] Niveau: voegt expliciet een integriteits-
                                 ACE aan alle overeenkomende bestanden toe.
                                 Het niveau kan een van deze waarden hebben:
                                     L[aag]
                                     M[edium]
                                     H[oog]
                                 Overernameopties voor de integriteits-ACE
                                 gaan mogelijk boven het niveau en kunnen
                                 alleen op mappen worden toegevoegd.

    /inheritance:e|d|r
        e - activeert overname.
        d - deactiveert overname en kopieert de ACE's.

        r - verwijdert alle overgenomen ACE's.


Opmerking:
    Sid's kunnen in numerieke vorm of als beschrijvende naam worden
    opgegeven. Als een numerieke vorm wordt opgegeven, dient u een *
    aan het begin van de Sid toe te voegen.

    /T geeft aan dat deze bewerking wordt uitgevoerd op alle overeenkomende
       bestanden/mappen onder de mappen die in de naam zijn opgegeven.

    /C geeft aan dat deze bewerking doorgaat bij alle bestandsfouten.
       Foutmeldingen worden nog steeds weergegeven.

    /L geeft aan dat deze bewerking op een symbolische koppeling in plaats
       van op het doel ervan wordt uitgevoerd.

    /Q geeft aan dat icacls berichten over geslaagde acties onderdrukt.

    ICACLS behoudt de canonieke volgorde van ACE-vermeldingen:
            Uitdrukkelijke weigeringen
            Uitdrukkelijke toewijzingen
            Overgenomen weigeringen
            Overgenomen toewijzingen

    machtiging is een masker voor machtigingen, en kan in één van twee
    manieren worden opgegeven:
        een volgorde van eenvoudige rechten:
                N - geen toegang
                F - volledige toegang
                M - wijzigen
                RX - lezen en uitvoeren
                R - alleen-lezen
                W - alleen-schrijven
                D - verwijderen
        een lijst met specifieke rechten tussen haakjes, met komma's als
        scheidingstekens:
                DE - verwijderen
                RC - leesbesturing
                WDAC - DAC schrijven
                WO - eigenaar schrijven
                S - synchroniseren
                AS - toegang tot systeembeveiliging
                MA - maximum toegestaan
                GR - algemeen lezen
                GW - algemeen schrijven
                GE - algemeen uitvoeren
                GA - algemeen alles
                RD - gegevens lezen, map weergeven
                WD - gegevens schrijven, bestand lezen
                AD - gegevens toevoegen, onderliggende map toevoegen
                REA - uitgebreide kenmerken lezen
                WEA - uitgebreide kenmerken schrijven
                X - uitvoeren/bladeren
                DC - onderliggend object verwijderen
                RA - kenmerken lezen
                WA - kenmerken schrijven
        overgenomen rechten kunnen voor beide manieren worden geplaatst, en
        worden alleen op mappen toegepast:
                (OI) - overnemen van object
                (CI) - overnemen van container
                (IO) - alleen overnemen
                (NP) - overnemen niet doorvoeren
                (I) - machtiging overgenomen van bovenliggende container

Voorbeelden:

        icacls c:\windows\* /save ACL-bestand /T
        - Hiermee worden de ACL's voor alle bestanden onder c:\windows
          inclusief de onderliggende mappen in ACL-bestand opgeslagen.

        icacls c:\windows\ /restore ACL-bestand
        - Hiermee worden de ACL's voor elk bestand in ACL-bestand dat bestaat
          in c:\windows en onderliggende mappen, teruggezet.

        icacls bestand /grant Administrator:(D,WDAC)
        - Hiermee worden aan de gebruiker Administrator de machtigingen
          Verwijderen en DAC schrijven voor het bestand toegewezen.

        icacls bestand /grant *S-1-1-0:(D,WDAC)
        - Hiermee worden aan de gebruiker met Sid S-1-1-0 de machtigingen
          Verwijderen en DAC schrijven voor het bestand toegewezen.

 

IF   (internal command)

Conditionele verwerking in batchprogramma's uitvoeren.

IF [NOT] ERRORLEVEL nummer opdracht
IF [NOT] tekenreeks1==tekenreeks2 opdracht
IF [NOT] EXIST bestandsnaam opdracht

  NOT                Bepaalt of Windows de opdracht alleen moet
                     uitvoeren als de toestand onwaar is.

  ERRORLEVEL nummer  Bepaalt een ware toestand als de laatste uitvoering van
                     het programma een exitcode heeft geretourneerd die 
                     gelijk is aan of groter dan het opgegeven nummer.

  tekenreeks1==tekenreeks2   Bepaalt een ware toestand als de opgegeven 
                             teksttekenreeksen overeenkomen.

  EXIST bestandsnaam Bepaalt een ware toestand als de opgegeven bestandsnaam
                     bestaat.

  opdracht           Bepaalt de opdracht die moet worden uitgevoerd als 
                     wordt voldaan aan de toestand. De opdracht kan worden
                     gevolgd door de opdracht ELSE die de opdracht na het
                     sleutelwoord ELSE zal uitvoeren als de opgegeven 
                     toestand ONWAAR is.

ELSE moet op dezelfde regel staan als de opdracht na de IF. Bijvoorbeeld:

    IF EXIST bestandsnaam. (
        del bestandsnaam.
    ) ELSE (
        echo bestandsnaam. ontbreekt.
    )

Het volgende voorbeeld zal NIET werken omdat de opdracht Del moet worden
afgesloten door een newline:

    IF EXIST bestandsnaam. del bestandsnaam. ELSE echo 
    bestandsnaam. ontbreekt

Het volgende voorbeeld werkt ook niet omdat de opdracht ELSE op dezelfde
regel moet staan als het einde van de opdracht IF:

    IF EXIST bestandsnaam. del bestandsnaam. ELSE echo 
    bestandsnaam. ontbreekt

Het volgende voorbeeld werkt als u alles op een regel wilt hebben:

    IF EXIST bestandsnaam. (del bestandsnaam.) ELSE echo 
    bestandsnaam. ontbreekt

Als de opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert IF als volgt:

    IF [/I] tekenreeks1 vergelijkingsoperator tekenreeks2 opdracht
    IF CMDEXTVERSION getal opdracht
    IF DEFINED variabele opdracht

waarbij de vergelijkingsoperator één van de volgende mogelijkheden kan zijn:

    EQL - is gelijk aan
    NEQ - is niet gelijk aan
    LSS - kleiner dan
    LEQ - kleiner dan of gelijk aan
    GTR - groter dan
    GEQ - groter dan of gelijk aan

De schakeloptie /I, indien opgegeven, geeft aan dat het vergelijken van 
reeksen niet hoofdlettergevoelig is. De optie /I kan ook gebruikt worden 
voor IF met tekenreeks1==tekenreeks2. Deze vergelijkingen zijn algemeen, 
omdat als tekenreeks1 en tekenreeks2 bestaat uit numerieke tekens, de 
tekenreeksen geconverteerd worden naar getallen en er een numerieke
vergelijking wordt uitgevoerd.

De voorwaarde CMDEXTVERSION werkt net als ERRORLEVEL, behalve dat het
vergelijkt met een intern versienummer dat verbonden is met de opdracht-
extensies. De eerste versie is 1 en wordt verhoogd met 1 als
belangrijke uitbreidingen worden toegevoegd aan de opdrachtextensies.
De voorwaarde CMDEXTVERSION is nooit waar als de opdrachtextensies
uitgeschakeld zijn.

De voorwaarde DEFINED werkt net als EXISTS behalve dat het de
naam van een omgevingsvariabele neemt en als waar retourneert als de
omgevingsvariabele is opgegeven.

%ERRORLEVEL% zal uitbreiden in een tekenreeksweergave van de huidige 
waarde van ERRORLEVEL, maar dit gebeurt alleen als er nog geen 
omgevingsvariabele ERRORLEVEL is. Als ERRORLEVEL reeds bestaat, krijgt 
u de waarde daarvan. Het volgende voorbeeld laat het gebruik van 
ERRORLEVEL zien, nadat een programma is uitgevoerd:

    goto answer%ERRORLEVEL%
    :answer0
    echo Programma heeft retourneercode 0
    :answer1
    echo Programma heeft retourneercode 1

U kunt ook de numerieke vergelijkingen hierboven gebruiken:

    IF %ERRORLEVEL% LEQ 1 goto okay

%CMDCMDLINE% zal uitbreiden in de oorspronkelijke opdrachtregel die
is doorgegeven aan CMD.EXE voordat verwerking door CMD.EXE is gestart,
maar dit gebeurt alleen als er nog geen omgevingsvariabele CMDCMDLINE
is. Als CMDCMDLINE reeds bestaat, krijgt u de waarde daarvan.

%CMDEXTVERSION% zal uitbreiden in een tekenreeksweergave van de huidige
waarde van CMDEXTVERSION, maar dit gebeurt alleen als er nog geen
omgevingsvariabele CMDEXTVERSION is. Als CMDEXTVERSION reeds bestaat,
krijgt u de waarde daarvan.

 

IFMEMBER

usage: IFMEMBER [/verbose] [/list] groupname ...
	/verbose will print out all matches.
	/list will print out all groups user is a member of.
	Return Code shows number of groups this user is a member of.
	Example: IFMEMBER /v /l "MyDomain\Domain Users" Users Everyone

 

IPCONFIG   (Version 6.1.7600.16385)

SYNTAXIS:
    ipconfig [/allcompartments] [/? | /all |
                                 /renew [adapter] | /release [adapter] |
                                 /renew6 [adapter] | /release6 [adapter] |
                                 /flushdns | /displaydns | /registerdns |
                                 /showclassid adapter |
                                 /setclassid adapter [classid] |
                                 /showclassid6 adapter |
                                 /setclassid6 adapter [classid] ]

waarbij geldt:
    adapter             Naam van de verbinding
                        (jokertekens * en ? toegestaan. Zie voorbeeld)

    Opties:
      /?                Deze helptekst weergeven.
      /all              Volledige configuratie-informatie weergeven.
      /release          Het IPv4-adres voor de opgegeven adapter vrijgeven.
      /release6         Het IPv6-adres voor de opgegeven adapter vrijgeven.
      /renew            Het IPv4-adres voor de opgegeven adapter vernieuwen.
      /renew6           Het IPv6-adres voor de opgegeven adapter vernieuwen.
      /flushdns         De DNS Resolver-cache leegmaken.
      /registerdns      Alle DHCP-leases vernieuwen en DNS-namen opnieuw
                        registreren.
      /displaydns       De inhoud van de DNS Resolver-cache weergeven.
      /showclassid      Alle voor de adapter toegestane DHCP-klasse-ID's
                        weergeven.
      /setclassid       De DHCP-klasse-ID wijzigen.
      /showclassid6     Alle IPv6 DHCP-klasse-ID's weergeven die voor de
                        adapter zijn toegestaan.
      /setclassid6      De IPv6 DHCP-klasse-ID wijzigen.


Standaard wordt alleen het IP-adres, subnetmasker en de standaardgateway voor
elke aan TCP/IP-gebonden adapter weergegeven.

Voor Release en Renew geldt dat als er geen adapternaam is opgegeven, de IP-
adresleases voor alle aan TCP/IP gebonden adapters worden vrijgegeven of
vernieuwd.

Voor Setclassid en Setclassid6 geldt dat als er geen klasse-id is opgegeven
de klasse-id wordt verwijderd.

Voorbeelden:
    > ipconfig                       ... Informatie weergeven
    > ipconfig /all                  ... Gedetailleerde informatie weergeven
    > ipconfig /renew                ... Alle adapters vernieuwen
    > ipconfig /renew EL*            ... Elke verbinding waarvan de naam met
                                         EL begint vernieuwen
    > ipconfig /release *Con*        ... Alle overeenkomende verbindingen
                                         vrijgeven, b.v.
                                         "Local Area Connection 1" of
                                         "Local Area Connection 2"
    > ipconfig /allcompartments      ... Informatie over alle onderdelen
                                         weergeven
    > ipconfig /allcompartments /all ... Gedetailleerde informatie over alle
                                         onderdelen weergeven

 

ISCSICLI   (Version 6.1.7601.17514)

Microsoft iSCSI-initiator, versie 6.1 Build 7601

iscsicli

iscsicli AddTarget <Doelnaam> <Doelalias> <Adres van doelportaal>
                   <Socket van doelportaal> <Doelvlaggen> <Persist>
                   <Vlaggen voor aanmelden> <Headerverwerking>
                   <Gegevensverwerking> <Maximum aantal verbindingen>
                   <Standaardtijd om te wachten>
                   <Standaardtijd om te bewaren> <Gebruikersnaam> <Wachtwoord>
                   <Verificatietype> <Aantal toewijzingen> <Doel-LUN>
                   <Bus besturingssysteem> <Doiscsicli RemoveTarget <doelnaam> 

iscsicli AddTargetPortal <Adres van doelportaal> <Socket van doelportaal>
                         [HBA Name] [Port Number]
                         <Beveiligingsvlaggen> <Vlaggen voor aanmelden>
                         <Headerverwerking> <Gegevensverwerking>
                         <Maximum aantal verbindingen>
                         <Standaardtijd om te wachten>
                         <Standaardtijd om te bewaren> <Gebruikersnaam>
                         <Wachtwoord> <Verificatietype>

iscsicli RemoveTargetPortal <Adres van doelportaal> <Socket van doelportaal>
                            [HBA Name] [Port Number]

iscsicli RefreshTargetPortal <Adres van doelportaal> <Socket van doelportaal>
                             [HBA Name] [Port Number]

iscsicli ListTargets [ForceUpdate]

iscsicli ListTargetPortals

iscsicli TargetInfo <doelnaam> [Discovery Mechanism]

iscsicli LoginTarget <Doelnaam> <ReportToPNP> <Adres van doelportaal>
                     <Socket van doelportaal> <Initiatorinstantie>
                     <Poortnummer> <Beveiligingsvlaggen>
                     <Vlaggen voor aanmelden> <Headerverwerking>
                     <Gegevensverwerking> <Maximum aantal verbindingen>
                     <Standaardtijd om te wachten>
                     <Standaardtijd om te bewaren> <Gebruikersnaam>
                     <Wachtwoord> <Verificatietype> <Sleutel>iscsicli LogoutTarget <Sessie-id>

iscsicli PersistentLoginTarget <Doelnaam> <ReportToPNP> <Adres van doelportaal>
                               <Socket van doelportaal> <Initiatorinstantie>
                               <Poortnummer> <Beveiligingsvlaggen>
                               <Vlaggen voor aanmelden> <Headerverwerking>
                               <Gegevensverwerking>
                               <Maximum aantal verbindingen>
                               <Standaardtijd om te wachten>
                               <Standaiscsicli ListPersistentTargets

iscsicli RemovePersistentTarget <Naam van initiator> <Doelnaam>
                                <Poortnummer>
                                <Adres van doelportaal>
                                <Socket van doelportaal>

iscsicli AddConnection <Sessie-id> <Initiatorinstantie>
                      <Poortnummer> <Adres van doelportaal>
                      <Socket van doelportaal> <Beveiligingsvlaggen>
                      <Vlaggen voor aanmelden> <Headerverwerking>
                      <Gegevensverwerking> <Maximum aantal verbindingen>
                      Standaardtijd om te wachten>
                      <Standaardtijd om te bewaren> <Gebruikersnaam>
                      <Wachtwoord> <Verificatietype> <Sleutel>

iscsicli RemoveConnection <Sessie-id> <Verbindings-id> 
iscsicli ScsiInquiry <Sessie-id> <LUN> <EvpdCmddt> <PageCode>

iscsicli ReadCapacity <Sessie-id> <LUN>

iscsicli ReportLUNs <Sessie-id>

iscsicli ReportTargetMappings

iscsicli ListInitiators

iscsicli AddiSNSServer <Adres van iSNS-server>

iscsicli RemoveiSNSServer <Adres van iSNS-server>

iscsicli RefreshiSNSServer <Adres van iSNS-server>

iscsicli ListiSNSServers

iscsicli FirewallExemptiSNSServer

iscsicli NodeName <knooppuntnaam>

iscsicli SessionList <sessie-info weergeven>

iscsicli CHAPSecret <CHAP-geheim>

iscsicli TunnelAddr <Naam van initiator> <Poort van initiator> <Doeladres>
                    <Tunneladres> <Persist>

iscsicli GroupKey <Sleutel> <Persist>

iscsicli BindPersistentVolumes

iscsicli BindPersistentDevices

iscsicli ReportPersistentDevices

iscsicli AddPersistentDevice <Pad naar volume of apparaat>

iscsicli RemovePersistentDevice <Pad naar volume of apparaat>

iscsicli ClearPersistentDevices

iscsicli Ping <Naam van initiator> <Adres> [Request Count] [Request Size]
              [Request Timeout]

iscsicli GetPSKey <Naam van initiator> <Poort van initiator> <Id-type> <Id>

iscsicli PSKey <Naam van initiator> <Poort van initiator>
               <Beveiligingsvlaggen> <Id-type> <Id> <Sleutel> <persist>
Snelle opdrachten

iscsicli QLoginTarget <Doelnaam>  [CHAP Username] [CHAP Password]

iscsicli QAddTarget <Doelnaam> <Adres van doelportaal>

iscsicli QAddTargetPortal <Adres van doelportaal>
                          [CHAP Username] [CHAP Password]

iscsicli QAddConnection <Sessie-id> <Initiatorinstantie>
                        <Adres van doelportaal>
                        [CHAP Username] [CHAP Password]

Doeltoewijzingen:
    <Doel-LUN> is de LUN-waarde die door het doel wordt gebruikt om de LUN
    zichtbaar te maken. Moet de indeling 0x0123456789abcdef hebben.
    <Bus besturingssysteem> is het busnummer dat het besturingssysteem moet
    gebruiken om de LUN zichtbaar te maken
    <Doel besturingssysteem> is het doelnummer dat het besturingssysteem moet
    gebruiken om de LUN zichtbaar te maken
    <LUN besturingssysteem> is het LUN-nummer dat het besturingssysteem moet
    gebruiken om de LUN zichtbaarType lading-id:
    ID_IPV4_ADDR is      1 - indeling van id is 1.2.3.4
    ID_FQDN is           2 - indeling van id is computernaam
    ID_IPV6_ADDR is      5 - indeling van id is IPv6-adres
Beveiligingsvlaggen:
    Tunnelmodus is             0x00000040
    Transportmodus is          0x00000020
    PFS ingeschakeld is        0x00000010
    Agressieve modus is        0x00000008
    Hoofdmodus is              0x00000004
    IPSEC/IKE ingeschakeld is  0x00000002
    Geldige vlaggen is         0x00000001

Vlaggen voor aanmelden:
    ISCSI_LOGIN_FLAG_REQUIRE_IPSEC                0x00000001
        IPsec is voor de bewerking vereist

    ISCSI_LOGIN_FLAG_MULTIPATH_ENABLED            0x00000002
        Multipath is voor het doel op deze initiator ingeschakeld

Verificatietype:
    ISCSI_NO_AUTH_TYPE = 0,
        Geen iSCSI in-band verificatie wordt gebruikt

    ISCSI_CHAP_AUTH_TYPE = 1,
        Eenrichtings-CHAP ('Doel verifieert initiator' wordt gebruikt)

    ISCSI_MUTUAL_CHAP_AUTH_TYPE = 2
        Wederzijdse CHAP ('Doel en initiator verifiÙren elkaar' wordt
        gebruikt)

Doelvlaggen:
    ISCSI_TARGET_FLAG_HIDE_STATIC_TARGET            0x00000002
        Als deze vlag is ingesteld, wordt het doel nooit gerapporteerd tenzij
        deze ook dynamisch wordt ontdekt.

    ISCSI_TARGET_FLAG_MERGE_TARGET_INFORMATION      0x00000004
        Als deze vlag is ingesteld, wordt de doorgegeven doelinformatie
        samengevoegd met alle doelinformatie die al statisch voor het doel is
        geconfigureerd

CHAP-geheimen, CHAP-wachtwoorden en vooraf-gedeelde IPsec-sleutels kunnen als
teksttekenreek of als een reeks van hexadecimale waarden worden opgegeven. De
waarde die op de opdrachtregel wordt opgegeven, wordt altijd gezien als een
tekenreeks, tenzij de eerste twee tekens '0x' zijn, waardoor het als
hexadecimale waarde wordt gezien.

Bijvoorbeeld: 0x12345678 is een geheim van 4 bytes

Alle numerieke waarden worden als decimaal gezien, tenzij deze door '0x'
worden voorafgegaan. Dan wordt de waarde als hexadecimaal gezien

iscsicli kan ook in de opdrachtregel worden uitgevoerd, waarbij de opdrachten
rechtstreeks in de console kunnen worden opgegeven. Voer 'iscicli' zonder
parameters uit als u de opdrachtregelmodus wilt starten

De bewerking is voltooid. 

 

JT   (Version 5.0.1994.1)

Microsoft (R) Task Scheduler Command Line Utility
Copyright (C) Microsoft Corp 1995-1998. All rights reserved.
This executable compiled as a retail build for the Windows NT Resource Kit.

usage: JT {[options]|[@commandfile]}

options:

  @ <file>           - parse file
  /? [cmd]           - display help on [cmd], e.g. /? abj
  !<cmd>             - don't stop if command returns error
  /ABJ               - abort task
  /CSAGE             - convert SAGE tasks to tasks (Win9x only)
  /CTJ [<props>]     - create trigger in task
  /DTJ [<id>]        - delete trigger <id> (default 0) from task
  /EJ [<n> [T|F]]    - edit task page <n>, persist changes T/f
  /ENC <id1> <id2>   - enumerator clone <id1> from <id2> (see SCE command)
  /ENN <id> <n>      - enumerate next <n> items (see SCE command)
  /ENR <id>          - enumerator reset (see SCE command)
  /ENS <id> <n>      - enumerator skip forward by <n> (see SCE command)
  /GC                - get credential account name
  /GM                - get target machine
  /ISJQ <file>       - test <file> to see if it is a task
  /LJ <file>         - load task object from <file>
  /PJ                - print all properties of task
  /PRJ [<n>]         - print next <n> or today's remaining run times of task
  /PSJ [<id>]        - print trigger strings of <id> or all in task
  /PTJ [<id>]        - print trigger props of <id> or all in task
  /RJ                - run task
  /SAC <file>        - scheduler activate task (load tasks\<file>)
  /SAJ <file>        - scheduler add task (save as tasks\<file>)
  /SC <acct> <pwd>   - set task credentials
  /SCE <id>          - scheduler create enumerator in slot <id>=0..9
  /SD <file>         - scheduler delete task (delete tasks\<file>)
  /SE [<n>] [P]      - scheduler enum tasks <n> at a time, [P]rint
  /SJ <props>        - set task's properties
  /SM [<machine>]    - set machine (NULL = local machine if omitted)
  /SNJ <file>        - scheduler new task (replaces in-memory task object)
  /STJ [id] props    - set properties of task trigger <id> or 0
  /SVJ [<file>]      - save task to <file>

   For detailed help use: JT /? <command-name>, e.g. JT /? LJ.

 

LABEL   (Version 6.1.7600.16385)

De volumenaam van een schijf maken, wijzigen of verwijderen

LABEL [station:][naam]
LABEL [/MP] [volume] [naam]

  station:        Geeft de stationsletter van een station aan.
  naam            Geeft de naam van het volume aan.
  /MP             Geeft aan dat het volume moet worden behandeld als
                  koppelpunt of als volumenaam.
  volume          Geeft het koppelpunt, de volumenaam of stationsletter
                  (gevolgd door een dubbele punt) aan. Als de volumenaam
                  is opgegeven, is de optie /MP niet nodig.

 

LODCTR   (Version 6.1.7600.16385)

LODCTR
    Hiermee worden registerwaarden van prestatiemeteritems bijgewerkt.

Syntaxis:
    LODCTR <Naam van INI-bestand>
        INI-FileName is de naam van het initialisatiebestand dat de definities
            van de tellernamen bevat, alsmede uitleg over een uitbreidbare
            teller-dll.

    LODCTR /S:<Naam van back-upbestand>
        de huidige perf-registertekenreeksen en -info opslaan in
        <Naam van back-upbestand>

    LODCTR /R:<Naam van back-upbestand>
        de perf-registertekenreeksen en -info terugzetten met behulp van <Naam van back-upbestand>

    LODCTR /R
        de perf-registertekenreeksen en -info helemaal opnieuw maken op basis
            van de huidige registerinstellingen en back-up-INI-bestanden.

    LODCTR /T:<Naam van service>
        de prestatiemeteritemservice instellen als vertrouwd.

    LODCTR /E:<Naam van service>
        de prestatiemeteritemservice inschakelen.

    LODCTR /D:<Naam van service>
        de prestatiemeteritemservice uitschakelen.

    LODCTR /Q

    LODCTR /Q:<Naam van service>
        een query uitvoeren op de prestatiemeteriteùservice-informatie, voor
        alle items of voor 1 item.

    LODCTR /M:<Metermanifest>
        XML-bestand met definitie van provider van Windows Vista-
        prestatiemeteritem installeren
            in systeemopslag.

Let op: argumenten met spaties in de naam moeten tussen dubbele
aanhalingstekens staan.

 

LOGEVENT

Function: Log an user event to EventLog registry.

Usage: logevent [-m \\MACHINENAME] [-s Severity] [-c CategoryNumber] 
	[-r Source] [-e EventID] [-t TimeOut] "Event Text"
	Severity is one of (S)uccess, (I)nformation, (W)arning,
			   (E)rror or (F)ailure.
	Source is a string (can be quoted) for the event's source.
	EventID is an integer for the event's Event ID (0-65535).
	TimeOut is the number of seconds the system waits before exit.

Default values:
	If -s isn't specified, default is "Information".
	If -c isn't specified, default is 0.
	If -r isn't specified, default is "User Event".
	If -e isn't specified, default is 1.
	If -t isn't specified, default is 60000.

Example:
	logevent -m \\server -s E -c 3 -r "User Event" -e 42 
	"My message."

Note:
	Names that include space characters must be enclosed 
	in double quotes.

 

LOGMAN   (Version 6.1.7601.17514)

Microsoft © Logman.exe (6.1.7601.17514)

Syntaxis:
  LOGMAN [create|query|start|stop|delete|update|import|export] [opties]

Werkwoorden:
  create                        Een nieuwe gegevensverzamelaar maken.
  query                         Eigenschappen van gegevensverzamelaar zoeken.
                                Als geen naam wordt opgegeven, worden alle
                                gegevensverzamelaars weergegeven.
  start                         Een bestaande gegevensverzamelaar starten en
                                de begintijd instellen op handmatig.
  stop                          Een bestaande gegevensverzamelaar stoppen en
                                de eindtijd instellen op handmatig.
  delete                        Een bestaande gegevensverzamelaar verwijderen.
  update                        De eigenschappen van een bestaande
                                gegevensverzamelaar bijwerken.
  import                        Een gegevensverzamelaarset uit een
                                XML-bestand importeren
  export                        Een gegevensverzamelaarset naar een
                                XML-bestand exporteren.

Bijwoorden:
  counter                       Een gegevensverzamelaar voor items maken.
  trace                         Een gegevensverzamelaar voor tracering maken.
  alert                         Een gegevensverzamelaar voor waarschuwingen
                                maken.
  cfg                           Een gegevensverzamelaar voor configuraties
                                maken.
  providers                     Geregistreerde providers weergeven.

Opties (counter):
  -c <path [path [...]]>        Te verzamelen prestatiemeteritems.
  -cf <bestandsnaam>            Een bestand met te verzamelen
                                prestatiemeteritems, één per regel.
  -f <bin|bincirc|csv|tsv|sql>  De logboekindeling voor de
                                gegevensverzamelaar. Voor de
                                SQL-database-indeling moet u de optie -o
                                gebruiken in de opdrachtregel met de optie
                                DNS!log. De standaard is binair.
  -sc <waarde>                  Maximum aantal voorbeelden dat met een
                                gegevensverzamelaar voor prestatiemeteritems
                                moet worden verzameld.
  -si <[[hh:]mm:]ss>            Voorbeeldinterval voor gegevensverzamelaars
                                van prestatiemeteritems.

Opties (trace):
  -f <bin|bincirc|csv|tsv|sql>  De logboekindeling voor de
                                gegevensverzamelaar. Voor de
                                SQL-database-indeling moet u de optie -o
                                gebruiken in de opdrachtregel met de optie
                                DNS!log. De standaard is binair.
  -mode <trace_mode>            De logboekregistratiemodus voor
                                gebeurtenistraceersessies. Ga voor meer
                                informatie naar -
                                http://go.microsoft.com/fwlink/?LinkID=136464
  -ct <perf|system|cycle>       De klokresolutie die moet worden gebruikt bij
                                het registreren van het tijdstempel voor elke
                                gebeurtenis. U kunt gebruikmaken van het
                                queryprestatiemeteritem, de systeemtijd of de
                                processorcyclus.
  -ln <logger_name>             De naam van het logboek voor
                                gebeurtenistraceersessies.
  -ft <[[hh:]mm:]ss>            Timer voor het wissen van
                                gebeurtenistraceersessies.
  -[-]p <provider [flags [level]]> Een gebeurtenistraceerprovider die moet
                                worden ingeschakeld. De termen 'Flags' en
                                'Keywords' zijn in deze context synoniem.
  -pf <bestandsnaam>            Een bestand met verschillende
                                gebeurtenistraceerproviders die moeten worden
                                
                                ingeschakeld.
  -[-]rt                        De gebeurtenistraceersessie in de real-time
                                modus uitvoeren.
  -[-]ul                        De gebeurtenistraceersessie in de
                                gebruikersmodus uitvoeren.
  -bs <waarde>                  De buffergrootte voor de
                                gebeurtenistraceersessie in kB.
  -nb <min max>                 Het aantal buffers voor de
                                gebeurtenistraceersessie.

Opties (alert):
  -[-]el                        Gebeurtenislogboekregistratie in- of
                                uitschakelen.
  -th <threshold [threshold [...]]> Items en hun drempelwaarden voor
                                waarschuwing opgeven.
  -[-]rdcs <name>               Gegevensverzamelaarset die moet worden
                                gestart bij waarschuwing.
  -[-]tn <task>                 Taak die moet worden uitgevoerd bij
                                waarschuwing.
  -[-]targ <argument>           Taakargumenten.
  -si <[[hh:]mm:]ss>            Voorbeeldinterval voor gegevensverzamelaars
                                van prestatiemeteritems.

Opties (cfg):
  -[-]ni                        Query voor netwerkinterface in- of
                                uitschakelen.
  -reg <path [path [...]]>      Te verzamelen registerwaarden.
  -mgt <query [query [...]]>    Te verzamelen WMI-objecten.
  -ftc <path [path [...]]>      Volledig pad naar de te verzamlen bestanden.

Opties:
  -?                            Contextgevoelige Help weergeven.
  -s <computer>                 De opdracht op de opgegeven externe computer
                                uitvoeren.
  -config <bestandsnaam>        Instellingenbestand met opdrachtopties.
  [-n] <name>                   Naam van het doelobject.
  -pid <pid>                    Proces-id.
  -xml <bestandsnaam>           Naam van het xml-bestand dat moet worden
                                geïmporteerd of geëxporteerd.
  -as                           De gevraagde bewerking asynchroon uitvoeren.
  -[-]u <user [password]>       De gebruiker waarvoor de bewerking moet
                                worden uitgevoerd. Als * voor het wachtwoord
                                wordt ingevoerd, wordt naar een wachtwoord
                                gevraagd. Het wachtwoord wordt niet
                                weergegeven als u het achter de prompt opgeeft.
  -m <[start] [stop]>           Een handmatige begin- of eindtijd gebruiken
                                in plaats van een geplande begin- of eindtijd.
  -rf <[[hh:]mm:]ss>            De gegevensverzamelaar gedurende de opgegeven
                                tijd uitvoeren.
  -b <dd-MM-yyyy HH:mm:ss'>     De gegevensverzamelaar op een bepaalde tijd
                                starten.
  -e <dd-MM-yyyy HH:mm:ss'>     De gegevensverzamelaar op een bepaalde tijd
                                beëindigen.
  -o <path|dsn!log>             Het pad van het uitvoerlogboekbestand of de
                                DSN en logboeksetnaam in een SQL-database.
                                Het standaardpad is
                                %systemdrive%\PerfLogs\Admin.
  -[-]r                         De gegevensverzamelaar dagelijks op de
                                opgegeven begin- en eindtijden herhalen.
  -[-]a                         Aan een bestaand logboekbestand toevoegen.
  -[-]ow                        Een bestaand logboekbestand overschrijven
  -[-]v <nnnnnn|mmddhhmm>       Bestandsversiegegevens aan het einde van de
                                logboeknaam toevoegen.
  -[-]rc <task>                 De opgegeven opdracht uitvoeren wanneer het
                                logboek wordt gesloten.
  -[-]max <waarde>              De maximale logboekbestandgrootte in MB of
                                het aantal records voor SQL-logboeken.
  -[-]cnf <[[hh:]mm:]ss>        Een nieuw bestand maken wanneer de opgegeven
                                tijd is verstreken of wanneer de maximale
                                grootte is overschreden.
  -y                            Alle antwoorden zonder te vragen met ja
                                beantwoorden.
  -fd                           Alle actieve buffers van een bestaande
                                gebeurtenistraceersessie leegmaken en de
                                gegevens naar schijf wegschrijven.
  -ets                          Opdrachten zonder opslaan of plannen
                                rechtstreeks naar gebeurtenistraceersessies
                                verzenden.

Opmerking:
  Waar [-] staat, wordt bij een extra - de optie geannuleerd.
  Bijvoorbeeld: --u heft de optie -u op.

Meer informatie:
  Microsoft TechNet - http://go.microsoft.com/fwlink/?LinkID=136332

Voorbeelden:
  logman start perf_log
  logman update perf_log -si 10 -f csv -v mmddhhmm
  logman create counter perf_log -c "\Processor(_Total)\% Processor Time"
  logman create counter perf_log -c "\Processor(_Total)\% Processor Time" -max 10 -rf 01:00
  logman create trace trace_log -nb 16 256 -bs 64 -o c:\logfile
  logman create alert new_alert -th "\Processor(_Total)\% Processor Time>50"
  logman create cfg cfg_log -reg "HKEY_LOCAL_MACHINE\SOFTWARE\Microsoft\Windows NT\CurrentVersion\\"
  logman create cfg cfg_log -mgt "root\cimv2:SELECT * FROM Win32_OperatingSystem"
  logman query providers
  logman query providers Microsoft-Windows-Diagnostics-Networking
  logman start process_trace -p Microsoft-Windows-Kernel-Process 0x10 win:Informational -ets
  logman start usermode_trace -p "Service Control Manager Trace" -ul -ets
  logman query usermode_trace -p "Service Control Manager Trace" -ul -ets
  logman stop usermode_trace -p "Service Control Manager Trace" -ul -ets
  logman start process_trace -p Microsoft-Windows-Kernel-Process -mode newfile -max 1 -o output%d.etl -ets
  logman start "NT Kernel Logger" -o log.etl -ets
  logman start "NT Kernel Logger" -p "Windows Kernel Trace" (process,thread) -ets

 

LOGOFF

Command-line logoff utility version 1.00.
Copyright Microsoft Corporation 1997.  All rights reserved.

LOGOFF [/F] [/N]


  Logoff, by default(using no switches), will ask for user confirmation
  and prompt to save unsaved data.

  /F,/f	 Forces running processes to close, but will ask for user confirmation.
       	 The user will NOT be asked to save unsaved data.
  /N,/n	 User will be logged-off without confirmation, however the user
       	 will be prompted to save unsaved data.

 

MAKECAB   (Version 6.1.7600.16385)

Cabinet Maker - Lossless Data Compression Tool

MAKECAB [/V[n]] [/D var=value ...] [/L dir] source [destination]
MAKECAB [/V[n]] [/D var=value ...] /F directive_file [...]

  source         File to compress.
  destination    File name to give compressed file.  If omitted, the
                 last character of the source file name is replaced
                 with an underscore (_) and used as the destination.
  /F directives  A file with MakeCAB directives (may be repeated). Refer to
                 Microsoft Cabinet SDK for information on directive_file.
  /D var=value   Defines variable with specified value.
  /L dir         Location to place destination (default is current directory).
  /V[n]          Verbosity level (1..3).

 

MANAGE-BDE   (Version 6.1.7601.17514)

BitLocker-stationsversleuteling: configuratieprogrammaversie 6.1.7601
Copyright (C) Microsoft Corporation. Alle rechten voorbehouden.

manage-bde[.exe] -parameter [argumenten]

Beschrijving:
    Hiermee wordt BitLocker-stationsversleuteling op schijfvolumes
    geconfigureerd.

Parameterlijst:
    -status     Hiermee wordt informatie weergegeven over volumes met
                BitLocker-mogelijkheden.
    -on         Hiermee wordt het volume versleuteld en BitLocker-beveiliging
                ingeschakeld.
    -off        Hiermee wordt het volume ontsleuteld en wordt
                BitLocker-beveiliging uitgeschakeld.
    -pause      Hiermee wordt versleuteling of ontsleuteling onderbroken.
    -resume     Hiermee wordt versleuteling of ontsleuteling hervat.
    -lock       Hiermee blokkeert u de toegang tot gegevens die met BitLocker
                zijn versleuteld.
    -unlock     Hiermee wordt toegang verleend tot gegevens die met BitLocker
                zijn versleuteld.
    -autounlock Hiermee beheert u de automatische ontgrendeling van
                gegevensvolumes.
    -protectors Hiermee beheert u de beveiligingsmethoden voor de
                versleutelingssleutel.
    -tpm        Hiermee wordt TPM (Trusted Platform Module) van de computer
                geconfigureerd.
    -SetIdentifier of -si
                Hiermee wordt het veld Id voor een volume geconfigureerd.
    -ForceRecovery of -fr
                Hiermee forceert u tijdens opnieuw opstarten het herstel van
                een besturingssysteem dat met BitLocker is beveiligd.
    -changepassword
                Hiermee wijzigt u het wachtwoord voor een gegevensvolume.
    -changepin  Hiermee wordt de pincode voor een volume gewijzigd.
    -changekey  Hiermee wordt de opstartsleutel voor een volume gewijzigd.
    -upgrade    Hiermee wordt de BitLocker-versie bijgewerkt.
    -ComputerName of -cn
                Wordt uitgevoerd op een andere computer. Voorbeelden:
                'ComputerX', '127.0.0.1'
    -? of /?    Hiermee geeft u korte Help-informatie weer. Voorbeeld:
                '-ParameterSet -?'
    -Help of -h Hiermee geeft u de volledige Help weer. Voorbeeld:
                '-ParameterSet -h'

Voorbeelden:
    manage-bde -status
    manage-bde -on C: -RecoveryPassword -RecoveryKey F:\
    manage-bde -unlock E: -RecoveryKey F:\84E151C1...7A62067A512.bek

 

MD   (internal command)

Een nieuwe map maken.

MKDIR [station:]pad
MD [station:]pad

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert MKDIR als volgt:

MKDIR maakt alle tussenliggende mappen in het pad, indien nodig.
Bijvoorbeeld: neem aan dat \a niet bestaat, dan is de opdracht:

    mkdir \a\b\c\d

hetzelfde als:

    mkdir \a
    chdir \a
    mkdir b
    chdir b
    mkdir c
    chdir c
    mkdir d

Dit is wat u moet typen als de extensies zijn uitgeschakeld.

 

MEM

Displays the amount of used and free memory in your system.

MEM [/PROGRAM | /DEBUG | /CLASSIFY]

  /PROGRAM or /P   Displays status of programs currently loaded in memory.
  /DEBUG or /D     Displays status of programs, internal drivers, and other
                   information.
  /CLASSIFY or /C  Classifies programs by memory usage. Lists the size of
                   programs, provides a summary of memory in use, and lists
                   largest memory block available.

 

MKDIR   (internal command)

Een nieuwe map maken.

MKDIR [station:]pad
MD [station:]pad

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert MKDIR als volgt:

MKDIR maakt alle tussenliggende mappen in het pad, indien nodig.
Bijvoorbeeld: neem aan dat \a niet bestaat, dan is de opdracht:

    mkdir \a\b\c\d

hetzelfde als:

    mkdir \a
    chdir \a
    mkdir b
    chdir b
    mkdir c
    chdir c
    mkdir d

Dit is wat u moet typen als de extensies zijn uitgeschakeld.

 

Hiermee kunt u een symbolische koppeling maken.

MKLINK [[/D] | [/H] | [/J]] Koppeling Doel

        /D         Een symbolische mapkoppeling maken. Standaardinstelling
                   is een symbolische bestandskoppeling.
        /H         Een harde koppeling in plaats van een symbolische
                   koppeling maken.
        /J         Een mapsplitsing maken.
        Koppeling  De naam van de nieuwe symbolische koppeling.
        Doel       Het pad (relatief of absoluut) waarnaar de nieuwe
                   koppeling verwijst.

 

MODE   (Version 6.1.7600.16385)

Systeemapparaten configureren.

Seriële poort:         MODE COMm[:] [BAUD=b] [PARITY=p] [DATA=d] [STOP=s]
                                    [to=on|off] [xon=on|off] [odsr=on|off]
                                    [octs=on|off] [dtr=on|off|hs]
                                    [rts=on|off|hs|tg] [idsr=on|off]

Apparaatstatus:        MODE [apparaat] [/STATUS]

Afdrukken herleiden:   MODE LPTn[:]=COMm[:]

Codetabel selecteren:  MODE CON[:] CP SELECT=yyy

Status codetabel:      MODE CON[:] CP [/STATUS]

Weergavemodus:         MODE CON[:] [COLS=c] [LINES=n]

Typematic-ratio:       MODE CON[:] [RATE=r DELAY=d]

 

MORE   (Version 6.1.7600.16385)

Uitvoer scherm voor scherm weergeven.

MORE [/E [/C] [/P] [/S] [/Tn] [+n]] < [station:][pad]bestandsnaam
opdrachtnaam | MORE [/E [/C] [/P] [/S] [/Tn] [+n]]
MORE /E [/C] [/P] [/S] [/Tn] [+n] [bestanden]

    [station:][pad]bestandsnaam  Geeft een bestand op dat scherm voor
                                 scherm moet worden weergegeven.

    opdrachtnaam                 Een opdracht waarvan de
                                 uitvoer wordt weergegeven.

    /E             Schakelt uitgebreide kenmerken in
    /C             Wist scherm voordat pagina wordt weergegeven
    /P             Breidt FormFeedtekens uit
    /S             Van meerdere witregels wordt één regel gemaakt
    /Tn            Breidt tabs uit tot n spaties (standaard 8)

                   U kunt schakelopties opgeven in de omgevingsvariabele
                   MORE.

    +n             Geef het eerste bestand weer op regel n

    bestanden      Lijst van bestanden die moeten worden weergegeven.
                   Bestanden in de lijst worden door witruimtes gescheiden.

    Als uitgebreide kenmerken zijn ingeschakeld, zijn de volgende
    extra opdrachten toegestaan:

    P n            Geeft volgende n regels weer
    S n            Slaat volgende n regels over
    F              Geeft volgende bestand weer
    Q              Stoppen
    =              Geeft regelnummer weer
    ?              Geeft Help-regel weer
    <spatiebalk>   Geeft volgende pagina weer
    <enter>        Geeft volgende regel weer

 

MOUNTVOL   (Version 6.1.7600.16385)

Maakt, verwijdert of geeft een volumekoppelingspunt weer.

MOUNTVOL [station:]pad volumenaam
MOUNTVOL [station:]pad /D
MOUNTVOL [station:]pad /L
MOUNTVOL [station:]pad  /P
MOUNTVOL /R
MOUNTVOL /N
MOUNTVOL /E

    pad         Bepaalt in welke bestaande NTFS-map het koppelpunt zich
                bevindt.
    volumenaam  Bepaalt de volumenaam die het doel is van het koppelpunt.
    /D          Verwijdert het volumekoppelpunt uit de opgegeven map.
    /L          Geeft de naam van het gekoppelde volume weer voor de opgegeven
                map.
    /P          Verwijdert het volumekoppelpunt uit de opgegeven map,
                ontkoppelt het volume, en maakt het volume niet-koppelbaar.
                U kunt het volume weer koppelbaar maken door een
                volumekoppelpunt te maken
    /R          Verwijdert de volumekoppelpunten van mappen en
                registerinstellinegen van volumes die niet meer in het systeem
                aanwezig zijn
    /N          Schakelt het automatisch koppelen van nieuwe volumes uit.
    /E          Schakelt het automatisch koppelen van nieuwe volumes weer in.

Mogelijke waarden voor de volumenaam bij gebruik van de huidige koppelpunten:

    \\?\Volume{e536b8c0-ed40-11e1-9bb9-806e6f6e6963}\
        *** Geen koppelpunten ***

    \\?\Volume{e536b8c1-ed40-11e1-9bb9-806e6f6e6963}\
        C:\

    \\?\Volume{e536b8c2-ed40-11e1-9bb9-806e6f6e6963}\
        D:\

    \\?\Volume{e536b8c5-ed40-11e1-9bb9-806e6f6e6963}\
        E:\

 

MOVE   (internal command)

Bestanden verplaatsen en bestanden en mappen een nieuwe naam geven.

Als u één of meer bestanden wilt verplaatsen:
MOVE [/Y | /-Y] [staton:][pad]bestandsnaam1[,...] doel

Als u een map een nieuwe naam wilt geven:
MOVE [/Y | /-Y] [station:][pad]mapnaam1 mapnaam2

  [station:][pad]bestandsnaam1
			  Bepaalt de locatie en naam van bestand of bestanden
			  die u wilt verplaatsen.
  doel                    Bepaalt de nieuwe locatie van het bestand. Doel kan
			  bestaan uit een stationsletter en dubbele punt, een
			  mapnaam of een combinatie hiervan. Als u slechts
			  één bestand verplaatst, kunt u ook een bestandsnaam
			  opgeven als u het bestand een nieuwe naam wilt geven
			  tijdens het verplaatsen.
  [station:][pad]mapnaam1 Bepaalt de map die u een nieuwe naam wilt geven.
  mapnaam2                Bepaalt de nieuwe naam van de map.

  /Y                      Onderdrukt vragen om bevestiging als u een bestaand
			  doelbestand wilt overschrijven.
  /-Y                     Vragen om bevestiging als u een bestaand doelbestand
			  wilt overschrijven.

De schakeloptie /Y kan aanwezig zijn in de omgevingsvariabele COPYCMD.
Dit kan worden onderdrukt door /-Y op de opdrachtregel. Standaard wordt
gevraagd om bevestiging bij overschrijven tenzij de opdracht MOVE wordt
uitgevoerd vanuit een batchscript.

 

MRINFO   (Version 6.1.7600.16385)

Syntaxis: mrinfo [-n?] [-i adres] [-t sec.] [-r pogingen] doel
       
 -n           IP-adres in numerieke indeling weergeven
 -i adres     Adres van lokale interface om query aan te verzenden
 -t sec.      Time-out in seconden voor IGMP-query's (standaard = 3 sec.) 
 -r pogingen  Aantal extra pogingen om de SNMP-query's te verzenden
              (standaard = 0)         
 -?           Help afdrukken
 doel         Adres of naam van doel

 

NBTSTAT   (Version 6.1.7600.16385)

Protocolstatistieken en actieve TCP/IP-verbindingen weergeven die NBT
gebruiken (NetBIOS over TCP/IP).

NBTSTAT [-a Externe naam] [-A IP-adres] [-c] [-n]
        [-r] [-R] [-s] [-S] [interval] ]

  -a   (adapter status) Geeft de naamtabel van de externe computer weer met 
                        de naam ervan
  -A   (Adapter status) Geeft de naamtabel van de externe computer weer met
                        het IP-adres ervan.
  -c   (cache)          Geeft de NBT-cache van externe (computer-)namen en 
                        de IP-adressen weer
  -n   (names)          Geeft de lokale NETBIOS-namen weer
  -r   (resolved)       Geeft namen weer die door broadcast zijn omgezet en
                        WINS
  -R   (Reload)         Wist de tabel met externe cachenamen en laadt deze
                        opnieuw
  -S   (Sessions)       Geeft sessietabel weer met de doel-IP-adressen
  -s   (sessions)       Geeft sessietabel weer en converteert de
                        doel-IP-adressen naar computer-NETBIOS-namen
  -RR  (ReleaseRefresh) Verzendt Naamrelease-pakketten naar WINS en start 
                        daarna Vernieuwen

  Externe naam          Computernaam van de externe host
  IP-adres              Decimale weergave (met punten) van het IP-adres.
  interval              Geeft geselecteerde statistieken steeds opnieuw weer,
                        met een tussenpauze van interval seconden. Druk op
                        CTRL+C om het weergeven van statistieken te beëindigen.

 

NET   (Version 6.1.7600.16385)

De syntaxis van deze opdracht is:

NET
    [ ACCOUNTS | COMPUTER | CONFIG | CONTINUE | FILE | GROUP | HELP |
      HELPMSG | LOCALGROUP | PAUSE | SESSION | SHARE | START |
      STATISTICS | STOP | TIME | USE | USER | VIEW ]

 

NETCFG   (Version 6.1.7601.17514)

netcfg [-v] [-e] [-winpe] [-l <volledig-pad-naar-INF-van-onderdeel>]
-c <p|s|c> -i <comp-id>

   -winpe   Hiermee installeert u TCP/IP, NetBIOS en Microsoft Client voor de
            Windows Voorinstallatieomgeving
    -l	Hiermee geeft u de locatie van INF op
    -c	Hiermee geeft u de klasse op van het onderdeel dat wordt
            geïnstalleerd (p == Protocol, s == Service, c == Client)
    -i	Hiermee geeft u de id van het onderdeel op

    De argumenten moeten in de weergegeven volgorde worden doorgegeven.

    Voorbeelden:
    netcfg -l c:\oemdir\foo.inf -c p -i foo
     ...Hiermee installeert u het protocol 'foo' met c:\\oemdir\\foo.inf

    netcfg -c s -i MS_Server
     ...Hiermee installeert u de service MS_Server

OF

netcfg [-v] -winpe
    Voorbeelden:
    netcfg -v -winpe
    ...Hiermee installeert u TCP/IP, NetBIOS en Microsoft Client voor de
    Windows Voorinstallatieomgeving

OF

netcfg [-v] -q <comp-id>
    Voorbeeld:
    netcfg -q MS_IPX
    ...Hiermee wordt weergegeven of het onderdeel MS_IPX is geïnstalleerd

OF

netcfg [-v] [-e] -u <comp-id>
    Voorbeeld:
    netcfg -u MS_IPX
    ...Hiermee wordt het onderdeel MS_IPX verwijderd

OF

netcfg [-v] -s <a|n>
    waarbij
    -s\thet type aangeeft van de onderdelen die moeten worden weergegeven
      \ta == adapters, n == netonderdelen
    Voorbeelden:
    netcfg -s n
    ...Hiermee worden alle geïnstalleerde netonderdelen weergegeven

OF

netcfg [-v] -b <comp-id>
    Voorbeelden:
    netcfg -b ms_tcpip
    ...Hiermee worden bindingspaden weergegeven die MS_TCPIP bevatten


Algemene opmerkingen:\n"
  -v	Uitvoeren in uitgebreide (gedetailleerde) modus
  -e	Omgevingsvariabelen voor services gebruiken tijdens het installeren en
      verwijderen
  ?	Deze Help-informatie weergeven

 

NETSH   (Version 6.1.7600.16385)

Syntaxis: NETSH [-a Alias-bestand] [-c Context] [-r Externe computer] 
[-u [Domeinnaam\]Gebruikersnaam] [-p Wachtwoord | *]

                [Opdracht | -f scriptbestand]

De volgende opdrachten zijn beschikbaar:

Opdrachten in deze context:
?              - Een lijst met opdrachten weergeven.
add            - Een configuratievermelding aan een lijst met vermeldingen
                 toevoegen.
advfirewall    - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh advfirewall.
bridge         - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh bridge.
delete         - Een configuratievermelding uit een lijst met vermeldingen
                 verwijderen.
dhcpclient     - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh dhcpclient.
dnsclient      - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh dnsclient.
dump           - Een configuratiescript weergeven.
exec           - Een scriptbestand uitvoeren.
firewall       - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh firewall.
help           - Een lijst met opdrachten weergeven.
http           - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh http.
interface      - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh interface.
ipsec          - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh ipsec.
lan            - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh lan.
mbn            - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh mbn.
namespace      - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh namespace.
nap            - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh nap.
netio          - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh netio.
p2p            - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh p2p.
ras            - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh ras.
rpc            - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh rpc.
set            - Configuratie-instellingen bijwerken.
show           - Gegevens weergeven.
trace          - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh trace.
wcn            - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh wcn.
wfp            - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh wfp.
winhttp        - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh winhttp.
winsock        - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh winsock.
wlan           - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh wlan.

De volgende subcontexten zijn beschikbaar:
 advfirewall bridge dhcpclient dnsclient firewall http interface ipsec lan mbn namespace nap netio p2p ras rpc trace wcn wfp winhttp winsock wlan

Voor Help-informatie bij een opdracht, typt u de opdracht, gevolgd door een 
spatie en vervolgens ?.

 

NETSTAT   (Version 6.1.7600.16385)

Protocolstatistieken en de actieve TCP/IP-netwerkverbindingen weergeven.

NETSTAT [-a] [-b] [-e] [-f] [-n] [-o] [-p proto] [-r] [-s] [-t] [interval]

  -a            Geeft alle verbindingen en luisterende poorten weer.
  -b            Hiermee wordt het uitvoerbaar bestand weergegeven dat is
                betrokken bij het maken van elke verbinding of poort voor
                luisteren. In sommige gevallen worden meerdere onafhankelijke
                onderdelen door bekende uitvoerbare bestanden gehost en in
                deze gevallen wordt de serie onderdelen die betrokken zijn
                bij het maken van de verbinding of poort voor luisteren
                opgegeven. In dit geval wordt de naam van het uitvoerbaar
                bestand tussen haken [] onderaan weergegeven, daarboven het
                onderdeel dat wordt aangeroepen, enzovoort totdat TCP/IP is
                bereikt. Deze optie neemt veel tijd in beslag en mislukt
                tenzij u de benodigde machtigingen hebt.
  -e            Ethernet-statistieken weergeven. Dit kan worden
                gecombineerd worden met de optie -s.
  -f            Hiermee worden FQDN-namen voor externe adressen weergegeven.
  -n            Geeft adressen en poortnummers als getallen weer.
  -o            Geeft de proces-id weer die bij elke verbinding hoort.
  -p proto      Geeft de verbindingen voor het protocol weer. proto
                kan staan voor: TCP, UDP, TCPv6 of UDPv6. Als deze optie wordt
                gebruikt met de optie -s om de statistieken per protocol
                weer te geven, kan proto staan voor:
                IP, IPv6, ICMP, ICMPv6, TCP, TCPv6, UDP of UDPv6.
  -r            Geeft de routeringstabel weer.
  -s            Geeft statistieken per protocol weer. Standaard
                worden de statistieken weergegeven voor IP, IPv6, ICMP,
                ICMPv6, TCP, TCPv6, UDP en UDPv6; de optie -p kan worden
                gebruikt om een specifiek protocol op te geven.
  -t            Hiermee wordt de offload-status van de huidige verbinding
                weergegeven.
  interval      Geeft de geselecteerde gegevens om de x aantal
                seconden weer (x is de intervalwaarde). Druk op
                CTRL+C om te stoppen met het weergeven van de
                gegevens. Als u geen intervalwaarde opgeeft, worden
                de gegevens over de actieve configuratie één keer
                weergeven.

 

NLSFUNC

Loads country-specific information.

NLSFUNC [[drive:][path]filename]

  [drive:][path]filename   Specifies the file containing country-specific
                           information.

 

NLTEST   (Version 6.1.7601.17514)

Syntaxis: nltest [/OPTIES]


    /SERVER:<Servernaam> - Geef <Servernaam> op

    /QUERY - Query <Servernaam> netlogon-service
    /REPL - Forceer partiële sync op <Servernaam> BDC
    /SYNC - Forceer volledige sync op <Servernaam> BDC
    /PDC_REPL - Forceer UAS wijzigingsbericht van <Servernaam> PDC

    /SC_QUERY:<Domeinnaam> - Query beveiligd kanaal voor <Domein> op
              <Servernaam>
    /SC_RESET:<Domeinnaam>[\<DcNaam>] - Stel beveiligd kanaal opnieuw in voor
              <Domein> op <Servernaam> op <DcNaam>
    /SC_VERIFY:<Domeinnaam> - Verifieer beveiligd kanaal voor <Domein> op
               <Servernaam>
    /SC_CHANGE_PWD:<Domeinnaam> - Wijzig een wachtwoord voor een beveiligd
                   kanaal voor <Domein> op <Servernaam>
    /DCLIST:<Domeinnaam> - Haal lijst op van DC's voor <Domeinnaam>
    /DCNAME:<Domeinnaam> - Haal de PDC-naam op voor <Domeinnaam>
    /DSGETDC:<Domeinnaam> - Aanroep van DsGetDcName /PDC /DS /DSP /GC /KDC
        /TIMESERV /GTIMESERV /WS /NETBIOS /DNS /IP /FORCE /WRITABLE /AVOIDSELF
        /LDAPONLY /BACKG /DS_6 /TRY_NEXT_CLOSEST_SITE
        /SITE:<Sitenaam> /ACCOUNT:<Accountnaam> /RET_DNS /RET_NETBIOS
    /DNSGETDC:<Domeinnaam> - Aanroep van DsGetDcOpen/Next/Close /PDC /GC
        /KDC /WRITABLE /LDAPONLY /FORCE /SITESPEC
    /DSGETFTI:<Domeinnaam> - Aanroep van DsGetForestTrustInformation
        /UPDATE_TDO
    /DSGETSITE - Aanroep van DsGetSiteName
    /DSGETSITECOV - Aanroep van DsGetDcSiteCoverage
    /DSADDRESSTOSITE:[Computernaam] - Aanroep van DsAddressToSiteNamesEx
        /ADDRESSES:<Adres1,Adres2,...>
    /PARENTDOMAIN - Haal de naam op van het bovenliggende domein van deze
                    computer
    /WHOWILL:<Domein>* <Gebruiker> [<Iteratie>] - Kijk of <Domein> <Gebruiker>
             aanmeldt
    /FINDUSER:<Gebruiker> - Kijk welk vertrouwd domein <Gebruiker> aanmeldt
    /TRANSPORT_NOTIFY - Meld aan netlogon dat er nieuwe overdracht is

    /DBFLAG:<Hexvlaggen> - Nieuwe foutopsporingsvlag

    /USER:<Gebruikersnaam> - Query gebruikersinfo op <Servernaam>

    /TIME:<Hex LSL> <Hex MSL> - Converteer NT GMT-tijd naar ascii
    /LOGON_QUERY - Query aantal cumulatieve aanmeldpogingen
    /DOMAIN_TRUSTS - Query domeinvertrouwensrelaties op <Servernaam>
        /PRIMARY /FOREST /DIRECT_OUT /DIRECT_IN /ALL_TRUSTS /V
    /DSREGDNS - Forceer registratie van alle DC-specifieke DNS-records
    /DSDEREGDNS:<DnsHostName> - Maak registratie ongedaan van DC-specifieke
                DNS-records voor opgegeven DC /DOM:<DnsDomeinnaam>
                /DOMGUID:<DomeinGuid> /DSAGUID:<DsaGuid>
    /DSQUERYDNS - Query de status van de meest recente update voor alle
                  DC-specifieke DNS-records

    /BDC_QUERY:<Domeinnaam> - Query replicatiestatus van BDC's voor
                              <Domeinnaam>

    /LIST_DELTAS:<Bestandsnaam> - geef de inhoud weer van betreffende
                                  wijzigingslogboekbestand

    /CDIGEST:<Bericht> /DOMAIN:<Domeinnaam> - Haal verwerking van client op
    /SDIGEST:<Bericht> /RID:<RID in hex> - Haal serververwerking op

    /SHUTDOWN:<Reden> [<Seconden>] - Sluit <Servernaam> af vanwege <Reden>
    /SHUTDOWN_ABORT - Breek afsluiten van systeem af

 

NSLOOKUP   (Version 6.1.7601.17514)

Syntaxis:
   nslookup [-opt ...]             # interactieve modus met behulp van
                                     standaardserver
   nslookup [-opt ...] - server    # interactieve modus met behulp van
                                     <server>
   nslookup [-opt ...] host        # host opzoeken met behulp van
                                     standaardserver
   nslookup [-opt ...] host server # <host> opzoeken met behulp van
                                     <server>

 

OPENFILES   (Version 6.1.7600.16385)

OPENFILES /parameter [argumenten]

Beschrijving:
    Hiermee kunt u instellen dat een administrator bestanden en mappen kan weergeven en    verbindingen daarmee kan verbreken
    die op een computer zijn geopend.

Parameterlijst:
    /Disconnect      Hiermee wordt de verbinding met één of meer open
                     bestanden verbroken.

    /Query           Lokaal geopende of bestanden in gedeelde mappen
                     weergeven.

    /Local           Lokale open bestanden weergeven in- of uitschakelen.

    /?               Dit helpbericht weergeven.

Voorbeelden:
    OPENFILES /Disconnect /?
    OPENFILES /Query /?
    OPENFILES /Local /?

 

PATH   (internal command)

Een zoekpad voor uitvoerbare bestanden weergeven of instellen.

PATH [[station:]pad[;...][;%PATH%]
PATH ;

Typ PATH ; om alle zoekpadinstellingen te wissen en cmd.exe alleen in de 
actieve map te laten zoeken.
Typ PATH zonder parameters om het actieve pad weer te geven.
Het opnemen van %PATH% in de nieuwe padinstelling leidt ertoe dat
het oude pad wordt toegevoegd aan de nieuwe instelling.

 

PATHPING   (Version 6.1.7600.16385)

Syntaxis: pathping [-g hostlijst] [-h maximum aantal hops] [-i adres] [-n]
                   [-p periode] [-q aantal query's] [-w time-out]
                   [-4] [-6] doelnaam

Opties:

    -g hostlijst           Losse bronroute langs hostlijst
    -h maximum aantal hops  Maximum aantal hops om te zoeken naar doel
    -i adres                Opgegeven bronadres gebruiken
    -n                      Adressen niet omzetten in hostnamen
    -p periode              Wachttijd tussen pings (in milliseconden)
    -q aantal query's       Aantal query's per hop
    -w time-out             Time-out voor elk antwoord (in milliseconden)
    -4                      Forceren met IPv4
    -6                      Forceren met IPv6

 

PAUSE   (internal command)

De uitvoering van een batchbestand uitstellen en de volgende melding 
weergeven:
  Druk op een toets om verder te gaan . . . 

 

PING   (Version 6.1.7600.16385)

Syntaxis: ping [-t] [-a] [-n aantal] [-l grootte] [-f] [-i TTL] [-v TOS]
               [-r aantal] [-s aantal] [[-j hostlijst] | [-k hostlijst]]
               [-w time-out] [-R] [-S srcaddr] [-4] [-6] bestemmingsnaam

Opties:
    -t             De opgegeven host pingen totdat het pingen wordt
                   afgebroken.
                   Typ CTRL-Break om de statistieken te zien en door te gaan.
                   Typ CTRL-C om te stoppen.
    -a             Adressen in hostnamen omzetten.
    -n aantal      Aantal te verzenden echo-aanvragen.
    -l grootte     Grootte van de verzendbuffer.
    -f             Vlag met het kenmerk Niet fragmenteren instellen
                   (alleen IPv4).
    -i TTL         Time to live (tijd).
    -v TOS         Servicetype (alleen IPv4. Deze vlag is alleen voor
                   achterwaartse compatibiliteit. Het instellen hiervan heeft
                   geen invloed op de TOS in de ip-header).
    -r aantal      Route opslaan voor aantal hops (alleen IPv4).
    -s aantal      Tijd weergeven voor aantal hops (alleen IPv4).
    -j hostlijst   Niet-strikte bronroute langs lijst met hosts (alleen IPv4).
    -k hostlijst   Strikte bronroute langs lijst met hosts (alleen IPv4).
    -w time-out    Time-out in milliseconden voor ieder antwoord.
    -R             Gebruik routeringsheader om de omgekeerde route ook te
                   testen.
    -S srcaddr     Te gebruiken bronadres (alleen IPv6).
    -4             Gebruik van IPv4 afdwingen.
    -6             Gebruik van IPv6 afdwingen.

 

PNPUTIL   (Version 6.1.7600.16385)

Microsoft PnP-hulpprogramma
Syntaxis:
------
pnputil.exe [-f | -i] [ -? | -a | -d | -e ] <Naam van INF-bestand> 
Voorbeelden:
pnputil.exe -a a:\usbcam\USBCAM.INF      -> Pakket, opgegeven door USBCAM.INF, toevoegen
pnputil.exe -a c:\drivers\*.inf          -> Alle pakketten in c:\drivers\ toevoegen
pnputil.exe -i -a a:\usbcam\USBCAM.INF   -> Stuurprogrammapakket toevoegen en installeren
pnputil.exe -e                           -> Alle pakketten van derden inventariseren
pnputil.exe -d oem0.inf                  -> Pakket oem0.inf verwijderen
pnputil.exe -f -d oem0.inf               -> Pakket oem0.inf geforceerd verwijderen
pnputil.exe -?                           -> Deze help weergeven

 

POPD   (internal command)

Schakelt naar de map die is opgeslagen met de opdracht PUSHD.

POPD


Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, zal de opdracht POPD
elke tijdelijke stationsletter verwijderen die is gemaakt
met PUSHD als u met POPD dat station van de pushed-mapstack
verwijdert.

 

PORTQRY

Displays the state of TCP and UDP ports.

PortQry Usage:
PORTQRY -n server [-p protocol] [-e || -r || -o endpoint(s)] 
        [-l logfile] [-s] [-i] [-q]

Where:
	-n [server] IP address or name of server to query
	-p [protocol] TCP or UDP or BOTH (default is TCP)
	-e [endpoint] single port to query (valid range: 1-65535)
	-r [end point range] range of ports to query (start:end)
	-o [end point order] range of ports to query in an order (x,y,z)
	-l [logfile] name of log file to create
	-s 'slow link delay' waits longer for UDP replies from remote systems
	-i by-passes default IP address-to-name lookup
           ignored unless an IP address is specified after -n
	-q 'quiet' operation runs with no output
           returns 0 if port is listening 		
           returns 1 if port is not listening
           returns 2 if port is listening or filtered

Notes:
        PortQry runs on Windows 2000 and later
        Defaults: TCP, port 80, no log file, slow link delay off
        Hit Ctrl-c to terminate prematurely

examples:
portqry -n myserver.com -e 25
portqry -n 10.0.0.1 -e 53 -p UDP -i
portqry -n host1.dev.reskit.com -r 21:445
portqry -n 10.0.0.1 -o 25,445,1024 -p both

 

POWERCFG   (Version 6.1.7600.16385)

POWERCFG <opties voor opdrachtregel>
Beschrijving:
  Met dit opdrachtregelhulpprogramma kunnen gebruikers de
  energie-instellingen voor een systeem beheren.

Parameterlijst:
  -LIST, -L   Geeft alle energiebeheerschema's voor de huidige gebruiker weer.

              Syntaxis: POWERCFG -LIST

  -QUERY, -Q  Geeft de inhoud van het opgegeven energiebeheerschema weer.

              Syntaxis: POWERCFG -QUERY <SCHEMA_GUID> <SUB_GUID>

              <SCHEMA_GUID> (optioneel), bepaalt dat de GUID van het energie-
                             schema wordt weergegeven. Kan worden verkregen
                             via powercfg -l.
              <SUB_GUID> (optioneel), bepaalt dat de GUID van de subgroep
                             wordt weergegeven. Hiervoor moet SCHEME_GUID
                             zijn opgegeven.

              Als zowel SCHEME_GUID als SUB_GUID niet zijn opgegeven, worden
              de instellingen voor het actieve energieschema van de huidige
              gebruiker weergegeven.
              Als SUB_GUID niet is opgegeven, worden alle instellingen voor
              het opgegeven energieschema weergegeven.

  -CHANGE, -X Wijzigt de waarde van een instelling in het actieve
              energiebeheerschema.

              Syntaxis: POWERCFG -X <INSTELLING> <WAARDE>

              <INSTELLING> is een van de volgende opties:
               -monitor-timeout-ac <minuten>
               -monitor-timeout-dc <minuten>
               -disk-timeout-ac <minuten>
               -disk-timeout-dc <minuten>
               -standby-timeout-ac <minuten>
               -standby-timeout-dc <minuten>
               -hibernate-timeout-ac <minuten>
               -hibernate-timeout-dc <minuten>

              Voorbeeld:
              POWERCFG -Change -monitor-timeout-ac 5

              Hiermee wordt de time-outwaarde van een niet actief beeldscherm
              op 5 minuten ingesteld, indien op netstroom.

  -CHANGENAME Hiermee wordt de naam van een energieschema en optioneel de
              beschrijving ervan gewijzigd.

              Syntaxis: POWERCFG -CHANGENAME <GUID> <naam> <schemabeschrijving>

              Als de beschrijving wordt weggelaten, wordt alleen de naam
              gewijzigd.

  -DUPLICATESCHEME 
              Het opgegeven energieschema dupliceren. De GUID als
              resultaat hiervan wordt weergegeven.

              Syntaxis: POWERCFG -DUPLICATESCHEME <GUID> <doel-GUID>

              <GUID> is een schema-GUID die wordt verkregen via powercfg -l.

              Als <doel-GUID> wordt weggelaten, wordt een nieuwe GUID
              voor het gedupliceerde schema gemaakt.

  -DELETE, -D Het energieschema met de opgegeven GUID verwijderen.

              Syntaxis: POWERCFG -DELETE <GUID>

              <GUID> wordt verkregen via schakeloptie LIST.

  -DELETESETTING
              Hiermee wordt een energie-instelling verwijderd.

              Syntaxis: POWERCFG -DELETESETTING <SUB_GUID> <INSTELLING_GUID> 

              <SUB_GUID>      Bepaalt de GUID van de subgroep.
              <INSTELLING_GUID>  Bepaalt de GUID van de energie-instelling.

  -SETACTIVE, -S 
              Het opgegeven energieschema op de computer activeren.

              Syntaxis: POWERCFG -SETACTIVE <SCHEMA_GUID>

              <SCHEMA_GUID>  Bepaalt de GUID van het schema.

  -GETACTIVESCHEME
              Het huidige actieve energieschema ophalen.

              Syntaxis: POWERCFG -GETACTIVESCHEME

  -SETACVALUEINDEX
              Een waarde instellen voor een bepaalde energie-instelling
              als het systeem op wisselstroom werkt.

              Syntaxis: POWERCFG -SETACVALUEINDEX <SCHEMA_GUID> <SUB_GUID>
                                               <INSTELLING_GUID> <Instellingsindex>

              <SCHEMA_GUID>   Bepaalt een GUID voor een energiebeheerschema
                              en kan worden verkregen via 'PowerCfg /L'.
              <SUB_GUID>      Bepaalt een subgroep van de energie-instelling-
                              GUID en kan worden verkregen via 'PowerCfg /Q'.
              <INSTELLING_GUID> Bepaalt een afzonderlijke energie-instelling-
                              GUID en kan worden verkregen via 'PowerCfg /Q'.
              <Instellingsindex> Bepaalt op welke waarde uit de lijst deze
                              energie-instelling wordt ingesteld.

              Voorbeeld:
                  POWERCFG -SetAcValueIndex <GUID> <GUID> <GUID> 5
                  De wisselstroomwaarde voor de energie-instelling op de
                  vijfde waarde in de lijst met mogelijke waarden instellen.

  -SETDCVALUEINDEX
              Een waarde instellen voor een bepaalde energie-instelling
              als het systeem op gelijkstroom werkt.

              Syntaxis: POWERCFG -SETDCVALUEINDEX <SCHEMA_GUID> <SUB_GUID>
                                               <INSTELLING_GUID> <Instellingsindex>
              <SCHEMA_GUID>   Bepaalt een GUID voor een energiebeheerschema
                              en kan worden verkregen via 'PowerCfg /L'.
              <SUB_GUID>      Bepaalt een subgroep van de energie-instelling-
                              GUID en kan worden verkregen via 'PowerCfg /Q'.
              <INSTELLING_GUID> Bepaalt een afzonderlijke energie-instelling-
                              GUID en kan worden verkregen via 'PowerCfg /Q'.
              <Instellingsindex> Bepaalt op welke waarde uit de lijst deze
                              energie-instelling wordt ingesteld.

              Voorbeeld:
                  POWERCFG -SetDcValueIndex <GUID> <GUID> <GUID> 5
                  De gelijkstroomwaarde voor de energie-instelling op de
                  vijfde waarde in de lijst met mogelijke waarden instellen.

  -HIBERNATE, -H
              Sluimerstand in- of uitschakelen. Time-out voor sluimerstand
              is ondersteund op alle systemen.

              Gebruik: POWERCFG -H <ON|OFF>
                     POWERCFG -H -Size <Percentage>
              -Size  Hiermee wordt de gewenste grootte van het sluimerstand-
                     bestand opgegeven als percentage van het totale geheugen.
                     De standaardgrootte kan niet kleiner dan 50 zijn. Met
                     deze schakeloptie wordt het sluimerstandbestand ook
                     automatisch ingeschakeld.

  -AVAILABLESLEEPSTATES, -A  
              De op het systeem beschikbare slaapstanden.
              Redenen geven waarom slaapstanden niet beschikbaar zijn.

  -DEVICEQUERY
              Retourneert een lijst met apparaten die aan de opgegeven
              criteria voldoet.

              Syntaxis: POWERCFG -DEVICEQUERY <queryvlaggen>

              <queryvlaggen>  Bepaalt een van de volgende criteria:

              wake_from_S1_supported  Retourneer alle apparaten die inschakelen
                                      na een lichte slaapstand ondersteunen.
              wake_from_S2_supported  Retourneer alle apparaten die inschakelen
                                      na een diepe slaapstand ondersteunen.
              wake_from_S3_supported  Retourneer alle apparaten die inschakelen
                                      na de diepste slaapstand ondersteunen.
              wake_from_any           Retourneer alle apparaten die inschakelen
                                      na elk type slaapstand ondersteunen.
              S1_supported            Lijst met apparaten die lichte
                                      slaapstand ondersteunen
              S2_supported            Lijst met apparaten die diepe
                                      slaapstand ondersteunen
              S3_supported            Lijst met apparaten die diepste
                                      slaapstand ondersteunen
              S4_supported            Lijst met apparaten die sluimerstand
                                      ondersteunen.
              wake_programmable       Lijst met apparaten weergeven die door
                                      de gebruiker kunnen worden
                                      geconfigureerd voor het inschakelen van
                                      het systeem na een slaapstand.
              wake_armed              Lijst met apparaten weergeven die zijn
                                      geconfigureerd voor het inschakelen van
                                      het systeem na elk type slaapstand.
              all_devices             Retourneert alle apparaten die in het
                                      systeem aanwezig zijn.
              all_devices_verbose     Retourneert uitgebreide lijst met
                                      apparaten.
              Voorbeeld:
                  POWERCFG -DEVICEQUERY wake_armed

  -DEVICEENABLEWAKE
              Het apparaat kan de computer in een slaapstand laten komen.

              Syntaxis: POWERCFG -DEVICEENABLEWAKE <apparaatnaam>

              <apparaatnaam>  Bepaalt een apparaat dat is verkregen via
                              'PowerCfg -DEVICEQUERY wake_programmable'.

              Voorbeeld:
                  POWERCFG -DEVICEENABLEWAKE
                                       Microsoft USB IntelliMouse Explorer

  -DEVICEDISABLEWAKE <apparaatnaam> Het apparaat kan het systeem niet uit de
              Het apparaat kan de computer niet uit slaapstand laten komen

              Syntaxis: POWERCFG -DEVICEDISABLEWAKE 

              <apparaatnaam>  Bepaalt een apparaat dat is verkregen via
                              'PowerCfg -DEVICEQUERY wake_armed'.

  -IMPORT     Importeert alle energie-instellingen uit het opgegeven bestand.

              Syntaxis: POWERCFG -IMPORT <bestandsnaam> <GUID> 

              <bestandsnaam>  Een volledig pad naar een bestand dat is
                          gegenereerd via parameter 'PowerCfg -EXPORT'.
              <GUID>      (optioneel) De instellingen worden in een energie-
                          beheerschema met deze GUID geladen. Indien niet
                          opgegeven, wordt met powercfg een nieuwe GUID
                          gemaakt, die vervolgens zal worden gebruikt.

              Voorbeeld:
                  POWERCFG -IMPORT c:\scheme.pow

  -EXPORT     Exporteert het energieschema met de opgegeven GUID naar het
              opgegeven bestand.

              Syntaxis: POWERCFG -EXPORT <bestandsnaam> <GUID> 

              <bestandsnaam>  Een volledig pad naar een doelbestand.
              <GUID>      Bepaalt een GUID voor een energiebeheerschema en kan
                          worden verkregen via 'PowerCfg /L'.

              Voorbeeld:
                  POWERCFG -EXPORT c:\scheme.pow
                                   381b4222-f694-41f0-9685-ff5bb260df2e

  -LASTWAKE   Geeft informatie over waarom de computer uit de laatste
              slaapstand is gekomen

  -HELP, -? Geeft informatie weer over parameters op opdrachtregel.

  -ALIASES    De aliassen en bijbehorende GUID's weergeven.
              De gebruiker kan deze aliassen gebruiken in plaats van elke
              GUID op de opdrachtregel.

  -SETSECURITYDESCRIPTOR
              Een security descriptor instellen die bij een energie-instelling,
              energiebeheerschema of actie hoort.

              Syntaxis: POWERCFG -SETSECURITYDESCRIPTOR <GUID|ACTIE> <SDDL>

              <GUID>       Bepaalt een GUID voor een energiebeheerschema of
                           energie-instelling.
              <ACTIE>      Kan een van deze tekenreeksen zijn:
                           ActionSetActive, ActionCreate, ActionDefault
              <SDDL>       Geeft een geldige security descriptor in SDDL-
                           indeling op. Met POWERCFG -GETSECURITYDESCRIPTOR
                           krijgt u een voorbeeld van een SDDL-tekenreeks.

  -GETSECURITYDESCRIPTOR
              Een security descriptor verkrijgen die bij een energie-
              instelling, energiebeheerschema of actie hoort.

              Syntaxis: POWERCFG -GETSECURITYDESCRIPTOR <GUID|ACTIE> 
              <GUID>       Bepaalt een GUID voor een energiebeheerschema of
                           energie-instelling.
              <ACTIE>      Kan een van deze tekenreeksen zijn:
                           ActionSetActive, ActionCreate, ActionDefault

  -REQUESTS
              Hiermee kunt u energieaanvragen van toepassingen en
              stuurprogramma's inventariseren.
              Met energieaanvragen wordt voorkomen dat de computer het
              beeldscherm automatisch uitschakelt of de slaapstand voor laag
              energieverbruik instelt. 

  -REQUESTSOVERRIDE
              Hiermee stelt u een energieaanvraag in voor een proces, service,
              of stuurprogramma. Als er geen parameters zijn opgegeven, wordt
              met deze opdracht de huidige lijst met vervangende
              energieaanvragen weergegeven.

              Syntaxis: POWERCFG -REQUESTSOVERRIDE <TYPE_AANROEPER> <NAAM>
                        <AANVRAAG>
              <TYPE_AANROEPER>    Hiermee kunt u een van de volgende aanroeper-
                               typen opgeven: PROCESS, SERVICE, DRIVER. U kunt                               deze lijst verkrijgen door de opdracht POWERCFG
                              -REQUESTS op te geven.
              <NAAM>           Hiermee geeft u de naam van de aanroeper op. 
                               Dit is de naam die wordt geretourneerd wanneer
                               de opdracht POWERCFG -REQUESTS wordt gebruikt.
              <AANVRAAG>       Hiermee kunt u een of meer van de volgende
              typen energieaanvragen opgeven: Display, System, Awaymode.
              Voorbeeld:
                  POWERCFG -REQUESTSOVERRIDE PROCESS wmplayer.exe Display
                  System

  -ENERGY
              Het systeem analyseren op algemene problemen met
              energiezuinigheid en resterende accutijd.
              De opdracht ENERGY moet worden gebruikt als de computer niet
              actief is en er geen programma's of documenten geopend zijn.
              Met de opdracht ENERGY wordt een HTML-rapportbestand 
              gegenereerd in het huidige pad. Voor de opdracht ENERGY worden
              de volgende optionele parameters ondersteund:

              Syntaxis: POWERCFG -ENERGY [-OUTPUT <FILENAME>] [-XML]
                                      [-DURATION: <SECONDEN>]
                     POWERCFG -ENERGY -TRACE [-D: <BESTANDSPAD>]
                                             [-DURATION: <SECONDEN>]
              -OUTPUT: <BESTANDSNAAM>  - Geef het pad en de bestandsnaam op
                                     voor het HTML-bestand met het
                                     energierapport.
              -XML                 - Het rapportbestand opmaken in XML.
              -TRACE               - Het systeemgedrag vastleggen en geen
                                     analyse uitvoeren. De traceringsbestanden
                                     gegenereerd in het huidige pad tenzij de
                                     parameter -D is opgegeven.
              -D: <BESTANDSPAD>    - De map voor de traceringsgegevens opgeven.
                                     Kan alleen worden gebruikt met de
                                     parameter  -TRACE.
              -DURATION: <SECONDEN> - Het aantal seconden opgeven dat het
                                     systeemgedrag moet worden geobserveerd. De
                                     standaardwaarde is 60 seconden.
  -WAKETIMERS
              Actieve activeringstimers inventariseren. Als deze optie
              is ingeschakeld, wordt het systeem bij het verlopen van een
              activeringstimer uit de slaap- of sluimerstand gehaald.

 

PRINT   (Version 6.1.7600.16385)

Een tekstbestand afdrukken.

PRINT [/D:apparaat] [[station:][pad]bestandsnaam[...]]

   /D:apparaat Een afdrukapparaat.

 

PROMPT   (internal command)

De opdrachtprompt cmd.exe wijzigen.

PROMPT [tekst]

  tekst   Bepaalt een nieuwe prompt.

De prompt kan uit gewone tekens en uit de volgende codes bestaan:

  $A  & (en-teken)
  $B  | (sluissymbool)
  $C  ( (Haakje openen)
  $D  Huidige datum
  $E  Escape-teken (ASCII-code 27)
  $F  ) (Haakje sluiten)
  $G  > ('groter dan'-teken)
  $H  Backspace (wist voorgaand teken)
  $L  < ('kleiner dan'-teken)
  $N  Huidig station
  $P  Huidig station en pad
  $Q  = ('is gelijk'-teken)
  $S    (spatie)
  $T  Huidige tijd
  $V  Windows-versienummer
  $_  Naar begin volgende regel
  $$  $ (dollarteken)

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, ondersteunt de opdracht
PROMPT de volgende extra indelingstekens:

  $+   nul of meer plustekens (+), afhankelijk van de diepte van de
       PUSHD-mapstack. Een teken voor elk niveau dat wordt
       gepushed.

  $M   Geeft de externe naam weer die is gekoppeld aan de huidige
       stationsletter of de lege tekenreeks als het huidige station
       geen netwerkstation is.

 

PSEXEC   (Version 1.98.0.0)

PsExec v1.98 - Execute processes remotely
Copyright (C) 2001-2010 Mark Russinovich
Sysinternals - www.sysinternals.com

PsExec executes a program on a remote system, where remotely executed console
applications execute interactively.

Usage: psexec [\\computer[,computer2[,...] | @file]][-u user [-p psswd][-n s][-l][-s|-e][-x][-i [session]][-c [-f|-v]][-w directory][-d][-<priority>][-a n,n,...] cmd [arguments]
     -a         Separate processors on which the application can run with
                commas where 1 is the lowest numbered CPU. For example,
                to run the application on CPU 2 and CPU 4, enter:
                "-a 2,4"
     -c         Copy the specified program to the remote system for
                execution. If you omit this option the application
                must be in the system path on the remote system.
     -d         Don't wait for process to terminate (non-interactive).
     -e         Does not load the specified account's profile.
     -f         Copy the specified program even if the file already
                exists on the remote system.
     -i         Run the program so that it interacts with the desktop of the
                specified session on the remote system. If no session is
                specified the process runs in the console session.
     -h         If the target system is Vista or higher, has the process
                run with the account's elevated token, if available.
     -l         Run process as limited user (strips the Administrators group
                and allows only privileges assigned to the Users group).
                On Windows Vista the process runs with Low Integrity.
     -n         Specifies timeout in seconds connecting to remote computers.
     -p         Specifies optional password for user name. If you omit this
                you will be prompted to enter a hidden password.
     -s         Run the remote process in the System account.
     -u         Specifies optional user name for login to remote
                computer.
     -v         Copy the specified file only if it has a higher version number
                or is newer on than the one on the remote system.
     -w         Set the working directory of the process (relative to
                remote computer).
     -x         Display the UI on the Winlogon secure desktop (local system
                only).
     -priority	Specifies -low, -belownormal, -abovenormal, -high or
                -realtime to run the process at a different priority. Use
                -background to run at low memory and I/O priority on Vista.
     computer   Direct PsExec to run the application on the remote
                computer or computers specified. If you omit the computer
                name PsExec runs the application on the local system, 
                and if you specify a wildcard (\\*), PsExec runs the
                command on all computers in the current domain.
     @file      PsExec will execute the command on each of the computers listed
                in the file.
     program    Name of application to execute.
     arguments  Arguments to pass (note that file paths must be
                absolute paths on the target system).

You can enclose applications that have spaces in their name with
quotation marks e.g. psexec \\marklap "c:\long name app.exe".
Input is only passed to the remote system when you press the enter
key, and typing Ctrl-C terminates the remote process.

If you omit a user name the process will run in the context of your
account on the remote system, but will not have access to network
resources (because it is impersonating). Specify a valid user name
in the Domain\User syntax if the remote process requires access
to network resources or to run in a different account. Note that
the password is transmitted in clear text to the remote system.

Error codes returned by PsExec are specific to the applications you
execute, not PsExec.

 

PSFILE   (Version 1.2.0.0)

psfile v1.02 - psfile
Copyright © 2001 Mark Russinovich
Sysinternals

PsFile lists or closes files opened remotely.

Usage: PSFILE [\\RemoteComputer [-u Username [-p Password]]] [[Id | path] [-c]]
     -u        Specifies optional user name for login to
               remote computer.
     -p        Specifies password for user name.
     Id        Id of file to print information for or close.
     Path      Full or partial path of files to match.
     -c        Closes file identified by file Id.
Omitting a file identifier has PsFile list all files opened remotely.

 

PSGETSID   (Version 1.44.0.0)

PsGetSid v1.44 - Translates SIDs to names and vice versa
Copyright (C) 1999-2008 Mark Russinovich
Sysinternals - www.sysinternals.com


Usage: PSGETSID [\\computer[,computer2[,...] | @file] [-u Username [-p Password]]] [account | SID]
     -u         Specifies optional user name for login to
                remote computer.
     -p         Specifies optional password for user name. If you omit this
                you will be prompted to enter a hidden password.
     account    PsGetSid will report the SID for the specified user account
                rather than the computer.
     SID        PsGetSid will report the account for the specified SID.
     computer   Direct PsGetSid to perform the command on the remote
                computer or computers specified. If you omit the computer
                name PsGetSid runs the command on the local system, 
                and if you specify a wildcard (\\*), PsGetSid runs the
                command on all computers in the current domain.
     @file      PsGetSid will execute the command on each of the computers listed
                in the file.

 

PSINFO   (Version 1.77.0.0)

PsInfo v1.77 - Local and remote system information viewer
Copyright (C) 2001-2009 Mark Russinovich
Sysinternals - www.sysinternals.com

PsInfo returns information about a local or remote Windows NT/2000/XP system.

Usage: psinfo [-h] [-s] [-d] [-c [-t delimiter]] [filter] [\\computer[,computer[,..]]|@file [-u Username [-p Password]]]
     -u        Specifies optional user name for login to
               remote computer.
     -p        Specifies password for user name.
     -h        Show installed hotfixes.
     -s        Show installed software.
     -d        Show disk volume information.
     -c        Print in CSV format
     -t        The default delimiter for the -c option is a comma,
               but can be overriden with the specified character. Use
               "\t" to specify tab.
     filter    Psinfo will only show data for the field matching the filter.
               e.g. "psinfo service" lists only the service pack field.
     computer  Direct PsInfo to perform the command on the remote
               computer or computers specified. If you omit the computer
               name PsInfo runs the command on the local system, 
               and if you specify a wildcard (\\*), PsInfo runs the
               command on all computers in the current domain.
     @file     PsInfo will run against the computers listed in the file
               specified.

 

PSKILL   (Version 1.15.0.0)

PsKill v1.15 - Terminates processes on local or remote systems
Copyright (C) 1999-2012  Mark Russinovich
Sysinternals - www.sysinternals.com

Usage: pskill [-t] [\\computer [-u username [-p password]]] <process ID | name>
     -t    Kill the process and its descendants.
     -u    Specifies optional user name for login to
           remote computer.
     -p    Specifies optional password for user name. If you omit this
           you will be prompted to enter a hidden password.

 

PSLIST   (Version 1.30.0.0)

pslist v1.3 - Sysinternals PsList
Copyright (C) 2000-2012 Mark Russinovich
Sysinternals - www.sysinternals.com

Usage: PSLIST [-d][-m][-x][-t][-s [n] [-r n] [\\computer [-u username][-p password][name|pid]
   -d          Show thread detail.
   -m          Show memory detail.
   -x          Show processes, memory information and threads.
   -t          Show process tree.
   -s [n]      Run in task-manager mode, for optional seconds specified.
               Press Escape to abort.
   -r n        Task-manager mode refresh rate in seconds (default is 1).
   \\computer  Specifies remote computer.
   -u          Optional user name for remote login.
   -p          Optional password for remote login. If you don't present
               on the command line pslist will prompt you for it if necessary.
   name        Show information about processes that begin with the name
               specified.
   -e          Exact match the process name.
   pid         Show information about specified process.

All memory values are displayed in KB.
Abbreviation key:
   Pri         Priority
   Thd         Number of Threads
   Hnd         Number of Handles
   VM          Virtual Memory
   WS          Working Set
   Priv        Private Virtual Memory
   Priv Pk     Private Virtual Memory Peak
   Faults      Page Faults
   NonP        Non-Paged Pool
   Page        Paged Pool
   Cswtch      Context Switches

 

PSLOGGEDON   (Version 1.34.0.0)

PsLoggedon v1.34 - See who's logged on
Copyright (C) 2000-2010 Mark Russinovich
Sysinternals - www.sysinternals.com

Usage: PSLOGGEDON [-l] [-x] [\\computername]
    or PSLOGGEDON [username]
-l     Show only local logons
-x     Don't show logon times

 

PSLOGLIST   (Version 2.71.0.0)

PsLoglist v2.71 - local and remote event log viewer
Copyright (C) 2000-2009 Mark Russinovich
Sysinternals - www.sysinternals.com

PsLogList dumps event logs on a local or remote NT system.

Usage: psloglist [\\computer[,computer2[,...] | @file] [-u username [-p password]]] [-s [-t delimiter]] [-m #|-n #|-d #|-h #|-w][-c][-x][-r][-a mm/dd/yy][-b mm/dd/yy] [-f filter] [-i ID,[ID,...]] | -e ID,[ID,...]] [-o event source[,event source[,...]]] [-q event source[,event source[,...]]] [[-g|-l] event log file] <event log>
     @file     Psloglist will execute the command on each of the computers
               listed in the file.
     -a        Dump records timestamped after specified date.
     -b        Dump records timestamped before specified date.
     -c        Clear event log after displaying.
     -d        Only display records from previous n days.
     -e        Exclude events with the specified ID or IDs (up to 10).
     -f        Filter event types, using starting letter
               (e.g. "-f we" to filter warnings and errors).
     -g        Export an event log as an evt file.
     -h        Only display records from previous n hours.
     -i        Show only events with the specified ID or IDs (up to 10).
     -l        Dump the contents of the specified saved event log file.
     -m        Only display records from previous n minutes.
     -n        Only display n most recent records.
     -o        Show only records from the specified event source or sources
               (e.g. "-o cdrom"). Append '*' to specify substring match.
     -p        Specifies password for user name.
     -q        Omit records from the specified event source or sources
               (e.g. "-q cdrom").
               Append '*' to specify substring match.
     -r        Dump log from least recent to most recent.
     -s        Records are listed on one line each with delimited
               fields, which is convenient for string searches.
     -t        The default delimiter for the -s option is a comma,
               but can be overriden with the specified character. Use "\t"
               to specify tab.
     -u        Specifies optional user name for login to
               remote computer.
     -w        Wait for new events, dumping them as they generate (local system
               only.)
     -x        Dump extended data.
     -z        List event logs registered on specified system.
     eventlog  Specifies event log to dump. Default is system. If the
               -l switch is present then the event log name specifies
               how to interpret the event log file.

 

PSPASSWD   (Version 1.2.0.0)

PsPasswd v1.22 - Local and remote password changer
Copyright (C) 2003-2004 Mark Russinovich
Sysinternals - www.sysinternals.com

PsPasswd changes passwords on a local or remote system.

Usage: pspasswd [\\[computer[,computer,[,...]|Domain]|@file] [-u Username [-p Password]]] Username [NewPassword]
     computer    Direct PsPasswd to perform the command on the remote
                 computer or computers specified. If you omit the computer
                 name PsPasswd runs the command on the local system, 
                 and if you specify a wildcard (\\*), PsPasswd runs the
                 command on all computers in the current domain.
     @file       PsPasswd will change the password on the computers listed
                 in the file.
     -u          Specifies optional user name for login to remote
                 computer.
     -p          Specifies optional password for user name. If you omit this
                 you will be prompted to enter a hidden password.
     Username    Specifies name of account for password change.
     NewPassword New password. If ommitted a NULL password is applied.

 

PSSERVICE   (Version 2.24.0.0)

PsService v2.24 - Service information and configuration utility
Copyright (C) 2001-2010 Mark Russinovich
Sysinternals - www.sysinternals.com

PsService lists or controls services on a local or remote system.

Usage: PSSERVICE [\\Computer [-u Username [-p Password]]] <cmd> <optns>
Cmd is one of the following:
   query      Queries the status of a service
   config     Queries the configuration
   setconfig  Sets the configuration
   start      Starts a service
   stop       Stops a service
   restart    Stops and then restarts a service
   pause      Pauses a service
   cont       Continues a paused service
   depend     Enumerates the services that depend on the one specified
   find       Searches for an instance of a service on the network
   security   Reports the security permissions assigned to a service
Use the username and password to log into the remote computer in cases where
your account does not have permissions to perform the action you specify.

Omitting a command queries the active services on the specified computer.
Enter -? for help on a particular command.

 

PSSHUTDOWN   (Version 2.52.0.0)

PsShutdown v2.52 - Shutdown, logoff and power manage local and remote systems
Copyright (C) 1999-2006 Mark Russinovich
Sysinternals - www.sysinternals.com

usage:
psshutdown -s|-r|-h|-d|-k|-a|-l|-o [-f] [-c] [-t [nn|h:m]] [-v nn] [-e [u|p]:xx:yy] [-m "message"] [-u Username [-p password]] [-n s] [\\computer[,computer[,...]|@file]
   -a          Abort a shutdown (only possible while countdown is in progress)
   -c          Allow the shutdown to be aborted by the interactive user
   -d          Suspend the computer
   -e          Shutdown reason code (available on Windows XP and higher).
               Specify 'u' for unplanned and 'p' for planned
               shutdown reason codes.
               xx is the major reason code (must be less than 256)
               yy is the minor reason code (must be less than 65536)
   -f          Forces running applications to close
   -h          Hibernate the computer
   -k          Poweroff the computer (reboot if poweroff is not supported)
   -l          Lock the computer
   -m          Message to display to logged on users
   -n          Specifies timeout in seconds connecting to remote computers
   -o          Logoff the console user
   -p          Specifies optional password for user name. If you omit this
               you will be prompted to enter a hidden password.
   -r          Reboot after shutdown
   -s          Shutdown without poweroff
   -t          Specifies countdown in seconds until shutdown (default is 20) or
               the time of shutdown (in 24 hour notation)
   -u          Specifies optional user name for login to remote
               computer.
   -v          Display message for the specified number of seconds before
               the shutdown. If you omit this parameter the shutdown
               notification dialog displays and specifying a value of 0
               omits the dialog.
   computer    Shutdown the computer or computers specified
   @file       Shutdown the computers listed in the file specified


Reasons defined on this computer (U = unplanned, P = planned):
Type   Major   Minor   Title
  U      0       0     Overige (niet gepland)
  P      0       0     Overige (gepland)
  U      1       1     Hardware: onderhoud (niet gepland)
  P      1       1     Hardware: onderhoud (gepland)
  U      1       2     Hardware: installatie (niet gepland)
  P      1       2     Hardware: installatie (gepland)
  U      2       2     Besturingssysteem: herstel (gepland)
  P      2       2     Besturingssysteem: herstel (gepland)
  P      2       3     Besturingssysteem: upgrade (gepland)
  U      2       4     Besturingssysteem: nieuwe configuratie (niet gepland)
  P      2       4     Besturingssysteem: nieuwe configuratie (gepland)
  P      2      16     Besturingssysteem: servicepack (gepland)
  U      2      17     Besturingssysteem: hotfix (niet gepland)
  P      2      17     Besturingssysteem: hotfix (gepland)
  U      2      18     Besturingssysteem: beveiligingsfix (niet gepland)
  P      2      18     Besturingssysteem: beveiligingsfix (gepland)
  U      4       1     Toepassing: onderhoud (niet gepland)
  P      4       1     Toepassing: onderhoud (gepland)
  P      4       2     Toepassing: installatie (gepland)
  U      4       5     Toepassing: reageert niet
  U      4       6     Toepassing: instabiel
  U      5      19     Beveiligingsprobleem
  P      5      19     Beveiligingsprobleem
  U      5      20     Netwerkverbindingen verbroken (niet gepland)
  P      7       0     Afsluiten met oudere API

 

PSSUSPEND   (Version 1.6.0.0)

PsSuspend v1.06 - Process Suspender
Copyright © 2001-2003 Mark Russinovich
Sysinternals

PsSuspend suspends or resumes processes on a local or remote NT system.

Usage: pssuspend [-r] [\\RemoteComputer [-u Username [-p Password]]] <process Id or name>
     -r    Resume.
     -u    Specifies optional user name for login to
           remote computer.
     -p    Specifies optional password for user name. If you omit this
           you will be prompted to enter a hidden password.

 

PUSHD   (internal command)

Slaat de actieve map op voor gebruik met de opdracht POPD en
schakelt vervolgens naar de opgegeven map.

PUSHD [pad | ..]

  pad        Geeft aan welke map de actieve map moet worden.

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, accepteert de opdracht
PUSHD ook netwerkpaden, naast een normale stationsletter en pad.
Als een netwerkpad wordt opgegeven, wordt een tijdelijke
stationsletter gemaakt die wijst naar de opgegeven netwerkbron
waarna aan het huidige station en de huidige map de nieuw gedefinieerde
stationsletter wordt toegewezen. Bij het toewijzen van tijdelijke
stationsletters wordt gezocht naar de eerste ongebruikte
stationsletter beginnende bij de Z:.

 

RASDIAL   (Version 6.1.7600.16385)

Syntaxis:
      RASDIAL vermelding [gebruikersnaam [wachtwoord|*]] [/DOMAIN:domein]
            [/PHONE:telefoonnummer] [/CALLBACK:terugbelnummer]
            [/PHONEBOOK:telefoonlijstbestand] [/PREFIXSUFFIX]

      RASDIAL [vermelding] /DISCONNECT

      RASDIAL

      Raadpleeg 'http://go.microsoft.com/fwlink/?LinkId=104288'
      voor informatie over onlineprivacy.

 

RD   (internal command)

Een map verwijderen.

RMDIR [/S] [/Q] [station:]pad
RD [/S] [/Q] [station:]pad

  /S  Verwijdert naast alle mappen en bestanden in de opgegeven
      map ook de map zelf. Deze schakeloptie wordt gebruikt
      voor het verwijderen van een mapstructuur.

  /Q  Stille modus, niet om bevestiging vragen bij het verwijderen van
      mapstructuur met /S

 

REAGENTC   (Version 6.1.7601.17514)

Hiermee wordt de Windows Herstelomgeving (WinRE) geconfigureerd.

REAGENTC.EXE [opties]

  Hierbij kunnen de volgende bewerkingen worden opgegeven:

  /setreimage /path  <mapnaam> [/target <mapnaam>] [/bootkey <scancode>]
             Hiermee wordt de locatie ingesteld van de WinRE-installatiekopie die door de gebruiker is verschaft.
             Met de optionele schakeloptie /target wordt het pad naar de locatie
             met de Windows-installatie opgegeven.
             Met de schakeloptie /bootkey wordt de scancode voor een
             OEM-specifieke startknop opgegeven.

  /setosimage [/path <mapnaam> [/target <mapnaam>]] [/customtool]
             Met /path wordt de locatie ingesteld van de Setup-bestanden van
             het besturingssysteem die door de gebruiker zijn verschaft.
             Met de optionele schakeloptie /customtool wordt aangegeven dat een replicatiehulpprogramma in WinRE
             is opgegeven.

  /info [/target <mapnaam>]
             Geeft informatie over de WinRE-configuratie weer.
             Met de optionele schakeloptie /target wordt het pad naar de locatie
             met de Windows-installatie opgegeven.

  /enable
             WinRE inschakelen voor automatische failover en automatisch
             herstel.

  /disable
             WinRE uitschakelen voor automatische failover en automatisch
             herstel.

  /boottore
             De BCD configureren zodat deze in de WinRE Herstelomgeving opstart.

REAGENTC.EXE: De bewerking is uitgevoerd

 

RECOVER   (Version 6.1.7600.16385)

Leesbare informatie van een beschadigde of onbruikbare schijf herstellen.

RECOVER [station:][pad]bestandsnaam
Raadpleeg Windows Help voordat u de opdracht RECOVER gebruikt.

 

REG   (Version 6.1.7600.16385)

REG Bewerking [parameterlijst]

  Bewerking  [ QUERY   | ADD    | DELETE  | COPY    |
               SAVE    | LOAD   | UNLOAD  | RESTORE |
               COMPARE | EXPORT | IMPORT  | FLAGS ]

Retourwaarde: (behalve bij REG COMPARE)

  0 - geslaagd
  1 - mislukt

Typ onderstaande opdracht voor help bij een specifieke bewerking:

  REG <bewerking> /?

Voorbeelden:

  REG QUERY /?
  REG ADD /?
  REG DELETE /?
  REG COPY /?
  REG SAVE /?
  REG RESTORE /?
  REG LOAD /?
  REG UNLOAD /?
  REG COMPARE /?
  REG EXPORT /?
  REG IMPORT /?
  REG FLAGS /?

 

REGINI   (Version 6.1.7600.16385)

usage: REGINI [-m \\machinename | -h hivefile hiveroot]
              [-i n] [-o outputWidth]
              [-b] textFiles...

where: -m specifies a remote Windows NT machine whose registry is to be manipulated.
       -h specifies a specify local hive to manipulate.
       -i n specifies the display indentation multiple.  Default is 4
       -o outputWidth specifies how wide the output is to be.  By default the
          outputWidth is set to the width of the console window if standard
          output has not been redirected to a file.  In the latter case, an
          outputWidth of 240 is used.

       -b specifies that REGINI should be backward compatible with older
           versions of REGINI that did not strictly enforce line continuations
           and quoted strings Specifically, REG_BINARY, REG_RESOURCE_LIST and
           REG_RESOURCE_REQUIREMENTS_LIST data types did not need line
           continuations after the first number that gave the size of the data.
           It just kept looking on following lines until it found enough data
           values to equal the data length or hit invalid input.  Quoted
           strings were only allowed in REG_MULTI_SZ.  They could not be
           specified around key or value names, or around values for REG_SZ or
           REG_EXPAND_SZ  Finally, the old REGINI did not support the semicolon
           as an end of line comment character.
       
       textFiles is one or more ANSI or Unicode text files with registry data.
       
       Some general rules are:
           Semicolon character is an end-of-line comment character, provided it
           is the first non-blank character on a line
       
           Backslash character is a line continuation character.  All
           characters from the backslash up to but not including the first
           non-blank character of the next line are ignored.  If there is more
           than one space before the line continuation character, it is
           replaced by a single space.
       
           Indentation is used to indicate the tree structure of registry keys
           The REGDMP program uses indentation in multiples of 4.  You may use
           hard tab characters for indentation, but embedded hard tab
           characters are converted to a single space regardless of their
           position
           
           Values should come before child keys, as they are associated with
           the previous key at or above the value's indentation level.
       
           For key names, leading and trailing space characters are ignored and
           not included in the key name, unless the key name is surrounded by
           quotes.  Imbedded spaces are part of a key name.
       
           Key names can be followed by an Access Control List (ACL) which is a
           series of decimal numbers, separated by spaces, bracketed by a
           square brackets (e.g.  [8 4 17]).  The valid numbers and their
           meanings are:
       
              1  - Administrators Full Access
              2  - Administrators Read Access
              3  - Administrators Read and Write Access
              4  - Administrators Read, Write and Delete Access
              5  - Creator Full Access
              6  - Creator Read and Write Access
              7  - World Full Access
              8  - World Read Access
              9  - World Read and Write Access
              10 - World Read, Write and Delete Access
              11 - Power Users Full Access
              12 - Power Users Read and Write Access
              13 - Power Users Read, Write and Delete Access
              14 - System Operators Full Access
              15 - System Operators Read and Write Access
              16 - System Operators Read, Write and Delete Access
              17 - System Full Access
              18 - System Read and Write Access
              19 - System Read Access
              20 - Administrators Read, Write and Execute Access
              21 - Interactive User Full Access
              22 - Interactive User Read and Write Access
              23 - Interactive User Read, Write and Delete Access
       
           If there is an equal sign on the same line as a left square bracket
           then the equal sign takes precedence, and the line is treated as a
           registry value.  If the text between the square brackets is the
           string DELETE with no spaces, then REGINI will delete the key and
           any values and keys under it.
       
           For registry values, the syntax is:
       
              value Name = type data
       
           Leading spaces, spaces on either side of the equal sign and spaces
           between the type keyword and data are ignored, unless the value name
           is surrounded by quotes.  If the text to the right of the equal sign
           is the string DELETE, then REGINI will delete the value.
       
           The value name may be left off or be specified by an at-sign
           character which is the same thing, namely the empty value name.  So
           the following two lines are identical:
       
              = type data
              @ = type data
       
           This syntax means that you can't create a value with leading or
           trailing spaces, an equal sign or an at-sign in the value name,
           unless you put the name in quotes.
       
           Valid value types and format of data that follows are:
       
              REG_SZ text
              REG_EXPAND_SZ text
              REG_MULTI_SZ "string1" "str""ing2" ...
              REG_DATE mm/dd/yyyy HH:MM DayOfWeek
              REG_DWORD numberDWORD
              REG_BINARY numberOfBytes numberDWORD(s)...
              REG_NONE (same format as REG_BINARY)
              REG_RESOURCE_LIST (same format as REG_BINARY)
              REG_RESOURCE_REQUIREMENTS (same format as REG_BINARY)
              REG_RESOURCE_REQUIREMENTS_LIST (same format as REG_BINARY)
              REG_FULL_RESOURCE_DESCRIPTOR (same format as REG_BINARY)
              REG_QWORD numberQWORD
              REG_MULTISZ_FILE fileName
              REG_BINARYFILE fileName
       
           If no value type is specified, default is REG_SZ
       
           For REG_SZ and REG_EXPAND_SZ, if you want leading or trailing spaces
           in the value text, surround the text with quotes.  The value text
           can contain any number of imbedded quotes, and REGINI will ignore
           them, as it only looks at the first and last character for quote
           characters.
       
           For REG_MULTI_SZ, each component string is surrounded by quotes.  If
           you want an imbedded quote character, then double quote it, as in
           string2 above.
       
           For REG_BINARY, the value data consists of one or more numbers The
           default base for numbers is decimal.  Hexidecimal may be specified
           by using 0x prefix.  The first number is the number of data bytes,
           excluding the first number.  After the first number must come enough
           numbers to fill the value.  Each number represents one DWORD or 4
           bytes.  So if the first number was 0x5 you would need two more
           numbers after that to fill the 5 bytes.  The high order 3 bytes
           of the second DWORD would be ignored.
       
       Whenever specifying a registry path, either on the command line
       or in an input file, the following prefix strings can be used:
       
            HKEY_LOCAL_MACHINE
            HKEY_USERS
            HKEY_CURRENT_USER
            USER:
       
          Each of these strings can stand alone as the key name or be followed
          a backslash and a subkey path.

 

REGISTER-CIMPROVIDER   (Version 6.2.9200.16398)

Registers CIM Provider into system

Usage:  Register-CimProvider.exe
		-Namespace <NamespaceName>
		-ProviderName <ProviderName>
		-Path <ProviderDllPath>
		[-Impersonation <True or False>]
		[-Decoupled <SDDL>]
		[-HostingModel <HostingModel>]
		[-Localize <locale>]
		[-NoAutorecover]
		[-SupportWQL]
		[-GenerateUnregistration]
		[-ForceUpdate]
		[-Verbose]

-Namespace <NamespaceName>
	Specifies the target namespace of the provider.

-ProviderName <ProviderName>
	Specifies the provider name.

-Path <ProviderDllPath>
	Specifies the provider binary path.

-Impersonation <True or False>
	Specifies foldidentity of decoupled provider, by default is True.

-Decoupled <SDDL>
	Registers provider as decoupled and specifies the security descriptor
	that determines the set of users that can successfully register
	the provider.

-HostingModel <HostingModel>
	Specifies the HostingModel of coupled provider.

-Localize <locale>
	Localizes the provider with resource of specified locale.

-NoAutorecover
	Doesn't autorecover the provider.

-SupportWQL
	Passes the query expression to the filter.

-GenerateUnregistration
	Generate the uninstall mof for the registration,
	which is disabled by default.

-ForceUpdate
	Force update the class if it exists in the system.

-Verbose
	Outputs registration log.

 

RELOG   (Version 6.1.7601.17514)

Microsoft © Relog.exe (6.1.7601.17514)

Met Relog maakt u nieuwe prestatielogboeken van gegevens in bestaande
prestatielogboeken door de steekproeffrequentie te wijzigen en/of de
bestandsindeling te converteren. Deze opdracht biedt ondersteuning voor alle
indelingen van prestatielogboeken, inclusief gecomprimeerde logboeken van
Windows NT 4.0.

Syntaxis:
RELOG <bestandsnaam [bestandsnaam ...]> [opties]

Parameters:
  <bestandsnaam [bestandsnaam ...]>   Nieuw in logboek vast te leggen prestatiebestand.

Opties:
  -?                            Contextgevoelige Help weergeven.
  -a                            Uitvoer aan het bestaand binair bestand toevoegen.
  -c <path [path ...]>          De items die uit het invoerlogboek moeten worden gefilterd.
  -cf <bestandsnaam>            Een bestand met de prestatiemeteritems die uit het invoerlogboek moeten worden gefilterd. Standaard zijn dit alle items in het
                                oorspronkelijke logboekbestand.
  -f <CSV|TSV|BIN|SQL>          Indeling uitvoerbestand.
  -t <waarde>                   Alleen elke zoveelste record naar het uitvoerbestand wegschrijven. Standaard wordt elke record weggeschreven.
  -o                            Pad naar uitvoerbestand of SQL-database.
  -b <dd-MM-yyyy HH:mm:ss'>     De begintijd voor de eerste record die naar het uitvoerbestand wordt weggeschreven.
  -e <dd-MM-yyyy HH:mm:ss'>     De eindtijd voor de laatste record die naar het uitvoerbestand wordt weggeschreven.
  -config <bestandsnaam>        Instellingenbestand met opdrachtopties.
  -q                            De prestatiemeteritems in het invoerbestand weergeven.
  -y                            Alle antwoorden zonder te vragen met ja beantwoorden.

Voorbeelden:
  relog logfile.csv -c "\Processor(_Total)\% Processor Time" -o logfile.blg
  relog logfile.blg -cf counters.txt -f bin
  relog logfile.blg -f csv -o logfile.csv -t 2
  relog logfile.blg -q -o counters.txt

 

REM   (internal command)

Commentaar opnemen in een batchbestand of in het bestand CONFIG.SYS.

REM [commentaar]

 

REN   (internal command)

De naam van een bestand of bestanden wijzigen.

RENAME [station:][pad]bestandsnaam1 bestandsnaam2
REN [station:][pad]bestandsnaam1 bestandsnaam2

Opmerking: u kunt geen nieuw station of pad opgeven voor uw doelbestand.

 

RENAME   (internal command)

De naam van een bestand of bestanden wijzigen.

RENAME [station:][pad]bestandsnaam1 bestandsnaam2
REN [station:][pad]bestandsnaam1 bestandsnaam2

Opmerking: u kunt geen nieuw station of pad opgeven voor uw doelbestand.

 

REPLACE   (Version 6.1.7600.16385)

Bestanden vervangen.

REPLACE [station1:][pad1]best.naam [station2:][pad2] [/A] [/P] [/R] [/W]
REPLACE [station1:][pad1]best.naam [station2:][pad2] [/P] [/R] [/S] [/W] [/U]

  [station1:][pad1]bestandsnaam
                     Bronbestand(en).
  [station2:][pad2]  De map waarin de bestanden moeten worden geplaatst.
  /A                 Voegt nieuwe bestanden toe aan de doelmap.
                     Kan niet worden gebruikt met schakelopties /S en /U.
  /P                 Vraagt om bevestiging voordat een doelbestand wordt
                     vervangen of een bronbestand wordt toegevoegd.
  /R                 Vervangt naast onbeveiligde bestanden ook alleen-
                     lezenbestanden.
  /S                 Vervangt bestanden in alle submappen van de doelmap.
                     Kan niet worden gebruikt met schakeloptie /A.
  /W                 Wacht totdat u een diskette in het station plaatst.
  /U                 Vervangt alleen bestanden die ouder zijn dan bron-
                     bestanden. Kan niet worden gebruikt met schakeloptie /A.

 

RMDIR   (internal command)

Een map verwijderen.

RMDIR [/S] [/Q] [station:]pad
RD [/S] [/Q] [station:]pad

  /S  Verwijdert naast alle mappen en bestanden in de opgegeven
      map ook de map zelf. Deze schakeloptie wordt gebruikt
      voor het verwijderen van een mapstructuur.

  /Q  Stille modus, niet om bevestiging vragen bij het verwijderen van
      mapstructuur met /S

 

ROBOCOPY   (Version 5.1.10.1027)

-------------------------------------------------------------------------------
   ROBOCOPY     ::  Robuust bestanden kopiëren in Windows                        
-------------------------------------------------------------------------------

   Gestart: Sat Nov 02 18:22:55 2013

           Syntaxis :: ROBOCOPY bron doel [bestand [bestand]...] [opties]

               bron :: Bronmap (station:\pad of \\server\share\pad).
               doel :: Doelmap (station:\pad of \\server\share\pad).
            bestand :: Te kopiëren bestand(en) (namen/jokertekens: standaardinstelling is "*.*").

::
:: Opties voor kopiëren:
::
                 /S :: Onderliggende mappen, die niet leeg zijn, kopiëren.
                 /E :: Onderliggende mappen, inclusief lege mappen, kopiëren.
             /LEV:n :: Alleen de bovenste n niveaus van de bronmapstructuur kopiëren.

                 /Z :: Bestanden in opnieuw startbare modus kopiëren.
                 /B :: Bestanden in back-upmodus kopiëren.
                /ZB :: Opnieuw startbare modus gebruiken; gebruik back-upmodus als toegang is geweigerd.
            /EFSRAW :: Alle versleutelde bestanden in EFS RAW-modus kopiëren.

     /COPY:vlag(gen):: Wat moet worden gekopieerd voor bestanden (standaardinstelling is /COPY:DAT).
                       (vlaggen : D=gegevens, A=kenmerken, T=tijdstempels).
                       (S=beveiliging=NTFS-ACL's, O=eigenaar-info, U=controle-info).

           /DCOPY:T :: Tijdstempels van map kopiëren.

               /SEC :: Bestanden met beveiliging kopiëren (gelijk aan /COPY:DATS).
           /COPYALL :: Alle bestandsinformatie kopiëren (gelijk aan /COPY:DATSOU).
            /NOCOPY :: Geen bestandsinformatie kopiëren (handig met /PURGE).

            /SECFIX :: Bestandsbeveiliging voor alle bestanden, inclusief overgeslagen bestanden, herstellen.
            /TIMFIX :: Bestandstijden voor alle bestanden, inclusief overgeslagen bestanden, herstellen.

             /PURGE :: Doelbestanden en/of -mappen die niet meer in bron bestaan, verwijderen.
               /MIR :: Een mapstructuur spiegelen (gelijk aan /E én /PURGE).

               /MOV :: Bestanden verplaatsen (uit bron verwijderen na het kopiëren).
              /MOVE :: Bestanden en mappen verplaatsen (uit bron verwijderen na het kopiëren).

     /A+:[RASHCNET] :: De gegeven kenmerken aan de gekopieerde bestanden toevoegen.
     /A-:[RASHCNET] :: De gegeven kenmerken van de gekopieerde bestanden verwijderen.

            /CREATE :: Alleen mapstructuur en bestanden met lengte nul maken.
               /FAT :: Doelbestanden alleen met 8.3 FAT-bestandsnamen maken.
               /256 :: Ondersteuning voor zeer lange paden (> 256 tekens) uitschakelen.

             /MON:n :: Bron controleren; opnieuw uitvoeren als meer dan n wijzigingen worden gevonden.
             /MOT:m :: Bron controleren; opnieuw uitvoeren over m minuten, indien gewijzigd.

      /RH:uumm-uumm :: Uren voor uitvoeren; de tijden wanneer nieuwe kopieën mogen worden gestart.
                /PF :: Uren voor uitvoeren controleren per bestand (niet per controle).

             /IPG:n :: Ruimte tussen pakketten (in ms) om bandbreedte op langzame verbindingen vrij te maken.

                /SL :: symbolische koppelingen kopiëren vanuit het doel.

            /MT[:n] :: Multithreaded exemplaren maken met n threads (standaard 8).
                       n moet minstens 1 zijn en mag niet groter zijn dan 128.
                       Deze optie is incompatibel met de opties /IPG en /EFSRAW.
                       Uitvoer omleiden met behulp van optie /LOG voor betere prestaties.

::
:: Opties voor bestandsselectie:
::
                 /A :: Alleen bestanden met het kenmerk Archief kopiëren.
                 /M :: Alleen bestanden met het kenmerk Archief kopiëren en het kenmerk opnieuw instellen.
    /IA:[RASHCNETO] :: Alleen bestanden met de opgegeven kenmerken opnemen.
    /XA:[RASHCNETO] :: Bestanden met de opgegeven kenmerken uitsluiten.

 /XF best. [best.]  :: Bestanden met overeenkomende namen/paden/jokertekens uitsluiten.
 /XD mappen [mappen]:: Mappen met overeenkomende namen/paden uitsluiten.

                /XC :: Gewijzigde bestanden uitsluiten.
                /XN :: Nieuwere bestanden uitsluiten.
                /XO :: Oudere bestanden uitsluiten.
                /XX :: Extra bestanden en mappen uitsluiten.
                /XL :: Alleenstaande bestanden en mappen uitsluiten.
                /IS :: Dezelfde bestanden opnemen.
                /IT :: Gewijzigde bestanden opnemen.

             /MAX:n :: Maximale bestandsgrootte - bestanden groter dan n bytes uitsluiten.
             /MIN:n :: Minimale bestandsgrootte - bestanden kleiner dan n bytes uitsluiten.

          /MAXAGE:n :: Maximale bestandsleeftijd - bestanden ouder dan n dagen (of datum) uitsluiten.
          /MINAGE:n :: Minimale bestandsleeftijd - bestanden nieuwer dan n dagen (of datum) uitsluiten.
          /MAXLAD:n :: Maximale datum van laatste toegang - bestanden die niet zijn gebruikt sinds n uitsluiten.
          /MINLAD:n :: Minimale datum van laatste toegang - bestanden die zijn gebruikt sinds n uitsluiten.
                       (Als n groter dan 1900 is, is n = n dagen, anders is n = JJJJMMDD datum).

                /XJ :: Koppelingspunten uitsluiten (normaal standaard opgenomen).

               /FFT :: FAT-bestandstijden aannemen (gegranuleerdheid van 2 seconden).
               /DST :: Compenseren voor tijdsverschillen vanwege zomertijd.

               /XJD :: Koppelingspunten voor mappen uitsluiten.
               /XJF :: Koppelingspunten voor bestanden uitsluiten.

::
:: Opties voor opnieuw proberen:
::
               /R:n :: Aantal nieuwe pogingen voor mislukte kopieën: standaardinstelling is 1 miljoen.
               /W:n :: Tijd tussen nieuwe pogingen: standaardinstelling is 30 seconden.

               /REG :: /R:n en /W:n als standaardinstellingen in het register opslaan.

               /TBD :: Wachten totdat sharenamen zijn opgegeven (fout voor opnieuw proberen 67).

::
:: Opties voor logboekregistratie:
::
                 /L :: Alleen weergeven; geen bestanden kopiëren, verwijderen of een tijdstempel geven.
                 /X :: Alle extra, en niet alleen de geselecteerde, bestanden rapporteren.
                 /V :: Uitgebreide uitvoer, met weergave van overgeslagen bestanden.
                /TS :: Tijdstempels van de bronbestanden in de uitvoer opnemen.
                /FP :: Volledige padnaam van bestanden in de uitvoer opnemen.
             /BYTES :: Grootte als bytes afdrukken.

                /NS :: Geen grootte - bestandsgroottes niet in logboek registreren.
                /NC :: Geen klasse - bestandsklassen niet in logboek registreren.
               /NFL :: Geen bestandslijst - bestandsnamen niet in logboek registreren.
               /NDL :: Geen mappenlijst - mapnamen niet in logboek registreren.

                /NP :: Geen voortgang - percentage gekopieerd niet weergeven.
               /ETA :: Geschatte tijd van aankomst van gekopieerde bestanden weergeven.

       /LOG:bestand :: Status in logboekbestand registreren (bestaand logboek overschrijven).
      /LOG+:bestand :: Status in logboekbestand registreren (aan bestaand logboek toevoegen).

    /UNILOG:bestand :: Status als UNICODE in het logboekbestand registreren (bestaand logboek overschrijven).
   /UNILOG+:bestand :: Status als UNICODE in logboekbestand registreren (aan bestaand logboek toevoegen).

               /TEE :: Uitvoer naar consolevenster én logboekbestand.

               /NJH :: Geen header voor taak.
               /NJS :: Geen samenvatting van taak.

           /UNICODE :: Status als UNICODE uitvoeren.

::
:: Opties voor taak:
::
      /JOB:taaknaam :: Parameters uit opgegeven taakbestand overnemen.
     /SAVE:taaknaam :: Parameters in opgegeven taakbestand opslaan.
              /QUIT :: Afsluiten na verwerken van opdrachtregel (om de parameters te bekijken). 
              /NOSD :: Geen bronmap opgegeven.
              /NODD :: Geen doelmap opgegeven.
                /IF :: De volgende bestanden opnemen.

 

ROUTE   (Version 6.1.7600.16385)

Netwerkrouteringstabellen manipuleren.

ROUTE [-f] [-p] [-4|-6] opdracht [bestemming]
                [MASK netmasker] [gateway] [METRIC metric]   [IF interface]

  -f           Wist alle gatewayvermeldingen uit de routeringtabellen.
               Als deze optie wordt gebruikt met een van de opdrachten worden
               de tabellen leeggemaakt voordat de opdracht wordt uitgevoerd.

  -p           Als deze optie samen met de opdracht ADD wordt gebruikt,
               wordt de route permanent gemaakt, dat wil zeggen: de route
               wordt niet verloren tijdens het herstarten van het systeem.
               Standaard blijven routes namelijk niet behouden als het
               systeem opnieuw wordt opgestart. Niet geldig voor alle andere
               opdrachten, die altijd de specifieke permanente routes
               beïnvloeden. Deze optie wordt niet ondersteund in Windows 95.

  -4           IPv4 gebruiken.

  -6           IPv6 gebruiken.

  opdracht     Eén van vier mogelijke opdrachten:
                 PRINT     Geeft een route weer
                 ADD       Voegt een route toe
                 DELETE    Verwijdert een route
                 CHANGE    Wijzigt een bestaande route
  Doel         Bepaalt de host.
  MASK         Bepaalt dat de volgende parameter de waarde voor netmasker is.
  netmask      Bepaalt een subnetmaskerwaarde voor deze routevermelding. Als
               de waarde niet is opgegeven, wordt 255.255.255.255 gebruikt.
  gateway      Bepaalt de gateway.
  interface    Het interfacenummer voor de opgegeven route.
  METRIC       Bepaalt de metric (kosten) naar het doel.

Alle symbolische namen die voor bestemming worden gebruikt, worden opgezocht
in het netwerkdatabasebestand NETWORKS. De symbolische namen voor de gateway
worden opgezocht in het hostnamen-databasebestand HOSTS.

Als de opdracht PRINT of DELETE is, kunnen jokertekens worden gebruikt
(*) voor de parameters bestemming en gateway. U kunt ook eventueel de
gateway-parameter weglaten.

Als de parameter bestemming een * of ? bevat, wordt deze behandeld als een
shell-patroon en worden alleen overeenkomende routes weergegeven.
Het teken * staat voor een willekeurige tekenreeks en ? voor een willekeurig
teken. Bijvoorbeeld: 157.*.1, 157.*, 127.*, *224*.

De overeenkomsten in patronen worden alleen toegestaan voor de opdracht PRINT.

Diagnostische gegevens:
    Een ongeldige MASK zal een foutbericht genereren. Een MASK is ongeldig
    wanneer (BESTEMMING & MASK) != BESTEMMING.

    Voorbeeld> route ADD 157.0.0.0 MASK 155.0.0.0 157.55.80.1 IF 1
            Deze opdracht zal de volgende foutmelding geven:
            Kan niet toevoegen aan de route: de opgegeven parameter voor
            de mask is ongeldig.
            (Bestemming & Mask) != Bestemming.

Voorbeelden:

    > route PRINT
    > route PRINT -4
    > route PRINT -6
    > route PRINT 157*          .... alleen adressen met 157* afdrukken
	
    > route ADD 157.0.0.0 MASK 255.0.0.0  157.55.80.1 METRIC 3 IF 2
              bestemmingˆ      ˆmasker    ˆgateway     metricˆ    ˆ
                                                         Interfaceˆ
      Als IF niet is opgegeven, probeert de opdracht de beste interface voor
      een opgegeven gateway te vinden.
    > route ADD 3ffe::/32 3ffe::1

    > route CHANGE 157.0.0.0 MASK 255.0.0.0 157.55.80.5 METRIC 2 IF 2

      CHANGE wordt gebruikt voor het aanpassen van alleen de gateway en/of
      metric.

    > route DELETE 157.0.0.0
    > route DELETE 3ffe::/32

 

RPCPING   (Version 6.1.7600.16385)

Syntaxis:
rpcping [-t <protocolvolgorde>] [-s <serveradres>] [-e <eindpunt>
        |-f <interface-UUID>[,MajorVer]] [-O <Interfaceobject-UUID]
        [-i <#_iteraties>] [-u <id van beveiligingspakket>]
        [-a <verificatieniveau>] [-N <principal naam van server>]
        [-I <verificatie-id>] [-C <mogelijkheden>] [-T <id-tracering>]
        [-M <imitatietype>] [-S <server-sid>] [-P <id voor proxyverificatie>]
        [-F <RPCHTTP-vlaggen>] [-H <RPC/HTTP-verificatieschema's>]
        [-o <bindingsopties>] [-B <servercertificaatonderwerp>]
        [-b] [-E] [-q] [-c] [-A <id voor HTTP-proxyverificatie>]
        [-U <schema's voor HTTP-proxyverificatie>]
        [-r <interval_van_rapportresultaten> [-v <uitgebreid_niveau>] [-d]


Hiermee kunt u een server via RPC pingen. Deze opties zijn mogelijk:

-t <protocolvolgorde> - Te gebruiken protocolvolgorde. Dit kan een van de
    standaard RPC-protocolvolgordes zijn - ncacn_ip_tcp, ncacn_np, ncacn_http,
    etc. Als dit niet wordt opgegeven, wordt als standaard ncacn_ip_tcp
    gebruikt.

-s <serveradres> - Het adres van de server. Als dit niet wordt opgegeven,
    wordt de lokale computer gepingd. Bijvoorbeeld: server, server.com,
    157.59.244.141

-e <eindpunt> - Het eindpunt dat moet worden gepingd. Als geen eindpunt
    wordt opgegeven, wordt de eindpunttoewijzing op de doelcomputer gepingd.
    Deze optie kan niet worden gebruikt met optie Interface (-f).

-o <bindingsopties> - De bindingsopties voor RPC Ping. Raadpleeg MSDN
    voor meer informatie (RpcStringBindingCompose en RPC over HTTP).

-f <interface-UUID>[,MajorVer] - De interface die moet worden gepingd. Deze
    optie is niet worden gebruikt met de Eindpunt (-e) optie. De interface
    wordt opgegeven als UUID. Als MajorVer niet wordt opgegeven, wordt versie
    1 van de interface gezocht. Als de interface wordt opgegeven, zal rpcping
    de eindpunttoewijzing op de doelcomputer vragen om het eindpunt van de
    opgegeven interface. De eindpunttoewijzing wordt gevraagd met de opties
    die op de opdrachtregel worden opgegeven.

-O <Object UUID> - De object-UUID, als de interface er een heeft
    geregistreerd.

-i <#_iteraties> - Aantal aanroepen. Standaard is 1. Deze optie is handig
    voor het meten van de verbindingsvertraging als meerdere iteraties worden
    opgegeven.

-u <id van beveiligingspakket> - Het beveiligingspakket (beveiligingsprovider)
    dat RPC zal gebruiken om de aanroep te doen. Het beveiligingspakket is een
    nummer of naam. Als een nummer wordt gebruikt, is dit hetzelfde nummer als
    in de API RpcBindingSetAuthInfoEx. De onderstaande tabel geeft de namen
    en nummers weer. De namen kunnen hoofd- of kleine letters hebben:
        Negotiate - 9, of nego, snego of negotiate
        NTLM - 10 of NTLM
        SChannel - 14 of SChannel
        Kerberos - 16 of Kerberos
        Kernel - 20 of Kernel
    Als u deze optie opgeeft, dient u het verificatieniveau in te stellen op
    iets anders dan 'geen'. Er is geen standaardinstelling voor deze optie.
    Als de optie niet wordt opgegeven, zal RPC geen beveiliging gebruiken
    tijdens het pingen.

-a <verificatieniveau> - Het verificatieniveau dat moet worden gebruikt.
    Mogelijke waarden zijn connect, call, pkt, integrity en privacy. Als
    deze optie wordt opgegeven, dient de id van het beveiligingspakket (-u)
    ook te worden opgegeven. Er is een standaardinstelling voor deze optie.
    Als deze optie niet wordt opgegeven, zal RPC geen beveiliging gebruiken
    tijdens het pingen.


-N <principal naam van server> - Dit is de principal naam van een server.
    Dezelfde semantiek moet worden gebruikt als het argument ServerPrincName
    naar RpcBindingSetAuthInfoEx. Raadpleeg MSDN voor meer informatie over
    RpcBidningSetAuthInfoEx. Dit veld kan alleen worden gebruikt als zowel
    het verificatieniveau als beveiligingspakket zijn geselecteerd.

-I <verificatie-id> - Hiermee kunt u een andere id opgeven om een verbinding
    met de server maken. De id heeft de indeling gebruiker,domein,wachtwoord.
    Als de gebruikersnaam, het domein of het wachtwoord speciale tekens
    bevatten die door de shell kunnen worden verwerkt, dient u de id in
    dubbele aanhalingstekens op te geven. U kunt * als wachtwoord opgeven,
    waardoor u wordt gevraagd om het wachtwoord op te geven, zonder dit op
    het scherm weer te geven. Als dit veld niet wordt opgegeven, wordt de id
    van de aangemelde gebruiker gebruikt. Dit veld kan alleen worden gebruikt
    als zowel het verificatieniveau en beveiligingspakket zijn geselecteerd.

-C <mogelijkheden> - Een hexadecimaal bitmasker van vlaggen. Het heeft
    dezelfde mening als het veld Capabilities (Mogelijkheden) in de structuur
    RPC_SECURITY_QOS, zoals beschreven in MSDN. Dit veld kan alleen worden
    gebruikt als zowel het verificatieniveau als beveiligingspakket zijn
    geselecteerd.

-T <id-tracering> - Deze kan statisch of dynamisch zijn. Als dit niet wordt
    opgegeven, wordt dynamisch standaard gebruikt. Dit veld kan alleen worden
    gebruikt als zowel het verificatieniveau als beveiligingspakket zijn
    geselecteerd.

-M <imitatietype> - Dit kan een van de volgende opties zijn: anonymous,
    identify, impersonate of delegate. Standaardinstelling is impersonate.
    Dit veld kan alleen worden gebruikt als zowel het verificatieniveau als
    beveiligingspakket zijn geselecteerd.


-S <server-sid> - De verwachte SID van de server. Raadpleeg het veld Sid
    in de structuur RPC_SECURITY_QOS in MSDN. Voor deze optie is
    Windows Server 2003 of nieuwer vereist. Dit veld kan alleen worden
    gebruikt als zowel het verificatieniveau als beveiligingspakket zijn
    geselecteerd.

-P <id voor proxyverificatie> - Dit is de id die moet worden gebruikt voor
    verificatie bij de RPC/HTTP-proxy. Deze id heeft dezelfde indeling als
    de optie -I. U dient ook de velden beveiligingspakket (-u),
    verificatieniveau (-a) en verificatieschema's (-H) op te geven om deze
    optie te kunnen gebruiken.

-F <RPCHTTP-vlaggen> - De vlaggen die moeten worden doorgegevn voor RPC/HTTP-
    voorzijdeverificatie. De vlaggen kunnen als nummers of namen worden
    opgegeven. De vlaggen die momenteel worden herkend zijn:
        SSL gebruiken - 1 of ssl of use_ssl
        Eerste verificatieschema gebruiken - 2 of first of use_first
    Raadpleeg het veld Flags (vlaggen) in RPC_HTTP_TRANSPORT_CREDENTIALS
    voor meer informatie. U dient ook de velden beveiligingspakket (-u) en
    verificatieniveau (-a) op te geven om deze optie te kunnen gebruiken.

-H <RPC/HTTP-verificatieschema's> - De verificatieschema's die moeten worden
    gebruikt voor RPC/HTTP-voorzijdeverificatie. Deze optie is een lijst met
    numerike waarden of namen, gescheiden door komma's. Bijvoorbeeld: Basic,
    NTLM. Herkende waarden zijn:
        Basic - 1 of Basic
        NTLM - 2 of NTLM
        Certificaat - 65536 of Cert
        (namen kunnen in kleine of hoofdletters worden geschreven)
    U dient ook de velden beveiligingspakket (-u) en verificatieniveau (-a)
    op te geven om deze optie te kunnen gebruiken.

-B <servercertificaatonderwerp> - Het servercertificaatonderwerp. Raadpleeg
    voor meer informatie het veld ServerCertificateSubject in de structuur
    RPC_HTTP_TRANSPORT_CREDENTIALS in MSDN. U dient SSL te gebruiken voor
    deze optie. U dient ook de velden beveiligingspakket (-u) en
    verificatieniveau (-a) op te geven om deze optie te kunnen gebruiken.

-b - Hiermee wordt het servercertificaatonderwerp opgehaald uit het
    certificaat dat door de server wordt verzonden, en vervolgens op het
    scherm afgedrukt of in een logboekbestand opgeslagen. Deze optie is
    alleen geldig als de opties Alleen proxy-echo (-E) en SSL gebruiken zijn
    opgegeven. U dient ook de velden beveiligingspakket (-u) en
    verificatieniveau (-a) op te geven om deze optie te kunnen gebruiken.

-R - Hiermee wordt de HTTP-proxy opgegeven. De waarde 'none' betekent dat geen
    HTTP-proxy wordt gebruikt, maar de RPC-proxy rechtstreeks wordt
    geprobeerd. De waarde 'default' betekent dat de IE-instellingen voor de
    clientcomputer worden gebruikt. Elke andere waarde wordt gezien als een
    expliciete HTTP-proxy. Als u deze vlag niet opgeeft, wordt de
    standaardwaarde (het controleren van de IE-instellingen) gebruikt. Deze
    vlag is alleen geldig als de vlag -E (Alleen echo) is ingeschakeld.


-E - Hiermee wordt de ping beperkt tot de RPC/HTTP-proxy. De ping bereikt de
    server niet. Deze optie is handig als u probeert te bepalen of de
    RPC/HTTP-proxy bereikbaar is. U dient ook de velden beveiligingspakket
    (-u) en verificatieniveau (-a) op te geven als u deze optie wilt
    gebruiken. Gebruik de vlag -R als u een HTTP-proxy wilt opgeven. Als een
    HTTP-proxy in de vlag -o is opgegeven, wordt deze optie genegeerd.

-q - stille modus. Hiermee wordt niets gevraagd, behalve wachtwoorden. 'J'
    wordt als antwoord op alle vragen gegeven. Wees voorzichtig met deze
    optie.

-c - Smartcardcertificaat gebruiken. De gebruiker wordt gevraagd om een
    smartcard te selecteren.

-A <id voor HTTP-proxyverificatie> - Hiermee wordt de id opgegeven voor
    verificatie bij de HTTP-proxy. Dezelfde indeling als de optie -I. U
    dient ook de velden verificatieschema's (-U), beveiligingspakket (-u)
    en verificatieniveau (-a) op te geven als u deze optie wilt gebruiken.

-U <schema's voor HTTP-proxyverificatie> - De verificatieschema's die moeten
    worden gebruikt voor HTTP-proxyverificatie. Deze optie is een lijst met
    numerieke waardes of namen, gescheiden door komma's. Bijvoorbeeld: Basic,
    NTLM. Herkende waardes zijn:
        Basic - 1 of Basic
        NTLM - 2 of NTLM
        (Namen kunnen met kleine of hoofdletters worden opgegeven)
    U dient u de velden beveiligingspakket (-u) en verificatieniveau (-a) op
    te geven als u deze optie wilt gebruiken.

-r <interval_van_rapportresultaten> - als meerdere iteraties zijn opgegeven,
   worden met deze optie de huidige uitvoeringsstatistieken periodiek
   weergegeven, in plaats van na de laatste aanroep. De rapportinterval wordt
   in seconden opgegeven, en de standaardwaarde is 15.

-v <uitgebreid_niveau> - hiermee wordt bepaald hoe uitgebreid de uitvoer moet
   zijn. Standaardwaarde is 1. 2 en 3 bieden meer uitvoer van rpcping.

-d - Diagnostische gebruikersinterface voor RPC-netwerken starten

Bijvoorbeeld: proberen uit te vinden of de Exchange-server, waarmee verbinding
wordt gemaakt via RPC/HTTP, bereikbaar is:
    rpcping -t ncacn_http -s Exchange-server -o RpcProxy=voorzijdeproxy
        -P "gebruikersnaam,domein,*" -H Basic -u NTLM -a connect -F 3
Geef het wachtwoord op als u hierom wordt gevraagd. Exchange-server is de
naam van de Exchange-server, voorzijdeproxy is de naam van de proxy,
gebruikersnaam en domein is de gebruikersnaam en het domein zoals u dit in
Outlook opgeeft. De andere parameters vragen rpcping om de Exchange-server te
pingen, op dezelfde manier als Outlook met een typisch profiel verbinding zou
maken.

-p - Vragen om referenties als de verificatie mislukt.

 

SC   (Version 6.1.7600.16385)

FOUT: onbekende opdracht

BESCHRIJVING:
        SC is een opdrachtregelprogramma dat wordt gebruikt voor communicatie
        met Servicebeheer en services.
Syntaxis:
        sc <server> [opdracht] [servicenaam] <optie1> <optie2>...


        De optie <server> heeft de notatie '\\Servernaam'
        Als u meer hulp wilt bij opdrachten, typt u: 'sc [opdracht]'
        Opdrachten:
          query-----------De status van een service opvragen of
                          de status van typen services inventariseren.
          queryex---------De uitgebreide status van een service opvragen of
                          de status van typen services inventariseren.
          start-----------Een service starten.
          pause-----------De besturingsopdracht PAUSE naar een service sturen.
          interrogate-----De besturingsopdracht INTERROGATE naar een service
                          sturen.
          continue--------De besturingsopdracht CONTINUE naar een service
                          sturen.
          stop------------De aanvraag STOP naar een service sturen.
          config----------De configuratie van een service wijzigen
                          (definitief).
          description-----De beschrijving van een service wijzigen.
          failure---------De acties van de service bij een fout wijzigen.
          failureflag-----De foutacties-vlag van een service wijzigen.
          sidtype---------Het service- SID -type van een service wijzigen.
          privs-----------De vereiste bevoegdheden van een service wijzigen.
          qc--------------De configuratiegegevens van een service opvragen.
          qdescription----De beschrijving van een service opvragen.
          qfailure--------De acties van een service bij een fout opvragen.
          qfailureflag----De foutactie-vlag van een service opvragen.
          qsidtype--------Het service- SID -type van een service opvragen.
          qprivs----------De vereiste bevoegdheden van een service opvragen.
          qtriggerinfo----De activeringsparameters van een service opvragen.
          qpreferrednode--Het NUMA -voorkeursknooppunt van een service opvragen.
          delete----------Een service verwijderen (uit het register).
          create----------Een service maken (toevoegen aan het register).
          control---------Een besturingselement naar een service sturen.
          sdshow----------De security descriptor van een service bekijken.
          sdset-----------De security descriptor van een service instellen.
          showsid---------De service- SID die bij een arbitraire naam hoort,
                          weergeven.
          triggerinfo----De activeringsparameters van een service configureren.
          preferrednode--Het NUMA -voorkeursknooppunt van een service instellen.
          GetDisplayName--De weergavenaam ( DisplayName ) van een service ophalen.
          GetKeyName------De sleutelnaam van de service (ServiceKeyName) ophalen.
          EnumDepend------De serviceafhankelijkheden inventariseren.

        Bij de volgende opdrachten hoeft u geen servicenaam op te geven:
        sc <server> <opdracht> <optie>
          boot------------(ok | bad) Aangeven of de laatste opstartactie moet
                          worden opgeslagen als de laatst bekende juiste
                          opstartconfiguratie.
          Lock------------De servicedatabase vergrendelen.
          QueryLock-------De vergrendelingsstatus (LockStatus) van de SCManager-database
                          opvragen.
Voorbeeld:
        sc start MijnService

Wilt u Help-informatie weergeven voor de QUERY - en QUERYEX -opdrachten?
[ y | n ]:

 

SCHTASKS   (Version 6.1.7601.17514)

SCHTASKS /parameter [argumenten] 

Beschrijving:
    Hiermee kan een administrator geplande taken op een lokaal of extern
    systeem maken, verwijderen, opvragen, uitvoeren en beëindigen.

Parameterlijst:
    /Create         Nieuwe geplande taak maken.
    /Delete         Geplande taken verwijderen.

    /Query          Alle geplande taken weergeven.
    /Change         Eigenschappen van een geplande taak wijzigen.
    /Run            De geplande taak op aanvraag uitvoeren.

    /End            Huidige taak die wordt uitgevoerd stoppen.

    /ShowSid        De beveilings-id weergeven die overeenkomt met de naam
                    van een geplande taak.

    /?              Dit helpbericht weergeven.

Examples:
    SCHTASKS 
    SCHTASKS /?
    SCHTASKS /Run /?
    SCHTASKS /End /?
    SCHTASKS /Create /?
    SCHTASKS /Delete  /?
    SCHTASKS /Query  /?
    SCHTASKS /Change /?
    SCHTASKS /ShowSid /?

 

SDBINST   (Version 6.0.7600.16385)

Syntaxis: SDBINST [-?] [-q] [-u] [-g] [-p] [-n[:WIN32|WIN64]] myfile.sdb | {guid} |
          'naam'

    -? Deze Help-tekst weergeven.
    -p SDBs met patches toestaan.
    -q Stille modus: waarschuwingen worden automatisch geaccepteerd.
    -u Installatie ongedaan maken.
    -g {guid} - GUID van bestand (alleen installatie ongedaan maken).
    -n 'naam' - Interne naam van bestand (alleen installatie ongedaan maken).

 

SECEDIT   (Version 6.1.7600.16385)

De syntaxis van deze opdracht is:

secedit [/configure | /analyze | /import | /export | /validate | /generaterollback]

 

SET   (internal command)

CMD.EXE omgevingsvariabelen instellen, verwijderen of weergeven.

SET [variabele=[tekenreeks]]

  variabele   De naam van de omgevingsvariabele.
  tekenreeks  Een reeks tekens die u aan de variabele wilt toewijzen.

SET zonder parameters geeft de huidige omgevingsvariabelen weer.

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert de opdracht SET
als volgt:

Als de opdracht SET wordt aangeroepen met alleen een variabele-naam,
zal deze de waarde weergeven van alle variabelen waarvan het voorvoegsel
overeenkomt met de naam die is gegeven aan de opdracht SET. Bijvoorbeeld:

    SET P

geeft alle variabelen weer die beginnen met de letter P.

De opdracht SET stelt het ERRORLEVEL in op 1 als de variabele-naam
niet wordt gevonden in de actieve omgeving.

Als u de opdracht SET gebruikt, kunt u een is-gelijkteken (=) niet 
gebruiken in de naam van een variabele.

Twee nieuwe schakelopties zijn toegevoegd aan de opdracht SET:

    SET /A expressie
    SET /P variabele=[promptString]

Schakeloptie /A bepaalt dat de tekenreeks rechts van het is-gelijkteken een
numerieke expressie is die wordt geëvalueerd. De expressie-evaluator is
vrij eenvoudig en ondersteunt de volgende bewerkingen, in aflopende volgorde
van voorrang:

    ()                  - groepering
    * / %              - rekenkundige operators
    + -                 - rekenkundige operators
    << >>               - logische verschuiving
    &                   - And per bit
    ˆ                   - Uitsluitende Or per bit
    |                   - Or per bit
    = *= /= %= += -=   - toewijzing
      &= ˆ= |= <<= >>=
    ,                   - expressie-scheidingsteken

Als u een van de logische of modulus-operators gebruikt, dient u de
expressietekenreeks tussen aanhalingstekens te zetten. Alle niet-numerieke
tekenreeksen in de expressie worden behandeld als omgevingsvariabele-namen
waarvan de waarden worden omgezet naar nummers voordat ze worden gebruikt.
Als een omgevingsvariabele-naam is opgegeven, maar niet in de actieve
omgeving is gedefinieerd, wordt de waarde nul gebruikt. Hierdoor kunt u
rekenen met omgevingsvariabele-waarden zonder alle %-tekens te hoeven
typen om de waarden op te halen. Als /A wordt uitgevoerd vanaf de
opdrachtregel buiten het opdrachtscript om, wordt de laatste waarde van
de expressie weergegeven. De toewijzingsoperator vereist een
omgevingsvariabele-naam links van de toewijzingsoperator. Numerieke
waarden zijn decimale getallen, tenzij ze worden voorafgegaan door 0x voor
hexadecimale getallen en 0 voor octale getallen. Dus 0x12 is hetzelfde als
18 of 022. Opmerking: de octale notatie kan verwarrend zijn: 08 en 09 zijn
geen geldige getallen omdat 8 en 9 geen geldige octale cijfers zijn.

De schakeloptie /P biedt u de mogelijkheid om de waarde van een variabele
in te stellen op een regel van opgegeven invoer door de gebruiker. De
opgegeven promptString wordt weergegeven voordat de invoerregel wordt
gelezen. De promptString kan leeg zijn.

Vervanging van omgevingsvariabelen is als volgt verbeterd:

    %PATH:str1=str2%

zal de omgevingsvariabele PATH uitbreiden, waarbij elke 'str1' in het
uitgebreide resultaat wordt vervangen door 'str2'. 'Str2' kan een lege
tekenreeks zijn om alle voorkomende 'str1'-tekenreeksen te verwijderen uit
de uitgebreide uitvoer. 'str1' kan beginnen met een sterretje, zodat deze
tekenreeks overeenkomt met alles vanaf het begin van de uitgebreide uitvoer
tot de eerste keer dat het resterende gedeelte van str1 voorkomt.

U kunt ook subtekenreeksen opgeven voor een uitbreiding.

    %PATH:~10,5%

zal de omgevingsvariabele PATH uitbreiden en dan alleen de eerste 5
tekens gebruiken die beginnen op het elfde teken (offset 10) van het
uitgebreide resultaat. Als de lengte niet wordt opgegeven, wordt de
rest van de variabele-waarde als standaard gebruikt. Als een van de
cijfers (offset of lengte) negatief is, is het nummer dat wordt gebruikt
de lengte van de waarde van de omgevingsvariabele, toegevoegd aan de
opgegeven offset of lengte.

    %PATH:~-10%

zal de laatste 10 tekens van de variabele PATH ophalen.

    %PATH:~0,-2%

zal alles behalve de laatste twee tekens van de variabele PATH ophalen.

Ten slotte is ondersteuning voor vertraagde uitbreiding van 
omgevingsvariabele toegevoegd. Ondersteuning hiervoor is standaard
altijd uitgeschakeld, maar kan worden ingeschakeld/uitgeschakeld via
opdrachtregelparameter /V bij CMD.EXE. Zie hiervoor CMD /?

Vertraagde uitbreiding van omgevingsvariabele is handig voor het omzeilen
van beperkingen van de huidige uitbreiding die optreedt als een regel
tekst wordt gelezen, en niet als deze regel wordt uitgevoerd. Het volgende
voorbeeld geeft het probleem met directe variabele-uitbreiding weer:

    set VAR=ervoor
    if "%VAR%" == "ervoor" (
        set VAR=erna;
        if "%VAR%" == "erna" @echo Het werkt als u dit ziet
    )

Bovenstaand voorbeeld zal het bericht nooit laten zien omdat %VAR% in
BEIDE IF-opdrachten wordt vervangen als de eerste IF-opdracht wordt gelezen,
omdat deze logisch gezien de inhoud van de IF insluit, wat een samengestelde
opdracht is. Dus de IF binnen de samengestelde opdracht vergelijkt in
werkelijkheid 'voorheen' met 'erna', wat nooit gelijk zal zijn. Ook het
volgende voorbeeld zal niet als verwacht werken:

    set LIST=
    for %i in (*) do set LIST=%LIST% %i
    echo %LIST%

Hiermee wordt GEEN lijst met bestanden in de actieve map samengesteld,
maar wordt alleen de variabele LIST ingesteld op het laatste gevonden
bestand. Ook hier komt dat omdat de %LIST% slechts één keer wordt
uitgebreid als de FOR-opdracht wordt gelezen, en op dat moment is de
variabele LIST leeg. Dus de eigenlijke FOR-lus die wordt uitgevoerd, is:

    for %i in (*) do set LIST= %i

waarmee alleen LIST wordt ingesteld op het laatste gevonden bestand.

Met vertraagde uitbreiding van omgevingsvariabele kunt u een ander
teken (het uitroepteken) gebruiken om omgevingsvariabelen uit te breiden
tijdens uitvoering. Als vertraagde uitbreiding van variabelen is
ingeschakeld, kunnen bovenstaande voorbeelden als volgt worden herschreven
om te werken zoals bedoeld:

    set VAR=ervoor
    if "%VAR%" == "ervoor" (
        set VAR=erna
        if "!VAR!" == "erna" @echo Het werkt als u dit ziet
    )

    set LIST=
    for %i in (*) do set LIST=!LIST! %i
    echo %LIST%

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, zijn er verschillende
dynamische omgevingsvariabelen die kunnen worden uitgebreid maar die
niet voorkomen in de lijst met variabelen, zoals weergegeven
door SET. Deze variabele-waarden worden elke keer dynamisch berekend
als de variabele wordt uitgebreid. Als de gebruiker expliciet een
variabele definieert met een van deze namen, zal die definitie de
onderstaande dynamische variabelen negeren:

%CD% - uitbreiden naar de actieve maptekenreeks.

%DATE% - uitbreiden naar huidige datum met dezelfde indeling als de opdracht
	   DATE.

%TIME% - uitbreiden naar huidige tijd met dezelfde indeling als de opdracht
	   TIME.

%RANDOM% - uitbreiden naar een willekeurig decimaal getal tussen 0 en 32767.

%ERRORLEVEL% - uitbreiden naar de actieve ERRORLEVEL-waarde.

%CMDEXTVERSION% - uitbreiden naar het actieve versienummer van
		    opdracht-pocessorextensies.

%CMDCMDLINE% - uitbreiden naar de oorspronkelijke opdrachtregel die
		 de Opdrachtprocessor heeft aangeroepen.

%HIGHESTNUMANODENUMBER% - uitbreiden naar het hoogste NUMA-knooppuntnummer
			    op deze computer.

 

SETLOCAL   (internal command)

Begint lokalisatie van omgevingswijzigingen in een batchbestand.
Omgevingswijzigingen die zijn gemaakt nadat SETLOCAL is uitgegeven, zijn 
alleen geldig binnen het batchbestand. Als het einde van een batchscript
is bereikt, wordt een ENDLOCAL uitgevoerd voor alle resterende SETLOCAL-
opdrachten die zijn uitgegeven door het batchscript.

SETLOCAL

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert SETLOCAL als volgt:

Batchopdracht SETLOCAL accepteert nu optionele argumenten:
        ENABLEEXTENSIONS / DISABLEEXTENSIONS
            schakelt opdrachtprocessorextensies in of uit. Deze
            argumenten hebben een hogere prioriteit dan de schakelopties
            CMD /E:ON of /E:OFF.
 Zie CMD /? voor details.
        ENABLEDELAYEDEXPANSION / DISABLEDELAYEDEXPANSION
            schakelt vertraagde uitbreiding van omgevingsvariabele
	      in of uit. Deze argumenten hebben een hogere prioriteit dan de
            schakelopties CMD /V:ON of /V:OFF.
 Zie CMD /? voor details.
Deze wijzigingen blijven van toepassing tot de overeenkomende opdracht
ENDLOCAL, ongeacht de instelling ervan vóór de opdracht SETLOCAL.

Opdracht SETLOCAL zal de waarde ERRORLEVEL instellen als hieraan een
argument is gegeven. Het zal nul zijn als een van de twee geldige argumenten
is gegeven en één indien dit niet het geval is. U kunt dit in batchscripts
gebruiken om te bepalen of de extensies beschikbaar zijn, via de volgende
methode:

    VERIFY OTHER 2>nul
    SETLOCAL ENABLEEXTENSIONS
    IF ERRORLEVEL 1 echo Kan extensies niet inschakelen

Dit zal werken omdat SETLOCAL bij oude versies van CMD.EXE de waarde
ERRORLEVEL NIET instelt. De opdracht VERIFY met een ongeldig argument
initialiseert de waarde ERRORLEVEL op een waarde niet-nul.

 

SETVER

Sets the version number that MS-DOS reports to a program.

Display current version table:  SETVER [drive:path]
Add entry:                      SETVER [drive:path] filename n.nn
Delete entry:                   SETVER [drive:path] filename /DELETE [/QUIET]

  [drive:path]    Specifies location of the SETVER.EXE file.
  filename        Specifies the filename of the program.
  n.nn            Specifies the MS-DOS version to be reported to the program.
  /DELETE or /D   Deletes the version-table entry for the specified program.
  /QUIET          Hides the message typically displayed during deletion of
                  version-table entry.

 

SETX   (Version 6.1.7600.16385)

SetX kan op drie manieren werken: 

Syntaxis 1:
    SETX [/S computer [/U [domein\]gebruiker [/P [wachtwoord]]]] var waarde [/M]

Syntaxis 2:
    SETX [/S computer [/U [domein\]gebruiker [/P [wachtwoord]]]]
                                         var /K registerpad [/M]

Syntaxis 3:
    SETX [/S computer [/U [domein\]gebruiker [/P [wachtwoord]]]]
         /F bestand {var {/A x,y | /R x,y tekenreeks}[/M] | /X}
                    [/D beperkingen]

Beschrijving:
    Hiermee worden omgevingsvariabelen in de gebruikers- of
    systeemomgeving gemaakt of gewijzigd. Kan variabelen instellen
    op basis van argumenten, registersleutels of bestandsinvoer.

Parameterlijst:
    /S     computer        Het systeem waarmee verbinding wordt gemaakt

    /U     [domein\]gebruiker
                           Bepaalt de gebruikerscontext waarin de
                           opdracht moet worden uitgevoerd.

    /P     [wachtwoord]    Het wachtwoord voor de opgegeven gebruikers-
                           context. Vraagt om invoer indien overgeslagen.

    var                    De omgevingsvariabele die wordt ingesteld.

    waarde                 De waarde die wordt toegewezen aan de
                           omgevingsvariabele.

    /K     regpath         Geeft aan dat de variabele is gebaseerd op
                           informatie in een registersleutel.
                           Het pad dient in de volgende indeling te worden
                           opgegeven onderdeel\sleutel\...\waarde.
                           HKEY_LOCAL_MACHINE\System\CurrentControlSet\
                           Control\TimeZoneInformation\StandardName.

    /F     bestand         Geeft de bestandsnaam aan van het tekstbestand dat
                           dient te worden gebruikt.

    /A     x,y             Hiermee worden absolute bestandscoördinaten
                           (regel X, item Y) als zoekparameters opgegeven 
                           voor zoeken in het bestand.

    /R     x,y string      Hiermee worden relatieve bestandscoördinaten
                           t.o.v. 'string' als zoekparameters opgegeven
    /M                     Geeft aan dat de variabele moet worden ingesteld
                           in de systeemomgeving (HKEY_LOCAL_MACHINE)
                           De standaardinstelling is de variabele in
                           de HKEY_CURRENT_USER-
                           omgeving.

    /X                     Geeft de bestandsinhoud met x,y-coördinaten weer.

    /D     delimiters      Hiermee worden extra delimiters zoals ','
                           of '\' opgegeven. De ingebouwde delimiters zijn
                           spatie, tab, regeleinde, en linefeed. Elk
                           ASCII-teken kan als een extra delimiter worden
                           gebruikt. Het maximum aantal delimiters,
                           inclusief de ingebouwde, is 15.

    /?                     Dit helpbericht weergeven.

Opmerkingen:

      1) SETX schrijft variabelen naar de hoofdomgeving in het register.

      2) Op een lokaal systeem zijn variabelen die met dit hulp-
         programma worden gemaakt of aangepast, beschikbaar in
         het huidige opdrachtpromptvenster.

      3) Op een extern systeem zijn variabelen die met dit hulpprogramma
         worden gemaakt of gewijzigd beschikbaar bij de volgende 
         aanmelding.

      4) Geldige gegevenstypes voor de registersleutel zijn REG_DWORD,
         REG_EXPAND_SZ,
         REG_SZ, REG_MULTI_SZ.

      5) Ondersteunde onderdelen:  HKEY_LOCAL_MACHINE (HKLM),
         HKEY_CURRENT_USER (HKCU).

      6) Markeringen zijn hoofdlettergevoelig.

      7) REG_DWORD-waarden worden in decimalen uit het register
         opgehaald.

Voorbeelden:
    SETX MACHINE COMPAQ 
    SETX MACHINE "COMPAQ COMPUTER" /M
    SETX MYPATH "%PATH%"
    SETX MYPATH ~PAD~
    SETX /S computer /U gebruiker /P wachtwoord MACHINE COMPAQ 
    SETX /S computer /U gebruiker /P wachtwoord MYPATH ˆ%PATHˆ% 
    SETX TZONE /K HKEY_LOCAL_MACHINE\System\CurrentControlSet\
         Control\TimeZoneInformation\StandardName
    SETX BUILD /K "HKEY_LOCAL_MACHINE\Software\Microsoft\Windows
         NT\CurrentVersion\CurrentBuildNumber" /M
    SETX /S computer /U gebruiker /P wachtwoord TZONE /K HKEY_LOCAL_MACHINE\
         System\CurrentControlSet\Control\TimeZoneInformation\
         StandardName
    SETX /S computer /U gebruiker /P wachtwoord  BUILD /K 
         "HKEY_LOCAL_MACHINE\Software\Microsoft\Windows NT\
         CurrentVersion\CurrentBuildNumber" /M
    SETX /F ipconfig.out /X 
    SETX IPADDR /F ipconfig.out /A 5,11 
    SETX OCTET1 /F ipconfig.out /A 5,3 /D "#$*." 
    SETX IPGATEWAY /F ipconfig.out /R 0,7 Gateway
    SETX /S computer /U gebruiker /P wachtwoord  /F c:\ipconfig.out /X

 

SFC   (Version 6.1.7600.16385)

Microsoft (R) Windows (R) Broncontrole, versie 6.0
Copyright (c) 2006 Microsoft Corporation. Alle rechten voorbehouden.

Hiermee wordt de integriteit van alle beveiligde systeembestanden
gecontroleerd en worden ongeldige versies vervangen door geldige Microsoft-
versies.

SFC [/SCANNOW] [/VERIFYONLY] [/SCANFILE=<bestand>] [/VERIFYFILE=<bestand>]
    [/OFFWINDIR=<offline Windows-map> /OFFBOOTDIR=<offline opstartmap>]

/SCANNOW        De integriteit van alle beveiligde systeembestanden
                controleren, en de bestanden met problemen indien mogelijk
                herstellen.
/VERIFYONLY     De integriteit van alle beveiligde systeembestanden
                controleren. Geen herstelbewerkingen worden uitgevoerd.
/SCANFILE       De integriteit van het bestand waarnaar wordt verwezen
                controleren, en dit bestand herstellen als problemen zijn
                gevonden. Geef volledig pad <bestand> op.
/VERIFYFILE     De integriteit van het bestand met volledig pad <bestand>
                controleren. Geen herstelbewerking wordt uitgevoerd.
/OFFBOOTDIR     De locatie van de offline opstartmap, voor offline herstellen,
                opgeven.
/OFFWINDIR      De locatie vna de offline Windows-map, voor offline
                herstellen, opgeven.

Voorbeelden:

        sfc /SCANNOW
        sfc /VERIFYFILE=c:\windows\system32\kernel32.dll
        sfc /SCANFILE=d:\windows\system32\kernel32.dll /OFFBOOTDIR=d:\
            /OFFWINDIR=d:\windows
        svc /VERIFYONLY

 

SHIFT   (internal command)

Wijzigt de positie van een vervangbare parameter in een batchbestand.

SHIFT [/n]

Als opdrachtextensies worden ingeschakeld, ondersteunt de opdracht
SHIFT de schakeloptie /n, waardoor de opdracht begint met het
verplaatsen vanaf het x-de argument, waarbij x een waarde van
0 t/m 8 is. Bijvoorbeeld:

    SHIFT /2

verplaatst %3 naar %2, %4 naar %3 etc, waarbij %0 en %1 niet
worden beïnvloed.

 

SHORTCUT   (Version 4.0.0.951)

shortcut: [-? -h -f -c -r -s] [[-t] target [[-n] name]] [-d working directory]
	[-a Arguments] [-i Iconfile] [-x Icon index] [-u {all|[natdix]}] 
	[-l logfile]

  -? -h        This help
  -f           Force overwrite of an existing short cut
  -c           Change existing shortcut
  -s           Make shortcut non tracking (Stupid)
  -r           Resolve broken shortcut
  -t target    Specifies the target of the shortcut
  -n name      Specifies the file name of the shortcut file
  -d directory Specifies the directory name to start the application in
  -a arguments Specifies the arguments passed when the shortcut is used
  -i iconfile  Specifiles the file the icon is in
  -x index     Specifies the index into the icon file
  -u [spec]    Dumps the contents of a shortcut. 'all' is the same as 'natdix'
               but the letters of 'natdix' can be specified to display specific
               fields in the shortcut (repeats allowed, and order followed)
  -l logfile   record error messages in specified file

 

SHUTDOWN   (Version 6.1.7600.16385)

Syntaxis: SHUTDOWN [/i | /l | /s | /r | /g | /a | /p | /h | /e] [/f]
    [/m \\computer][/t xxx][/d [p|u:]xx:yy [/c "opmerking"]]

    No args    Help weergeven. Dit komt overeen met de schakeloptie /?.
    /?         Help weergeven. Dit komt overeen met het weglaten van
               alle schakelopties.
    /i         De grafische gebruikersinterface weergeven.
               Dit moet de eerste schakeloptie zijn.
    /l         Afmelden. Deze schakeloptie kan niet samen met de
               opties /m en /d worden gebruikt.
    /s         De computer afsluiten.
    /r         De computer afsluiten en opnieuw opstarten.
    /g         Computer afsluiten en opnieuw opstarten. Start geregistreerde
               toepassingen opnieuw nadat de computer opnieuw is opgestart.
    /a         Afsluiten van de computer afbreken.
               Dit kan alleen tijdens de time-out worden gebruikt.
    /p         De lokale computer zonder time-out of waarschuwing afsmluiten.
               Kan samen met de opties /d en /f worden gebruikt.
    /h         De lokale computer in de sluimerstand zetten.
               Kan samen met /f worden gebruikt.
    /e         Geef een reden op voor de onverwachte afsluiting van de computer.
    /m \\computer Geef de doelcomputer op.
    /t xxx     Stelt de time-outperiode voor afsluiten op xxx seconden in.
               Het geldige bereik ligt tussen 0 en 315360000 met een standaardwaarde van 30.
               Als de time-outperiode groter is dan 0, wordt de parameter /f
               geïmpliceerd.
    /c "commentaar" Geef aan waarom de computer opnieuw wordt gestart of afgesloten.
               Maximaal 512 tekens toegestaan.
    /f         Hiermee kunt u actieve toepassingen geforceerd sluiten zonder de gebruikers te waarschuwen.
               De parameter /f wordt geïmpliceerd wanneer een grotere waarde dan 0
               voor de parameter /t wordt opgegeven.
    /d [p|u:]xx:yy  Geef aan waarom de computer opnieuw wordt gestart of
                    afgesloten.
               'p' geeft aan dat het opnieuw starten of afsluiten is gepland.
               'u' geeft aan dat de reden door de gebruiker is opgegeven.
               Als 'p' noch 'u' wordt weergegeven, is het opnieuw starten of afsluiten
               niet gepland.
               xx is de primaire redencode (positief geheel getal kleiner dan 256).
               yy is de secundaire redencode (positief geheel getal kleiner dan 65.536).

Redenen op deze computer:
Type: E = verwacht, U = onverwacht, P = gepland, C = opgegeven door gebruiker.
Hoog en laag geven de ernst van de gebeurtenissen aan.
De cijfers in de kolommen geven het aantal gebeurtenissen aan.

Type	Hoog	Laag	Titel

 U  	0	0	Overige (niet gepland)
E   	0	0	Overige (niet gepland)
E P 	0	0	Overige (gepland)
 U  	0	5	Andere fout: systeem reageert niet
E   	1	1	Hardware: onderhoud (niet gepland)
E P 	1	1	Hardware: onderhoud (gepland)
E   	1	2	Hardware: installatie (niet gepland)
E P 	1	2	Hardware: installatie (gepland)
E   	2	2	Besturingssysteem: herstel (gepland)
E P 	2	2	Besturingssysteem: herstel (gepland)
  P 	2	3	Besturingssysteem: upgrade (gepland)
E   	2	4	Besturingssysteem: nieuwe configuratie (niet gepland)
E P 	2	4	Besturingssysteem: nieuwe configuratie (gepland)
  P 	2	16	Besturingssysteem: servicepack (gepland)
    	2	17	Besturingssysteem: hotfix (niet gepland)
  P 	2	17	Besturingssysteem: hotfix (gepland)
    	2	18	Besturingssysteem: beveiligingsfix (niet gepland)
  P 	2	18	Besturingssysteem: beveiligingsfix (gepland)
E   	4	1	Toepassing: onderhoud (niet gepland)
E P 	4	1	Toepassing: onderhoud (gepland)
E P 	4	2	Toepassing: installatie (gepland)
E   	4	5	Toepassing: reageert niet
E   	4	6	Toepassing: instabiel
 U  	5	15	Systeemfout: stopfout
 U  	5	19	Beveiligingsprobleem
E   	5	19	Beveiligingsprobleem
E P 	5	19	Beveiligingsprobleem
E   	5	20	Netwerkverbindingen verbroken (niet gepland)
 U  	6	11	Stroomstoring: snoer niet aangesloten
 U  	6	12	Stroomstoring: omgeving
  P 	7	0	Afsluiten met oudere API

 

SOON

---------------------------------------------------------------
SOON  :  Command Scheduling Utility  :  by kevina@microsoft.com
---------------------------------------------------------------

Usage : SOON [\\computername] [delay] [/INTERACTIVE] "command"
   or : SOON /D [/L:n] [/R:n] [/I:{ON|OFF}]

delay : the number of seconds from now when the scheduled job should start.

   /D : modify Default settings and/or display their current values.
   /L : set LocalDelay - default delay for Local jobs - initially 5 seconds.
   /R : set RemoteDelay - default delay for Remote jobs - initially 15 seconds.
   /I : set InteractiveAlways option - initially OFF.

SOON schedules a job to run in the near future, a number of seconds from now.
SOON closely resembles the AT command because SOON simply runs a suitable AT
command. For a details of the other arguments run "AT /?" without the quotes.

Examples : SOON CMD /C C:\JOBS\BATCH.CMD
           SOON 10 CMD /C C:\JOBS\BATCH.CMD
           SOON \\SERVER 60 /C \JOBS\BATCH.CMD
           SOON \\SERVER /INTERACTIVE CMD /C C:\JOBS\BATCH.CMD
           SOON /d /l:2 /r:30 /i:on

Current Settings :     InteractiveAlways = OFF
                    LocalDelay (seconds) = 5
                   RemoteDelay (seconds) = 15

 

SORT   (Version 6.1.7600.16385)

SORT [/R] [/+n] [/M kB] [/L landinstelling] [/REC record-bytes]
     [[station1:][pad1]bestandsnaam1] [/T [station2:][pad2]]
     [/O [station3:][pad3]bestandsnaam3]

  /+n                         Bepaalt het tekennummer, n, waarmee elke
                              vergelijking begint. /+3 geeft aan dat elke
                              vergelijking moet beginnen bij het derde teken
                              op elke regel. Regels met minder dan n tekens
                              worden ingevoegd voor andere regels. Standaard
                              beginnen vergelijkingen bij het eerste teken
                              op elke regel.
  /L[OCALE] landinstelling    Onderdrukt de standaardlandinstelling voor
                              het systeem met de opgegeven landinstelling. De
                              landinstelling ""C"" geeft de snelste
                              invoegvolgorde en is momenteel de enige optie.
                              Het sorteren is niet hoofdlettergevoelig.
  /M[EMORY] kilobytes         Bepaalt de hoeveelheid hoofdgeheugen die wordt
                              gebruikt voor het sorteren, in kilobytes. De
                              hoeveelheid geheugen is minimaal 160 kB. Als 
                              de hoeveelheid geheugen wordt opgegeven, wordt
                              precies die hoeveelheid gebruikt voor het
                              sorteren, ongeacht hoeveel hoofdgeheugen
                              beschikbaar is.

                              De beste prestaties worden gewoonlijk bereikt
                              door geen hoeveelheid geheugen op te geven.
                              Standaard gebeurt het sorteren in één keer
                              (zonder tijdelijk bestand) als het sorteren 
                              binnen de standaardhoeveelheid geheugen
                              kan. Anders gebeurt het sorteren in twee 
                              keer (waarbij de gedeeltelijk gesorteerde 
                              gegevens worden opgeslagen in een tijdelijk
                              bestand) zodat de hoeveelheid gebruikt 
                              geheugen gelijk is voor het sorteren en
                              samenvoegen. De standaardhoeveelheid geheugen 
                              is 90% van het beschikbare hoofdgeheugen
                              als zowel de invoer als uitvoer bestanden
                              zijn, en 45% in alle andere gevallen.
  /REC[ORD_MAXIMUM] tekens    Bepaalt het maximum aantal tekens in een
                              record (standaard is 4096, maximum is 65535)
  /R[EVERSE]                  Keert de sorteervolgorde om (sorteert van Z 
                              naar A en van 9 naar 0).
  [station:][pad1]
  bestandsnaam1               Bepaalt welk bestand wordt gesorteerd. Als dit
                              niet wordt opgegeven, wordt de standaardinvoer
                              gesorteerd. Het opgeven van het invoerbestand
                              is sneller dan het herleiden van hetzelfde
                              bestand als standaardinvoer.
  /T[EMPORARY]
  [station2:][pad2]           Bepaalt het pad van de map die de tijdelijke
                              opslag van het sorteren bevat, als de gegevens
                              niet passen in het hoofdgeheugen. Standaard
                              wordt de tijdelijke map van het systeem 
                              gebruikt.
  /O[UTPUT]
  [station3:][pad3]
  bestandsnaam3               Bepaalt het bestand waarin de gesorteerde 
                              invoer wordt opgeslagen. Indien niet 
                              opgegeven, worden de gegevens opgeslagen in 
                              de standaarduitvoer. Het opgeven van het
                              uitvoerbestand is sneller dan het herleiden 
                              van de standaarduitvoer naar hetzelfde 
                              bestand.

 

START   (internal command)

Een apart venster starten om een opgegeven programma of opdracht uit te
voeren.

START ['titel'] [/D pad] [/I] [/MIN] [/MAX] [/SEPARATE | /SHARED]
      [/LOW | /NORMAL | /HIGH | /REALTIME | /ABOVENORMAL | /BELOWNORMAL]
      [/NODE <NUMA-knooppunt>] [/AFFINITY <hex. affiniteitsmasker>] [/WAIT]
      [/B] [opdracht/programma] [parameters]

    'titel'     Titel om weer te geven in titelbalk van venster.
    pad         Startmap
    B           Toepassing starten zonder een nieuw venster te maken. De
                toepassing reageert niet op ˆC. Als het verwerken van ˆC
                niet wordt ingeschakeld, kan de toepassing alleen met
                ˆBreak worden onderbroken.
    I           De nieuwe omgeving wordt de oorspronkelijke omgeving die
                is doorgegeven aan cmd.exe en niet de actieve omgeving.
    MIN         Venster geminimaliseerd starten.
    MAX         Venster gemaximaliseerd starten.
    SEPARATE    16-bits Windows-programma starten in eigen geheugenruimte.
    SHARED      16-bits Windows-programma starten in gedeelde geheugenruimte.
    LOW         Toepassing starten in prioriteitsklasse IDLE.
    NORMAL      Toepassing starten in prioriteitsklasse NORMAL.
    HIGH        Toepassing starten in prioriteitsklasse HIGH.
    REALTIME    Toepassing starten in prioriteitsklasse REALTIME.
    ABOVENORMAL Toepassing starten in prioriteitsklasse ABOVENORMAL.
    BELOWNORMAL Toepassing starten in prioriteitsklasse BELOWNORMAL.
    NODE        Het voorkeurs-NUMA-knooppunt (Non-Uniform Memory Architecture)
                opgeven als een decimaal geheel getal.
    AFFINITY    De nieuwe toepassing heeft het opgegeven
                processoraffiniteitsmasker, opgegeven als hexadecimaal getal
                De uitvoering van het proces is beperkt tot deze processors.

                Het affiniteitsmasker wordt anders geïnterpreteerd als
                /AFFINITY en /NODE worden gecombineerd. Geef het
                affiniteitsmasker op alsof het processormasker van het
                NUMA-knooppunt naar rechts is verschoven zodat bij bit nul
                wordt gestart. De uitvoering van het proces is beperkt tot
                processors die zowel voor het opgegeven affiniteitsmasker als
                voor het NUMA-knooppunt worden gebruikt. Als er geen
                processors zijn die gemeenschappelijk worden gebruikt, is de
                uitvoering van het proces beperkt tot het opgegeven
                NUMA-knooppunt.
    WAIT        Toepassing starten en wachten totdat de toepassing wordt
                beëindigd.
    opdracht/programma
                Als het een interne cmd-opdracht of een batchbestand is,
                wordt de opdrachtprocessor uitgevoerd met optie /K voor
                cmd.exe. Dit houdt in dat het venster openblijft nadat
                de opdracht is uitgevoerd.

                Als het geen interne cmd-opdracht of batchbestand is, is
                het een programma en zal het worden uitgevoerd als een
                toepassing in een venster of als een consoletoepassing.

    parameters  Dit zijn de parameters die worden doorgegeven aan de
                opdracht of aan het programma.

Opmerking: de opties SEPARATE and SHARES worden niet ondersteund op 64-bits
platformen.

Als u /NODE opgeeft, kunt u processen maken waarvoor geheugen-
locality in NUMA-systemen kan worden gebruikt. Voor twee processen die veel
met elkaar communiceren via gedeeld geheugen kunt u bijvoorbeeld instellen
dat ze gebruik moeten maken van hetzelfde voorkeurs-NUMA-knooppunt. Op deze
manier zorgt u ervoor dat het geheugen minder afwijkingen bevat. Via de
processen wordt geheugen indien mogelijk vanuit hetzelfde NUMA-knooppunt
toegewezen. Daarnaast kunnen de processen ook worden uitgevoerd op
processors buiten het opgegeven knooppunt.

    start /NODE 1 application1.exe
    start /NODE 1 application2.exe

U kunt deze twee processen verder beperken zodat ze alleen op bepaalde
processors binnen hetzelfde NUMA-knooppunt kunnen worden uitgevoerd. In het
volgende voorbeeld wordt application1 uitgevoerd op de laagste twee processors
van het knooppunt, terwijl application2 op de volgende twee processors van het
knooppunt wordt uitgevoerd. In dit voorbeeld wordt ervan uitgegaan dat het
opgegeven knooppunt over minimaal vier logische processors beschikt. Houd er
rekening mee dat het knooppuntnummer kan worden gewijzigd in een willekeurig
geldig knooppuntnummer voor de desbetreffende computer zonder dat hiervoor
het affiniteitsmasker hoeft te worden aangepast.

    start /NODE 1 /AFFINITY 0x3 application1.exe
    start /NODE 1 /AFFINITY 0xc application2.exe

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert het extern aanroepen
van opdrachten via de opdrachtregel of de opdracht START als volgt:

Niet-uitvoerbare bestanden kunnen worden aangeroepen via hun bestands-
koppeling door alleen maar de bestandsnaam te typen als een opdracht
(b.v. WORD.DOC zal de toepassing starten die is gekoppeld aan bestands-
extensie .DOC). Zie de opdrachten ASSOC en FTYPE voor het maken van deze
koppelingen binnen een opdrachtscript.

Als een 32-bits GUI-toepassing wordt uitgevoerd, wacht CMD.EXE niet op
beëindiging van de toepassing voordat wordt teruggekeerd naar de opdracht-
prompt. Dit nieuwe gedrag treedt NIET op als de toepassing wordt uitgevoerd
vanuit een opdrachtscript.

Als een opdrachtregel wordt uitgevoerd die begint met de tekenreeks 'CMD '
zonder extensie of pad-qualifier, wordt 'CMD' vervangen door de waarde van
de variabele COMSPEC. Dit voorkomt dat CMD.EXE wordt opgepikt uit de 
actieve map.

Als een opdrachtregel wordt uitgevoerd waarvan het eerste gedeelte GEEN
extensie bevat, gebruikt CMD.EXE de waarde van omgevingsvariabele PATHEXT
om te bepalen naar welke extensies moet worden gezocht en in welke
volgorde. De standaardwaarde voor PATHEXT is:

        .COM;.EXE;.BAT;.CMD

    Opmerking: de syntaxis is gelijk aan variabele PATH, waarbij puntkomma's
    de onderdelen scheiden.

Als bij het zoeken naar een uitvoerbaar bestand geen overeenkomende extensie
wordt gevonden, wordt gekeken of de naam overeenkomt met een mapnaam. Als dat
het geval is, wordt de Verkenner op dat pad gestart door de opdracht START.
Als het gebeurt vanaf een opdrachtregel, is dit hetzelfde als het typen van
CD /D naar dat pad.

 

SUBINACL   (Version 5.2.3790.1180)

SubInAcl version 5.2.3790.1180

USAGE
-----

Usage :
     SubInAcl [/option...] /object_type object_name [[/action[=parameter]...]



 /options    :
    /outputlog=FileName                 /errorlog=FileName
    /noverbose                          /verbose (default)
    /notestmode (default)               /testmode
    /alternatesamserver=SamServer       /offlinesam=FileName
    /stringreplaceonoutput=string1=string2
    /expandenvironmentsymbols (default) /noexpandenvironmentsymbols
    /statistic (default)                /nostatistic
    /dumpcachedsids=FileName            /separator=character
    /applyonly=[dacl,sacl,owner,group]
    /nocrossreparsepoint (default)      /crossreparsepoint

 /object_type :
    /service            /keyreg             /subkeyreg
    /file               /subdirectories[=directoriesonly|filesonly]
    /clustershare       /kernelobject       /metabase
    /printer            /onlyfile           /process
    /share              /samobject

 /action      :
    /display[=dacl|sacl|owner|primarygroup|sdsize|sddl] (default)
    /setowner=owner
    /replace=[DomainName\]OldAccount=[DomainName\]New_Account
    /accountmigration=[DomainName\]OldAccount=[DomainName\]New_Account
    /changedomain=OldDomainName=NewDomainName[=MappingFile[=Both]]
    /migratetodomain=SourceDomain=DestDomain=[MappingFile[=Both]]
    /findsid=[DomainName\]Account[=stop|continue]
    /suppresssid=[DomainName\]Account
    /confirm
    /ifchangecontinue
    /cleandeletedsidsfrom=DomainName[=dacl|sacl|owner|primarygroup|all]
    /testmode
    /accesscheck=[DomainName\]Username
    /setprimarygroup=[DomainName\]Group
    /grant=[DomainName\]Username[=Access]
    /deny=[DomainName\]Username[=Access]
    /sgrant=[DomainName\]Username[=Access]
    /sdeny=[DomainName\]Username[=Access]
    /sallowdeny==[DomainName\]Username[=Access]
    /revoke=[DomainName\]Username
    /perm
    /audit
    /compactsecuritydescriptor
    /pathexclude=pattern
    /objectexclude=pattern
    /sddl=sddl_string
    /objectcopysecurity=object_path
    /pathcopysecurity=path_container

Usage  : SubInAcl   [/option...] /playfile file_name

Usage  : SubInAcl   /help [keyword]
         SubInAcl   /help /full
    keyword can be :
    features  usage syntax sids  view_mode test_mode object_type
    domain_migration server_migration substitution_features editing_features
	 - or -
    any [/option] [/action] [/object_type]


SYNTAX
------

describe SubInAcl syntax

The SubInAcl syntax is analog to the UNIX find tool.
For each object, SubInAcl :
    1. retrieves the security descriptor of the object
    2. applies the /action(s). The /actions are executed in the order of
       the command line
    3. If :
       - the security descriptor has been modified and
       - the /testmode switch has not been specified
       the changes are applied to the object
    For instance :
       - SubInAcl /outputlog=result.txt /subdirectories \\Server\c$\temp\*.*
                  /grant=Dom\John=F /noverbose /display
         For each file below \\Server\c$\temp, SubInAcl will
         - open the file
		  - grant full control for dom\john
         - display the security setting in noverbose mode
         - save the security descriptor.
         All outputs will be saved in result.txt

You can specify as many /actions as you wish. You must specify at least 3
characters for each action.
The command line is not case-sensitive

Ex: SubInAcl /file c:\temp\*.txt /replace=John=Smith /display
    for each *.txt file will - replace John with Smith
                             - display the whole security descriptor
                             - apply the changes if any

SubInAcl error messages are sent to the Standard error.
You can use the /output switch to save both outputs
and errors in the same file.


FEATURES
--------

describes SubInAcl main features
SubInAcl was designed to help administrators to manage security on
various objects.
It provides :
   - a unified way to manipulate security for different kinds of objects
     (files, registry keys, services, printer,...)
   - a console tool that allows to write scripts to automate
     security tasks
   - some features that help administrators to modify security if some
     changes occur in their organization:
         - user, group deletions (/suppresssid, /cleandeletedsidsfrom )
         - user, group migrations (/replace , /accountmigration) 
         - domain, server  migration (/changedomain, /migratetodomain) 
         ...
   - security descriptor editing features :
         - owner ( /setowner )
         - primary group ( /setprimarygroup )
         - permissions ( /grant , /deny , /revoke )
         - audit ( /sgrant, /sdeny, /sallowdeny)
   - access to remote objects
   - save and restore permissions (/playfile , /outputlog , /display )

You need SeBackupPrivilege SeRestorePrivilege
SeSecurityPrivilege SeTakeOwnershipPrivilege 
SeChangeNotifyPrivilege privileges (locally or remotely) to run this tool

Type SubInAcl /help to get extended help




SIDS
----

sids : explain how SubInAcl retrieves and translates SIDs

The security descriptor references users and groupswith a SID (Security
Identifier). A SID can be expressed in one of the following form:
         + DomainName\Account (ex: DOM\Administrators )
         + StandaloneServer\Group
         + Account ( see LookupAccount API )
         + s-1-x-x-x-x . x is expressed in decimal
           (ex: S-1-5-21-56248481-1302087933-1644394174-1001)
           Warning : In that case, no check is done to verify the existence
           of this SID.

SubInAcl maintains a local cache of SIDs to minimize SID to "Human Name"
translation network cost.

SubInAcl queries the server where the ressource object is located to
translate or retrieve SIDs. If needed, you can specify another SAM
server to translate SIDs (see /alternatesamserver).
If you try to replace SIDs and the originated domain or server is not online,
you can provide a file containing the needed SIDs (see /offlinesam).
You can dump the local cache of SIDs in a file (see /dumpcachedsids).


VIEW_MODE
---------

/noverbose /verbose

SubInAcl can be used in a quiet mode (/noverbose) or a in verbose mode
(/verbose , /Noverbose )
You can specify these switches either :
  - for the entire comand line :
       SubInAcl /noverbose /file *.dat /display
  - after a specific action    :
        SubInacl /file *.dat /display /noverbose /display



TEST_MODE
---------

/testmode /notestmode (default)

If /testmode is specified, the changes will not be reflected to the object
security descriptor. This option is useful to test the validity of a comand.
Ex : SubInacl /subdirec \\server\share\*.* /changedomain=DOMA=DOMB
              /ifchangecontinue /noverbose /display /testmode
     For each file modified this comand displays the modified security
     descriptor. But these changes will not physically apply to the files



OBJECT_TYPE
-----------

/file /subdirectories /onlyfile /keyreg /subkeyreg /service /share /clustershare /printer
/kernelobject /metabase /process /samobject

SubInAcl can work with various objects:
 - Files         :
      /file
      /subdirectories
      /onlyfile
 - Registry keys :
      /keyreg
      /subkeyreg
 - Services      :
      /service
 - Shares        :
      /share
      /clustershare
 - Printer       :
      /printer
 - Kernel named objects :
      /kernelobject
 - IIS adminidstration rights :
      /metabase
// - Process       :
      /process
 - Sam       :
      /SamObject

The actions are valid for all objects
Most of them support the enumeration with the * character


DOMAIN_MIGRATION
----------------

explain how to migrate security between domain SIDs

The main purpose of SubInAcl is to help administrators to migrate user(s)
if the domain architecture has changed.
For instance, the user John has moved and is now member of the DOMB domain.
You can reflect this change with :
SubInAcl /subdirec \\server\share\*.* /replace=OldDomain\John=DOMB\John
N.B: A trust relationship must be enabled between the domain of server and
OldDomain and NEWDOMAIN
N.B: If a trust relationship cannot be enabled, you can use the
/alternatesamserver=Server. Server should be the name of Domain Controller
Server

Sample :
  You have worked with a unique domain.
  You want to migrate a BDC named MIGRCONTROL with all the files and the
  users utilized on a new domain
  1. Reinstall the BDC as PDC to the NEWDOMAIN (without erasing the files)
  2. Create the users on NEWDOMAIN
  3. Create a "trusted relationship" with OLDDOMAIN
  4. Run SubInAcl /noverbose /subdirectories x:\*.*
                             /changedomain=OLDDOMAIN=NEWDOMAIN
  5. Verify the changes with SubInAcl /noverbose /subdirectories x:\*.*

Sample :
  You have worked with a standalone server named SERVER in a workgroup
  environment. You want to move this server (including users) to a domain DOM.
  1. Move SERVER to the domain DOM
  2. Create the users in the DOM domain
  3. SubInAcl /noverbose /subdirectories \\server\share
              /changedomain=SERVER=DOM

 See /changedomain /migratedomain /replace actions


SERVER_MIGRATION
----------------

explain how to migrate SIDs when objects are moved from one server to another one

Migrating file system from one local server to another local server is not
a trivial task. SubInAcl Version 2.2 has been enhanced to help this migration
process.
To migrate file system files from one local server and to preserve security,
you can perform the following steps:
 1. use scopy to copy files and ACLs on destination server
 2. create local groups on the destination server
 3. Use /changedomain or /changedomain with the /alternatesamserver option :
    By default SubInAcl queries the server where the objects are located to
    retrieve SIDS. This server is not aware of the SIDs valid on another
    standalone server
    To address this issue, you can use the /alternatesamserver option to ask
    SubInAcl to to use the alternamesamserver server if a SID resolution is
    not successfull on the initial server.
Sample :
    SubInAcl /alternatesamserver=SourceServer /subdirect
    \\DestServer\Share\*.*
             /migratedomain=SourceServer=DestServer

 See /alternatesamserver /migratedomain /offlinesam


EDITING_FEATURES
----------------

how to edit parts of the security descriptor

SubInAcl allows to modify each part of a a security descriptor :
- owner
       see /owner=SID or /setowner=SID
- primary group
       see /setprimarygroup=GroupSID
- system ACL (SubInAcl name = Audit ACL) with Access Control Entries
   (SubInAcl name= AAce = Audit ACE)
	see /audit /sgrant /sdeny /sallowdeny
- discretionnary ACL (SubInAcl name = Perm ACL ) with Access Control Entries
   (SubInAcl name= PAce = Perm ACE)
  see /perm   /pace=xxx  /revoke=SID /grant=SID=Access /deny=SID=access
       /sgrant=SID=Access /sdeny=SID=access
 /sallowdeny=SID=access- or the full security descriptor
  see /sddl=sddl_string



/SERVICE
--------

/service service_name

manipulate service
- \\ServerName\Messenger
- \\ServerName\M*
- Messenger
N.B: /driver can be used also.
      /driver  * will display all driversm
      /service * will display all services


/KEYREG
-------

/keyreg registry_key

manipulate registry keys
- HKEY_CURRENT_USER\Software
- HKEY_CURRENT_USER\Software\*Version
- \\Srv\HKEY_LOCAL_MACHINE\KeyPath


/SUBKEYREG
----------

/subkeyreg registry_key

manipulate registry keys and subkeys
- HKEY_CURRENT_USER\Software
- HKEY_CURRENT_USER\Software\*Version
- \\Srv\HKEY_LOCAL_MACHINE\KeyPath


/FILE
-----

/file filename

manipulate files
N.B: SubInAcl is not supported on DFS volumes
- *.obj
- c:\temp\*.obj
- \\servername\share\*.exe
- c:\
 /file=directoriesonly will apply parameters on directories only
 /file=filesonly will apply parameters on files only


/SUBDIRECTORIES
---------------

/subdirectories file_path

manipulate files in specified directory and all subdirectories
- c:\temp\*.obj     : work with all obj files
- c:\temp\test      : work with all test files below the c:\temp directory
- c:\temp\test\*.* : work with all files below temp\test
- c:\temp\test\    : work with all files below temp\test
 /subdirectories=directoriesonly will apply parameters on directories only
 /subdirectories=filesonly will apply parameters on files only


/ONLYFILE
---------

/onlyfile file_name

open a file without using the FindFilexxx mechanism.
Can be used to access named pipes or mailslot
- \\.\pipe\pipename


/SAMOBJECT
----------

/samobject samobject

allow to access ACL associated to SAM objects(users,localgroup,globalgroup).
Can be used to allow a localgroup(alias) created by a power users on a member
to be updated by another power users member
- \\samserver\localgroup
- \\samserver\*users*
- *group*
- Subinacl /samobject \\sams\testgroup /grant=poweruser1=f


/SHARE
------

/share file_share_name

access a network file share.
- \\server\share
- \\server\test*


/CLUSTERSHARE
-------------

/clustershare \\clustername\fileshareresource

access a cluster file share resource.
- \\clustername\FileShare_Resource_Name
- \\clustername\s*


/KERNELOBJECT
-------------

/kernelobject kernel_object_name

access a named kernel object.
Can be used to view mutex, sections, events objects


/PROCESS
--------

/process pid_or_executable_pattern

access a process object.
- notepad.* or pid_in_decimal


/METABASE 
----------

/metabase metabase_path

access to IIS metabase AdminACL metabase property
Note that this property can only be used with these Metabase paths
/LM/MSFTPSVC , /LM/MSFTPSVC/n , /LM/W3SVC , /LM/W3SVC/
This object doesn't support enumeration.
 - SubInAcl /metabase \\ServerName\LM\W3SVC /grant=administrator=F



/PRINTER 
---------

/printer printername

access to printer
- \\server\printer1
- \\server\*



/DISPLAY
--------

/display[=dacl|sacl|owner|primarygroup|sdsize|sddl]

display the security descriptor
You can also view part of the security descriptor. /display=dacl will
display the discretionary acl. /display=sddl will display the security
using the Win32 SDDL security descriptor string format (see Platform SDK)
The /noverbose display can be used to reapply the security descriptor
(see /playfile)


/PLAYFILE
---------

/playfile playfile

The /playfile feature allows SubInacl to run in a batch mode.
The format of the playfile command file is : 
   + object_type object_name
   /action[=parameter]...
   /action[=parameter]...
   +object_type object_name
   /action[=parameter]...

 SubInacl /playfile=playfile.txt with
 With playfile :
+subdirec *.txt
/grant=everyone=R
+service RkillSrv
/display
will give the same result than
SubInAcl /subdirectories *.txt  /grant=everyone=R
SubInAcl /service RkillSrv /display

One typical usage of the playfile feature is to allow to reapply security settings
saved previously because the output format of the noverbose /display is a playfile 
compatible format:
1.a)	SubInAcl  /noverbose /outputlog=d:\SubInaclSave.txt /subdirectories c:\*.* /display
This command saves all security settings for the files on C: drive.
Sids will be saved in the Domain\user string format
The /display option in a noverbose mode uses an output playfile compatible format
or
1.b)  SubInAcl /error=d:\Err.txt /outputlog=d:\SubInaclSave.txt /subdirectories c:\*.* /display=sddl
This command saves all security settings using the Win32 SDDL format.
Sids will be saved in the S-1-x-x form. This will not require SubInacl to translate Sids
This may minimize the elapsed time and resource usage
2)	SubInAcl /playfile d:\SubInaclSave.txt
This command will reapply the previously saved settings.

One other advantage of using a playfile is to improve performance and save network
bandwidth because SubInacl maintains a local cache of SIDs.
For instance if you issue :
SubInacl /subdirectories c:\*.* /migrate=domain1=domain2
And
SubInacl /subdirectories d:\*.* /migrate=domain1=domain2

Batching  these commands will reduce the network usage bandwidth and improve
performance because SID TO HUMAN NAME resolution process will be reduced.


/OUTPUTLOG
----------

/outputlog=filename

all outputs will be send in filename. You need to use /errlog switch to
redirect all errors in a different file


/ERRORLOG
---------

/errorlog=filename.txt

all errors will be send in the filename.txt


/ALTERNATESAMSERVER
-------------------

/alternatesamserver=Server

SubInAcl queries the Server where the object is located to lookup Sids.
Under some circumstances , you may need ( see server_migration or
domain_migration) to retrieve Sids from another server. If a Sid resolution is
unsuccessful, this option allows SubInAcl to query the alternamesamserver.


/OFFLINESAM
-----------

/offlinesam=FileName

By default, SubInAcl queries the Server where the object is located to lookup
Sids.Under some circumstances (migration where the source server is offline
or if a domain is no longer available, want to avoid network round trip
for SIDs retrievals), you may allow SubInAcl.exe to retrieve SIDs from 
the FileName file.
File format is :
__cachefileonly__=s-1-9-cacheonly
domain\simon=S-1-5-21-1190502449-1716722630-1654032285-1105
nat\julien=S-1-5-21-1060284298-436374069-1708537768-1005

where domain\simon and nat\julien can be a domain account or server account.
With the __cachefileonly__ line in the file, SubInAcl.exe will not query
SAM Server(s) anymore. All needed SIDs should be found in the SAM
cache file


/DUMPCACHEDSIDS
---------------

/dumpcachedsids=FileName

At the end of the subinacl execution,
you can dump the contents of the local cache Sids in a file.
This file can later be used for future SubInacl execution (see .
/offlinesam) to speed up the Sids resolution process)


/SETOWNER
---------

/setowner=SID

will change the owner of the object
/owner=SID or /setowner=SID
owner = DomainName\Administrators will retrieve the Administrators Sid on
the server where the object is (see Win32 SDK LookupAccountName function).


/REPLACE
--------

/replace=DomainName\OldAccount=DomainName\New_Account

    replace all ACEs (Audit and Permissions) in the object
    Ex: /replace=DOM_MARKETING\ChairMan=NEWDOM\NewChairMan will replace
        all ACEs containing DOM_MARKETING\ChairMan with NewChairMan SID
        retrieves from NEWDOM domain
    Warning: if DomainName\New_Account has already an ACE, ACE replacement is
    skipped


/ACCOUNTMIGRATION
-----------------

/accountmigration=DomainName\OldAccount=DomainName\New_Account

    (see /replace)
    will :
    - replace owner or primary group if one of them is DomainName\OldAccount.
    - duplicate ACE(s) with reference to DomainName\OldAccount for New_Account
    Ex: /accountmigration=DOM_MARKETING\ChairMan=NEWDOM\NewChairMan will
    duplicate all ACEs containing DOM_MARKETING\ChairMan with NewChairMan SID
    retrieves from NEWDOM domain
    Warning : if DomainName\New_Account has already an ACE, ACE replacement is
    skipped


/CLEANDELETEDSIDSFROM
---------------------

/cleandeletedsidsfrom=domain[=dacl|sacl|owner|primarygroup|all]

    delete all ACEs containing deleted (no valid) Sids from DomainName
    You can specify which part of the security descriptor will be scanned
    (default=all)
    If the owner is deleted, new owner will be the Administrators group.
    If the primary group is deleted, new primary group will be the Users group.


/CHANGEDOMAIN
-------------

/changedomain=OldDomainName=NewDomainName[=MappingFile[=Both]]

     replace all ACEs with a Sid from OldDomainName
     with the equivalent Sid found in NewSamServer
     Ex: /changedomain=DOM_MARKETING=NEWDOMAIN
     replace all ACEs containing DOM_MARKETING\ChairMan SID
     with the ChairMan's SID retrieved on NEWDOMAIN computer
     The NEWDOMAIN must have a trusted relationship with the server
     containing the object

     If you want to explicitly specify the users affected , you can specify a
     mapping file. The MappingFile file will allow you to specify the list of
     users affected and the name of the replacing user in the NewDomain

     Below a sample of a MappingFile

     simon=julien
     administrator=administrator 

     OldDomainName\Simon will be replaced by NewDomainName\Julien and
     OldDomainName\Administrator will be replaced with
     NewDomainName\Administrator

     If you use /changedomain=OldDomainName=NewDomainName=MappingFile notation
     ,only users defined in this file will be migrated.
     If you use /changedomain=OldDomainName=NewDomainName=MappingFile=Both,
     the mapping file will be examined first to determine if a mapping user
     exist. If not, SubInacl will try to find the equivalent user in the
     NewDomainName


/MIGRATETODOMAIN
----------------

/migratetodomain=FromDomainName=ToDomainName[=MappingFile[=Both]]

     same behavior than /changedomain except that news ACEs will added instead
     of replacing
     Ex: /migratetodomain=DOM1=DOM2
     each ace with DOM1\User will be duplicated with DOM2\User
     (If DOM2\User exists)
     If during the migration there was a serious oversight
     you can instruct the user to log back onto DOM1.
     N.B: Owner and Primary Group are migrated to DOM2


/FINDSID
--------

/findsid=DomainName\Account[=stop|continue]

     display the object name containing a reference to DomainName\Account
     in the security descriptor
     stop     - if Account is found, next parameters will be skipped
                and changes will not be applied
              - if Account is not found, next parameter will be executed
     continue - if Account found, next parameters will be executed
              - if Account not found, next parameters will be skipped
                and changes will not be applied


/SUPPRESSSID
------------

/suppresssid=DomainName\Account

     suppress all ACES containing the DomainName\Account SID.
     If the object's owner is DomainName\Account, the owner is set to
     Everyone's SID.


/PERM
-----

/perm

     suppress all existing permissions aces (PACEs)


/AUDIT
------

/audit

     suppress all existing auditing aces (AACEs)


/IFCHANGECONTINUE
-----------------

/ifchangecontinue

     continue to process the next actions only if some changes have been
     made in the previous actions


/TESTMODE
---------

/testmode

     changes will not be applied to the object. This allows to test the
     modifications


/ACCESSCHECK
------------

/accesscheck=Domain\Username

     display the access granted to the Domain\Username. The password will
     be asked. This option requires the SeTcbName privilege (Act as Part
     of the Operating System). This option cannot be used with remote object.
     Note : the access is checked with the NETWORK security identified
     granted to the Domain\UserName


/SETPRIMARYGROUP
----------------

/setprimarygroup=[DomainName\]Group

     change the primary group


/DENY
-----

/deny=[DomainName\]User[=Access]

     add a  denied Permission Ace for the specified User (or group)
	  If Access is not specified, all accesses will be denied.

     File:
       F : Full Control
       C : Change
       R : Read
       P : Change Permissions
       O : Take Ownership
       X : eXecute
       E : Read eXecute
       W : Write
       D : Delete

     ClusterShare:
       F : Full Control
       R : Read
       C : Change

     Printer:
       F : Full Control
       M : Manage Documents
       P : Print

-- Press Return To Continue ----     KeyReg:
       F : Full Control
       R : Read
       A : ReAd Control
       Q : Query Value
       S : Set Value
       C : Create SubKey
       E : Enumerate Subkeys
       Y : NotifY
       L : Create Link
       D : Delete
       W : Write DAC
       O : Write Owner

     Service:
       F : Full Control
       R : Generic Read
       W : Generic Write
       X : Generic eXecute
       L : Read controL
       Q : Query Service Configuration
       S : Query Service Status
       E : Enumerate Dependent Services
       C : Service Change Configuration
       T : Start Service
       O : Stop Service
       P : Pause/Continue Service
       I : Interrogate Service 
       U : Service User-Defined Control Commands

     Share:
       F : Full Control
       R : Read
       C : Change

     Metabase:
       F : Full Control
       R : Read - MD_ACR_READ
       W : Write - MD_ACR_WRITE
       I : Restricted Write - MD_ACR_RESTRICTED_WRITE
       U : Unsecure props read - MD_ACR_UNSECURE_PROPS_READ
       E : Enum keys- MD_ACR_ENUM_KEYS
       D : write Dac- MD_ACR_WRITE_DAC

     Process:
       F : Full Control
       R : Read
       W : Write
       X : eXecute

     SamObject:
       F : Full Control
       W : Write
       R : Read
       X : Execute


/REVOKE
-------

/revoke=[DomainName\]User

     suppress all Permission Ace(s) for the specified User (or group)


/GRANT
------

/grant=[DomainName\]User[=Access]

     will add a Permission Ace for the user.
     if Access is not specified, the Full Control access will be granted.

     File:
       F : Full Control
       C : Change
       R : Read
       P : Change Permissions
       O : Take Ownership
       X : eXecute
       E : Read eXecute
       W : Write
       D : Delete

     ClusterShare:
       F : Full Control
       R : Read
       C : Change

     Printer:
       F : Full Control
       M : Manage Documents
       P : Print

     KeyReg:
       F : Full Control
       R : Read
       A : ReAd Control
       Q : Query Value
       S : Set Value
       C : Create SubKey
       E : Enumerate Subkeys
       Y : NotifY
       L : Create Link
       D : Delete
       W : Write DAC
       O : Write Owner

     Service:
       F : Full Control
       R : Generic Read
       W : Generic Write
       X : Generic eXecute
       L : Read controL
       Q : Query Service Configuration
       S : Query Service Status
       E : Enumerate Dependent Services
       C : Service Change Configuration
       T : Start Service
       O : Stop Service
       P : Pause/Continue Service
       I : Interrogate Service 
       U : Service User-Defined Control Commands

     Share:
       F : Full Control
       R : Read
       C : Change

     Metabase:
       F : Full Control
       R : Read - MD_ACR_READ
       W : Write - MD_ACR_WRITE
       I : Restricted Write - MD_ACR_RESTRICTED_WRITE
       U : Unsecure props read - MD_ACR_UNSECURE_PROPS_READ
       E : Enum keys- MD_ACR_ENUM_KEYS
       D : write Dac- MD_ACR_WRITE_DAC

     Process:
       F : Full Control
       R : Read
       W : Write
       X : eXecute

     SamObject:
       F : Full Control
       W : Write
       R : Read
       X : Execute


/SALLOWDENY
-----------

/sallowdeny=[DomainName\]User[=Access]

     will add an Allow/Failed Audit Ace for the user and remove all existing
     Audit Ace for this user(or group).
     if Access is not specified, the Full Control access mask will be used.
     Ex: SubInacl /file c:\windows\explorer.exe /sallowdeny=everyone=R
         will set the audit for everyone's successful and failed access


/SGRANT
-------

/sgrant=[DomainName\]User[=Access]

     will add a Successfull (Allow) Audit Ace for the user and remove all existing
     Audit Ace for this user(or group).
     if Access is not specified, the Full Control access mask will be used.
     Ex: SubInacl /file c:\windows\explorer.exe /sgrant=everyone=R
         will set the audit for everyone's successful access

     File:
       F : Full Control
       C : Change
       R : Read
       P : Change Permissions
       O : Take Ownership
       X : eXecute
       E : Read eXecute
       W : Write
       D : Delete

     ClusterShare:
       F : Full Control
       R : Read
       C : Change

     Printer:
       F : Full Control
       M : Manage Documents
       P : Print

     KeyReg:
       F : Full Control
       R : Read
       A : ReAd Control
       Q : Query Value
       S : Set Value
       C : Create SubKey
       E : Enumerate Subkeys
       Y : NotifY
       L : Create Link
       D : Delete
       W : Write DAC
       O : Write Owner

     Service:
       F : Full Control
       R : Generic Read
       W : Generic Write
       X : Generic eXecute
       L : Read controL
       Q : Query Service Configuration
       S : Query Service Status
       E : Enumerate Dependent Services
       C : Service Change Configuration
       T : Start Service
       O : Stop Service
       P : Pause/Continue Service
       I : Interrogate Service 
       U : Service User-Defined Control Commands

     Share:
       F : Full Control
       R : Read
       C : Change

     Metabase:
       F : Full Control
       R : Read - MD_ACR_READ
       W : Write - MD_ACR_WRITE
       I : Restricted Write - MD_ACR_RESTRICTED_WRITE
       U : Unsecure props read - MD_ACR_UNSECURE_PROPS_READ
       E : Enum keys- MD_ACR_ENUM_KEYS
       D : write Dac- MD_ACR_WRITE_DAC

     Process:
       F : Full Control
       R : Read
       W : Write
       X : eXecute

     SamObject:
       F : Full Control
       W : Write
       R : Read
       X : Execute


/SDENY
------

/sdeny=[DomainName\]User[=Access]

     will add a Failed Audit Ace for the user and remove all existing
     Audit Ace for this user(or group).
     if Access is not specified, the Full Control access mask will be used.

     File:
       F : Full Control
       C : Change
       R : Read
       P : Change Permissions
       O : Take Ownership
       X : eXecute
       E : Read eXecute
       W : Write
       D : Delete

     ClusterShare:
       F : Full Control
       R : Read
       C : Change

     Printer:
       F : Full Control
       M : Manage Documents
       P : Print

     KeyReg:
       F : Full Control
       R : Read
       A : ReAd Control
       Q : Query Value
       S : Set Value
       C : Create SubKey
       E : Enumerate Subkeys
       Y : NotifY
       L : Create Link
       D : Delete
       W : Write DAC
       O : Write Owner

     Service:
       F : Full Control
       R : Generic Read
       W : Generic Write
       X : Generic eXecute
       L : Read controL
       Q : Query Service Configuration
       S : Query Service Status
       E : Enumerate Dependent Services
       C : Service Change Configuration
       T : Start Service
       O : Stop Service
       P : Pause/Continue Service
       I : Interrogate Service 
       U : Service User-Defined Control Commands

     Share:
       F : Full Control
       R : Read
       C : Change

     Metabase:
       F : Full Control
       R : Read - MD_ACR_READ
       W : Write - MD_ACR_WRITE
       I : Restricted Write - MD_ACR_RESTRICTED_WRITE
       U : Unsecure props read - MD_ACR_UNSECURE_PROPS_READ
       E : Enum keys- MD_ACR_ENUM_KEYS
       D : write Dac- MD_ACR_WRITE_DAC

     Process:
       F : Full Control
       R : Read
       W : Write
       X : eXecute

     SamObject:
       F : Full Control
       W : Write
       R : Read
       X : Execute


/OBJECTEXCLUDE
--------------

/objectexclude=pattern

      all objects matching the pattern string will be skipped (eXcluded).
	   The only wildcard valid is *. It can be used everywhere in the string.
      Pattern may be a name ( *Name.exe ) or a path ( *dir\subdir\*ToExclude* ).


/PATHEXCLUDE
------------

/pathexclude=pattern

      all containers matching the pattern string will not be enumerated.
      See /objectexclude
      N.B: the Actions specified will not be applied to the container too.


/STATISTIC
----------

/statistic

      will display statistics when processing is finished.


/CROSSREPARSEPOINT
------------------

/crossreparsepoint

      When processing a file system path, SubInacl will enumerate
      file and directories below a reparsepoint except if /nocrossreparsepoint.
      is specified.


/STRINGREPLACEONOUTPUT
----------------------

/stringreplaceonoutput=string1=string2

      All occurrences of string1 will be replaced by string2 in subinacl output.


/SDDL
-----

/sddl=sddl_string

      specify the Security descriptor for the object using the Win32 security
      descriptor definition language (SDDL)


/APPLYONLY
----------

/applyonly=dacl,sacl,owner,group

      Some subinacl options may change parts (owner,group,dacl,sacl) of the security descriptor.
      You may restrict the change to some parts of the security descriptor only .
      For instance /applyonly=dacl,sacl,owner will not modify the primary group field


/PATHCOPYSECURITY
-----------------

/pathcopysecurity=path_container

      SubInacl will reset the security descriptor for the object with the same named object
      in the container path.
      Ex: - SubInacl /file c:\temp\*.txt /pathcopysecurity=d:\test
          will replace the security (acls,owner,primarygroup) for c:\temp\1.txt with the security
          retrieved from d:\test\1.txt (if this file exists)
          -SubInacl /service Messenger /pathcopysecurity=\\Server
          will update the security on the service Messenger with the security existing on the remote
          messenger service


/OBJECTCOPYSECURITY
-------------------

/objectcopysecurity=object_path

      SubInacl will reset the security descriptor with the object object_path
      in the container path.
      Ex: - SubInacl /file c:\temp\*.txt /objectcopysecurity=d:\test\mask.txt
          will replace the security (acls,owner,primarygroup) for all txt files
          in c:	emp with the security retrieved on d:\test\amsk.txt
          will update the security on the service Messenger with the security existing on the remote
          messenger service

 

SUBST   (Version 6.1.7600.16385)

Een pad aan een stationsletter koppelen.

SUBST [station1: [station2:]pad]
SUBST station1: /D

  station1:       Bepaalt het virtuele station waaraan u een pad
                  wilt toewijzen.
  [station2:]pad  Bepaalt het fysieke station en pad waaraan u een
                  virtueel station wilt toewijzen.
  /D              Verwijdert een gekoppeld (virtueel) station.

Als u een lijst met huidige virtuele stations wilt weergeven,
typt u SUBST zonder parameters.

 

SXSTRACE   (Version 6.1.7600.16385)

Hulpprogramma voor WinSxs-tracering
Syntaxis: SxsTrace [Opties]
Opties:
   Trace -logfile:bestandsnaam [-nostop]
       Tracering voor sxs inschakelen.
       Traceringslogboek opgeslagen in 'bestandsnaam'.
       Als -nostop is opgegeven, wordt niet gevraagd om het traceren
       te stoppen.
   Parse -logfile:bestandsnaam -outfile:Geparseerd_bestand
         [-filter:Toepassingsnaam]
       Het onbewerkte traceerbestand omzetten in een leesbare indeling en
       het resultaat in Geparseerd_bestand opslaan.
       Gebruik de optie -filter als u de uitvoer wilt filteren.
   Stoptrace
       Het traceren stoppen als dit nog niet is gestopt.
Voorbeelden: SxsTrace Trace -logfile:SxsTrace.etl
             SxsTrace Parse -logfile:SxsTrace.etl -outfile:SxsTrace.txt

 

SYSTEMINFO   (Version 6.1.7600.16385)

SYSTEMINFO [/S systeem [/U gebruikersnaam [/P wachtwoord]]] [/FO indeling]
           [/NH]

Beschrijving:
    Dit hulpprogramma geeft de configuratiegegevens van het besturingssysteem
    een lokale of externe computer, inclusief servicepack-niveaus.

Parameterlijst:
    /S systeem               Bepaalt het systeem voor de verbinding

    /U [domein\]gebruiker    Bepaalt de gebruikerscontext waarbinnen de
                             opdracht moet worden uitgevoerd.

    /P [wachtwoord]          Bepaalt het wachtwoord voor de gegeven
                             gebruikerscontext. Vraagt om invoer indien
                             weggelaten.

    /FO indeling             Bepaalt in welke indeling de uitvoer moet worden
                             weergegeven. Geldige waarden: "TABLE", "LIST" en
                             "CSV".

    /NH                      Bepaalt dat de kolomkop niet in de uitvoer moet
                             worden weergegeven. Alleen geldig voor de
                             indelingen "TABLE" en "CSV".

    /?                       Dit helpbericht weergeven.

Voorbeelden:
    SYSTEMINFO
    SYSTEMINFO /?
    SYSTEMINFO /S systeem
    SYSTEMINFO /S systeem /U gebruiker
    SYSTEMINFO /S systeem /U domein\gebruiker /P wachtwoord /FO TABLE
    SYSTEMINFO /S systeem /FO LIST
    SYSTEMINFO /S systeem /FO CSV /NH

 

TAKEOWN   (Version 6.1.7601.17514)

TAKEOWN [/S computer [/U gebruikersnaam [/P [wachtwoord]]]]
        /F bestandsnaam [/A] [/R [/D prompt]]

Beschrijving:
    Met dit hulpprogramma kan een administrator opnieuw toegang
    tot een ontoegankelijk bestand krijgen door opnieuw een
    eigenaar toe te wijzen.

Parameterlijst:
    /S           computer        De externe computer waarmee
                                 verbinding wordt gemaakt.

    /U           [domein\]gebruiker
                                 De gebruikerscontext waarin
                                 opdracht moet worden uitgevoerd.

    /P           [wachtwoord]    Het wachtwoord voor de
                                 gebruikerscontext.
                                 Vraagt om invoer indien weggelaten.

    /F           bestandsnaam    Het naampatroon van de bestandsnaam
                                 of mapnaam. Het jokerteken '*' mag worden
                                 gebruikt
                                 om het patroon op te geven. Toegestaan is:
                                 sharenaam\bestandsnaam.

    /A                           Eigenaar wordt de groep
                                 Administrators in plaats van de huidige
                                 gebruiker.

    /R                           Recursief: hiermee werkt het hulpprogramma
                                 in de opgegeven map en alle
                                 submappen.

    /D           prompt          Standaardantowoord wordt gebruikt als
                                 de huidige gebruiker de bevoegdheid
                                 'mappen weergeven' niet heeft. Dit gebeurt als
                                 /R (recursief) wordt gebruikt in submappen.
                                 Geldige waarden: 'Y' als u eigenaar wilt

                                 worden of 'N' om over te slaan.

    /?                           Deze helptekst weergeven.

    OPMERKINGEN:

          1) Als /A niet is opgegeven, wordt eigendom overgedragen aan
             de huidig aangemelde gebruiker.

          2) Gemengde patronen met '?' en '*' worden niet ondersteund.

          3) Met de optie /D wordt de bevestigingsprompt weggelaten

Voorbeelden:
    TAKEOWN /?
    TAKEOWN /F verlorenbestand
    TAKEOWN /F \\computer\share\verlorenbestand /A
    TAKEOWN /F map /R /D N
    TAKEOWN /F map /R /A
    TAKEOWN /F *
    TAKEOWN /F C:\Windows\System32\acme.exe
    TAKEOWN /F %windir%\*.txt
    TAKEOWN /S computer /F MijnShare\Acme*.doc
    TAKEOWN /S computer /U gebruiker /F MijnShare\foo.dll
    TAKEOWN /S computer /U domein\gebruiker /P wachtwoord /F share\bestandsnaam
    TAKEOWN /S computer /U gebruiker /P wachtwoord /F Doc\Rapport.doc /A
    TAKEOWN /S computer /U gebruiker /P wachtwoord /F Mijnshare\* 
    TAKEOWN /S computer /U gebruiker /P wachtwoord /F domein\aanmeldingsnaam /R
    TAKEOWN /S computer /U gebruiker /P wachtwoord /F Mijnshare\map /R /A

 

TASKKILL   (Version 6.1.7600.16385)

TASKKILL [/S systeem [/U gebruikersnaam [/P [wachtwoord]]]]
         { [/FI filter] [/PID proces-id | /IM imagenaam] } [/T] [/F]

Beschrijving:
    Dit hulpprogramma wordt gebruikt om taken op basis van proces-id (pid) of
    imagenaam af te sluiten.

Parameterlijst:
    /S systeem               Bepaalt met welk extern systeem verbinding moet
                             worden gemaakt.

    /U [domein\]gebruiker    Bepaalt de gebruikerscontext waarbinnen de
                             opdracht moet worden uitgevoerd.

    /P wachtwoord            Bepaalt het wachtwoord voor de gegeven
                             gebruikerscontext.

    /FI   filter             Past een filter toe voor het selecteren van een
                             set taken.
                             Het gebruik van '*' is toegestaan. Bijvoorbeeld
                             imagenaam = ralph*

    /PID  proces-id          Bepaalt de pid van het te beëindigen proces.
                             Gebruik TaskList om de PID op te halen.

    /IM imagenaam            Bepaalt de imagenaam van het proces dat moet
                             worden beëindigd. Het jokerteken '*' is toegestaan
                             om alle taken of imagenamen op te geven.

    /T                       Het opgegeven proces en alle
                             onderliggende processen die erdoor zijn gestart,
                             beëindigen.

    /F                       Bepaalt de geforceerd te beëindigen processen.

    /?                       Deze helptekst weergeven.

Filters:
    Filternaam   Geldige operatoren       Geldige waarden
    ----------   ------------------       -------------------------
    STATUS       eq, ne                   RUNNING |
                                          NOT RESPONDING | UNKNOWN
    IMAGENAME    eq, ne                   Imagenaam
    PID          eq, ne, gt, lt, ge, le   Pid-waarde
    SESSION      eq, ne, gt, lt, ge, le   Sessienummer
    CPUTIME      eq, ne, gt, lt, ge, le   Processortijd in de volgende indeling:
                                          uu:mm:ss.
                                          uu - uur,
                                          mm - minuten, ss - seconden
    MEMUSAGE     eq, ne, gt, lt, ge, le   Geheugengebruik in kB
    USERNAME     eq, ne                   Gebruikersnaam in deze indeling:
                                          [domein\]gebruiker
    MODULES      eq, ne                   DLL-naam
    SERVICES     eq, ne                   Servicenaam
    WINDOWTITLE  eq, ne                   Venstertitel

    Opmerking
    ---------
    1) het jokerteken * voor de schakeloptie /IM is alleen toegestaan als er
       een filter wordt gebruikt.
    2) Het beëindigen van externe processen wordt altijd dwangmatig uitgevoerd
        (/F).
    3) De filters "WINDOWTITLE" en "STATUS" worden genegeerd
        als er een externe computer is opgegeven.

Voorbeelden:
    TASKKILL /IM notepad.exe
    TASKKILL /PID 1230 /PID 1241 /PID 1253 /T
    TASKKILL /F /IM cmd.exe /T 
    TASKKILL /F /FI "PID ge 1000" /FI "WINDOWTITLE ne untitle*"
    TASKKILL /F /FI "GEBRUIKER = NT AUTHORITY\SYSTEM" /IM notepad.exe
    TASKKILL /S computer /U domein\gebruiker /FI "GEBRUIKER <> NT*" /IM *
    TASKKILL /S systeem /U gebruikersnaam /P wachtwoord /FI
             "IMAGENAME eq note*"

 

TASKLIST   (Version 6.1.7600.16385)

TASKLIST [/S systeem [/U gebruikersnaam [/P [wachtwoord]]]]
         [/M [module] | /SVC | /V] [/FI filter] [/FO indeling] [/NH]

Beschrijving:
    Dit hulpprogramma geeft een lijst met actieve taken op
    de lokale of externe computer weer.

Parameterlijst:
   /S     systeem          Het externe systeem waarmee verbinding moet worden
                           gemaakt.

   /U     [domein\]gebruiker
                           De gebruikerscontext waarin de opdracht moet worden
                           uitgevoerd.

   /P     [wachtwoord]     Het wachtwoord voor de gegeven
                           gebruikerscontext.

   /M     [module]         Alle taken weergeven die de opgegeven
                           exe-/dll-naam gebruiken. Als de modulenaam niet
                           wordt opgegeven, worden alle geladen modules
                           weergegeven.

   /SVC                    De services van elk proces weergeven.

   /V                      Uitgebreide taakinformatie weergeven

   /FI    filter           Geeft een set taken weer die overeenkomen
                           met een criterium in het filter.

   /FO    indeling         De uitvoerindeling.
                           Geldige waarden: "TABLE", "LIST", "CSV".

   /NH                     De kolomkop moet niet in de uitvoer worden
                           weergegeven. Alleen geldig voor de indelingen
                           "TABLE" en "CSV".

    /?                     Deze helptekst weergeven.

Filters:
    Filternaam      Geldige operatoren        Geldige waarden
    -----------     ------------------        --------------------------
    STATUS          eq, ne                    RUNNING | 
                                              NOT RESPONDING | UNKNOWN
    IMAGENAME       eq, ne                    Imagenaam
    PID             eq, ne, gt, lt, ge, le    Pid-waarde
    SESSION         eq, ne, gt, lt, ge, le    Sessienummer
    SESSIONNAME     eq, ne                    Sessienaam
    CPUTIME         eq, ne, gt, lt, ge, le    Processortijd in de volgende
                                              indeling:
                                              uu:mm:ss
                                              uu - uren,
                                              mm - minuten, ss - seconden
    MEMUSAGE        eq, ne, gt, lt, ge, le    Geheugengebruik in kB
    USERNAME        eq, ne                    Gebruikersnaam in de volgende
                                              indeling: [domein\]gebruiker
    SERVICES        eq, ne                    Servicenaam
    WINDOWTITLE     eq, ne                    Venstertitel
    MODULES         eq, ne                    DLL-naam

Opmerking: "WINDOWTITLE" en "STATUS" worden niet ondersteund bij het raadplegen
      van een externe computer.

Voorbeelden:
    TASKLIST
    TASKLIST /M
    TASKLIST /V /FO CSV
    TASKLIST /SVC /FO LIST
    TASKLIST /M wbem*
    TASKLIST /S computer /FO LIST
    TASKLIST /S computer /U domein\gebruikersnaam /FO CSV /NH
    TASKLIST /S computer /U gebruikersnaam /P wachtwoord /FO TABLE /NH
    TASKLIST /FI "USERNAME ne NT AUTHORITY\SYSTEM" /FI "STATUS eq running"

 

TIME   (internal command)

De systeemtijd weergeven of instellen.

TIME [/T | time]

Typ TIME zonder parameters om de actieve tijdsinstelling weer te geven
en te vragen voor een nieuwe instelling. Druk op ENTER om dezelfde tijd
te behouden.

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, ondersteunt de
opdracht TIME de schakeloptie /T, waarmee de opdracht alleen
de huidige tijd weergeeft, zonder te vragen om een nieuwe
tijd.

 

TIMEOUT   (Version 6.1.7600.16385)

TIMEOUT [/T] time out [/NOBREAK] 

Beschrijving:
    Dit hulpprogramma accepteert een parameter voor time-out. Er wordt
    gewacht gedurende de opgegeven periode (seconden) of totdat een
    toets wordt ingedrukt. Toetsindruk kan worden genegeerd. 

Parameterlijst:
    /T        time out      Het aantal seconden dat dient te worden gewacht.
                            Geldig bereik is van -1 tot 99999 seconden.

    /NOBREAK                Negeer drukken op toetsen en wacht de opgegeven


                            tijd.

    /?                      Dit helpbericht weergeven.

Opmerking: een waarde van -1 betekent dat moet worden gewacht op het
indrukken van een toets.

Voorbeelden:
    TIMEOUT /?
    TIMEOUT /T 10
    TIMEOUT /T 300 /NOBREAK
    TIMEOUT /T -1

 

TITLE   (internal command)

Stelt de titel in voor het opdrachtpromptvenster.

TITLE [tekenreeks]

  tekenreeks       De titel voor het opdrachtpromptvenster.

 

TRACERPT   (Version 6.1.7600.16385)

Microsoft © TraceRpt.Exe (6.1.7600.16385)

Syntaxis:
  TRACERPT <[-l] <value [value [...]]>|-rt <session_name [session_name [...]]>> [opties]

Opties:
  -?                            Contextgevoelige Help weergeven.
  -config <filename>            Instellingenbestand met opdrachtopties.
  -y                            Alle antwoorden zonder te vragen met ja
                                beantwoorden.
  -f <XML|HTML>                 Rapportage-indeling.
  -of <CSV|EVTX|XML>            Dumpindeling, standaardwaarde is XML.
  -en <ANSI|Unicode>            Codering van uitvoerbestand. Alleen
                                toegestaan als de CSV-uitvoerindeling is
                                geselecteerd.
  -df <filename>                Microsoft-specifiek schemabestand voor
                                tellingen/rapportage.
  -import <filename [filename [...]]> Importbestand voor gebeurtenisschema.
  -int <filename>               De geïnterpreteerde gebeurtenisstructuur in
                                het opgegeven bestand dumpen.
  -rts                          Tijdstempel voor onbewerkt rapport in de
                                koptekst voor gebeurtenistracering. U kunt
                                dit alleen gebruiken met -o, en niet met
                                -report of -summary.
  -tmf <filename>               Definitiebestand voor de indeling van
                                traceringsberichten
  -tp <value>                   Het zoekpad voor TMF-bestanden. U kunt
                                meerdere paden gebruiken, gescheiden met ';'.
  -i <value>                    Het pad naar de provider-image. De
                                overeenkomende PDB bevindt zich op de
                                symboolserver. U kunt meerdere paden
                                gebruiken, gescheiden met ';'.
  -pdb <value>                  Het pad naar de symboolserver. U kunt
                                meerdere paden gebruiken, gescheiden met ';'.
  -gmt                          Tijdstempels voor WPP-nettolading converteren
                                naar GMT-tijd
  -rl <value>                   Systeemrapportniveau van 1 tot 5, de
                                standaardwaarde is 1.
  -summary [filename]           Beknopt tekstrapportbestand. Standaard is dit
                                summary.txt.
  -o [filename]                 Tekstuitvoerbestand. Standaard is dumpfile.xml.
  -report [filename]            Tekstuitvoerrapportbestand. Standaard is dit
                                workload.xml.
  -lr                           Minder beperkend; beste poging voor
                                gebeurtenissen die niet met gebeurtenisschema
                                overeenkomen.
  -export [filename]            Exportbestand met gebeurtenisschema.
                                Standaardwaarde is schema.man.
  [-l] <value [value [...]]>    Te verwerken
                                gebeurtenistraceringslogboekbestand.
  -rt <session_name [session_name [...]]> Real-time gegevensbron voor een
                                gebeurtenistraceersessie.

Voorbeelden:
  tracerpt logbestand1.etl logbestand2.etl -o logdump.xml -of XML
  tracerpt logbestand.etl -o logdmp.xml -of XML -lr -summary logdmp.txt -report logrpt.xml
  tracerpt logbestand1.etl logbestand2.etl -o -report
  tracerpt logfile.etl counterfile.blg -report logrpt.xml -df schema.xml
  tracerpt -rt "NT-kernellogboekregistratie" -o logbestand.csv -of CSV

 

TRACERT   (Version 6.1.7600.16385)

Syntaxis: tracert [-d] [-h maximum_hops] [-j hostlijst]
                  [-R] [-S srcaddr] [-4] [-6] bestemmingsnaam

Opties:
    -d                 Adressen niet omzetten in hostnamen.
    -h maximum_hops    Maximum aantal hops voor het zoeken naar het doel.
    -j hostlijst       Niet-strikte bronroute volgens hostlijst (alleen IPv4).
    -w time-out        Time-out in milliseconden voor ieder antwoord.
    -R                 Pad voor retourtracering (alleen IPv6).
    -S srcaddr         Te gebruiken bronadres (alleen IPv6).
    -4                 Gebruik van IPv4 afdwingen.
    -6                 Gebruik van IPv6 afdwingen.

 

TREE   (Version 6.1.7600.16385)

Geeft de mapstructuur van een station of pad grafisch weer.

TREE [station:][pad] [/F] [/A]

   /F   De namen van de bestanden in alle mappen weergeven.
   /A   ASCII in plaats van uitgebreide tekenset gebruiken.

 

TYPE   (internal command)

De inhoud van een tekstbestand of -bestanden weergeven.

TYPE [station:][pad]bestandsnaam

 

TYPEPERF   (Version 6.1.7600.16385)

Microsoft © TypePerf.exe (6.1.7600.16385)

Met Typeperf worden prestatiegegevens naar het opdrachtvenster of een

logboekbestand geschreven. Beëindig Typeperf door op Ctrl+C te drukken.

Syntaxis:
TYPEPERF { <counter [counter ...]> 
                                | -cf <bestandsnaam> 
                                | -q [object] 
                                | -qx [object] 
                                } [opties]

Parameters:
  <counter [counter ...]>       De prestatiemeteritems die moeten worden
                                gecontroleerd.

Opties:
  -?                            Contextgevoelige Help weergeven.
  -f <CSV|TSV|BIN|SQL>          De indeling van het uitvoerbestand. Standaard
                                is dit CSV.
  -cf <bestandsnaam>            Een bestand met de prestatiemeteritems die
                                moeten worden gecontroleerd, één per

                                regel.
  -si <[[hh:]mm:]ss>            De tijd tussen steekproeven. Standaard is dit
                                1 seconde.
  -o <bestandsnaam>             Het pad van het uitvoerbestand of de
                                SQL-database. De standaardwaarde is

                                STDOUT.
  -q [object]                   Geïnstalleerde items weergeven (geen
                                instanties). Als u items voor één object wilt
                                weergeven, dient u de objectnaam, zoals
                                Processor, te vermelden.
  -qx [object]                  Geïnstalleerde items met instanties
                                weergeven. Als u items voor één object wilt
                                weergeven, dient u de objectnaam, zoals
                                Processor, weer te geven.
  -sc <samples>                 Het aantal te verzamelen steekproeven.
                                Standaard worden steekproeven genomen totdat
                                op Ctrl+C wordt gedrukt.
  -config <bestandsnaam>        Instellingenbestand met opdrachtopties.
  -s <computer_name>            De server die moet worden gecontroleerd als
                                geen server in het itempad is opgegeven.
  -y                            Alle antwoorden zonder te vragen met ja
                                beantwoorden.

Opmerking:
  Item is de volledige naam van een prestatiemeteritem in
 de notatie  "\\<Computer>\<Object>(<Exemplaar>)\<Item>",
  zoals "\\Server1\Processor(0)\% Gebruikerstijd".

Voorbeelden:
  typeperf "\Processor(_Total)\% Processor Time"
  typeperf -cf counters.txt -si 5 -sc 50 -f TSV -o domain2.tsv
  typeperf -qx PhysicalDisk -o counters.txt

 

TZUTIL   (Version 6.1.7601.17514)

Windows-hulpprogramma voor tijdzones

Gebruik:
TZUTIL </? | /g | /s TimeZoneID[_dstoff] | /l>

Parameters:
    /? Gebruiksinformatie weergeven.

    /g De huidige tijdzone-id weergeven.

    /s TimeZoneID[_dstoff]
       De huidige tijdzone instellen met behulp van de opgegeven tijdzone-id.
       Met het achtervoegsel _dstoff worden aanpassingen aan de
       zomer-/wintertijd uitgeschakeld voor de tijdzone(indien van toepassing).

    /l Alle geldige tijdzone-id's en de weergavenamen weergeven. De uitvoer
       is als volgt:
           <weergavenaam>
           <tijdzone-id>

Voorbeelden:
    TZUTIL /g
    TZUTIL /s "Pacific Standard Time"
    TZUTIL /s "Pacific Standard Time_dstoff"

Opmerkingen:
    Met de afsluitingscode 0 wordt aangegeven dat de opdracht probleemloos is
    voltooid.

 

UNLODCTR   (Version 6.1.7601.17514)

UNLODCTR
    Itemnamen en verklarende tekst verwijderen voor het opgegeven
    item.

Syntaxis:

    UNLODCTR <stuurprogramma>
        stuurprogramma is de naam van het stuurprogramma waarvan de itemnaam-
        definities en verklarende tekst moeten worden verwijderd
        uit het register van het systeem.

    UNLODCTR /m:<manifest>
        manifest is de naam van het manifestbestand dat prestatiemeteritem-
        definities bevat. Deze items worden van het lokale systeem verwijderd.

    UNLODCTR /g:{ProviderGuid}
        ProviderGuid is het prestatiemeteritem dat wordt verwijderd.

    UNLODCTR /p:<Providernaam>
        Providernaam is provider van prestatiemeteritems die wordt verwijderd.

Let op: argumenten met spaties in de naam moeten tussen dubbele
aanhalingstekens staan.

 

VAULTCMD   (Version 6.1.7600.16385)

Hiermee kunt u opgeslagen referenties maken, weergeven of verwijderen.
De volgende opdrachten worden ondersteund. Typ VaultCmd /<opdracht> /? voor
meer informatie.
VaultCmd /create
VaultCmd /lock
VaultCmd /unlock
VaultCmd /load
VaultCmd /unload
VaultCmd /list
VaultCmd /listschema
VaultCmd /listcreds
VaultCmd /addcreds
VaultCmd /deletecreds
VaultCmd /listproperties
VaultCmd /setproperties

 

VER   (internal command)

De Windows-versie weergeven.

VER

 

VERIFIER   (Version 6.1.7600.16385)

Beheer van stuurprogrammacontrole - versie 6.1.7600.16385

Copyright (c) Microsoft Corporation. All rights reserved.
 
verifier /standard /driver NAAM [NAAM ...]
verifier /standard /all
verifier [/flags VLAGGEN ] [/faults [MOGELIJKHEID [LABELS [TOEPASSINGEN [MINUTEN]]]] /driver NAAM [NAAM ...]
verifier [/flags VLAGGEN ] [/faults [MOGELIJKHEID [LABELS [TOEPASSINGEN [MINUTEN]]]] /all
verifier /querysettings
verifier /volatile /flags VLAGGEN
verifier /volatile /adddriver NAAM [NAAM ...]
verifier /volatile /removedriver NAAM [NAAM ...]
verifier /volatile /faults [MOGELIJKHEID [LABELS [TOEPASSINGEN]]
verifier /reset
verifier /query
verifier /log NAAM_LOGBOEKBESTAND [/interval SECONDEN]
 
VLAGGEN moet een decimaal of hexadecimaal nummer zijn, een combinatie van bits:
 
    bit 0  - speciale pool-controle
    bit 1  - irql-controle forceren
    bit 2  - simulatie van onvoldoende bronnen
    bit 3  - pool-tracering
    bit 4  - I/O-verificatie
    bit 5  - deadlock-detectie
    bit 6  - ongebruikt
    bit 7  - DMA-verificatie
    bit 8  - beveiligingscontroles
    bit 9  - in behandeling zijnde I/O-aanvragen forceren
    bit 10 - IRP-logboekregistratie
    bit 11 - verschillende controles
 
Bijvoorbeeld: /flags 27 is gelijk aan /flags 0x1B
 
De optie /volatile kan worden gebruikt om de verifierinstellingen
dynamisch te wijzigen zonder het systeem opnieuw op te starten.
Alle nieuwe instellingen gaan verloren als het systeem opnieuw wordt gestart.
 
Optionele parameters voor foutinvoer:
 
PROBABILITY  - een getal tussen 1 en 10.000 dat de kans op de invoer van
               fouten aangeeft. Als u de waarde 100 opgeeft, is de kans op de invoer
               waarschijnlijkheid van 1% (100/10.000). Als deze parameter niet
               opgegeven is, wordt 6% gebruikt als standaardkans.
 
TAGS         - de groepslabels waarin fouten worden ingevoerd. Scheid de
               gescheiden door spaties. Als u deze parameter niet opgeeft,
               kunnen in elke groepstoewijzing fouten worden ingevoerd.
 
APPLICATIONS - de kopiebestandsnamen van de toepassingen waarin fouten
               worden ingevoerd. Scheid de namen met spaties. Als u
               Als u deze parameter niet opgeeft, kan simulatie van weinig beschikbare bronnen
               in elke toepassing optreden.
 
MINUTEN      - een positief getal dat de periode in minuten aangeeft waarin na het
               opnieuw opstarten geen fouten worden ingevoerd.
               Als u deze parameter niet opgeeft, wordt
               de standaardduur van acht minuten gebruikt.

 

VERIFY   (internal command)

Vertelt CMD.EXE of moet worden gecontroleerd of de bestanden
correct naar een schijf worden geschreven.

VERIFY [ON | OFF]

VERIFY zonder parameter geeft de huidige instelling voor VERIFY weer.

 

VOL   (internal command)

De volumenaam en het volumenummer van een schijf weergeven, indien aanwezig.

VOL [station:]

 

VSSADMIN   (Version 6.1.7600.16385)

vssadmin 1.1 - Opdrachtregelbeheerprogramma voor Volume Shadow Copy-service
(C) Copyright 2001-2005 Microsoft Corp.

---- Ondersteunde opdrachten ----

Delete Shadows        - Volumeschaduwkopieën verwijderen
List Providers        - geregistreerde providers van volumeschaduwkopieën weergeven
List Shadows          - Geeft bestaande schaduwkopieën weer
List ShadowStorage    - de opslagkoppelingen voor volumeschaduwkopieën weergeven
List Volumes          - alle volumes weergeven die voor schaduwkopieën in aanmerking komen
List Writers          - ingeschreven schrijvers van volumeschaduwkopieën weergeven
Resize ShadowStorage  - het formaat van een opslagkoppeling voor volumeschaduwkopieën wijzigen

 

W32TM   (Version 6.1.7601.17514)

w32tm [/? | /register | /unregister ]
  ? - dit Help-venster.
  register - als uit te voeren service registreren en standaardconfiguratie
    aan het register toevoegen
  unregister - serviceregistratie ongedaan maken en alle configuratie-
    gegevens uit register verwijderen

w32tm /monitor [/domain:<domeinnaam>]
               [/computers:<naam>[,<naam>[,<naam>...]]]
               [/threads:<aantal>] [/ipprotocol:<4|6>] [/nowarn]
  domain - hiermee geeft u het te controleren domein op. Als geen domeinnaam
    wordt opgegeven, of de opties domain en computers worden opgegeven,
    wordt het standaarddomein gebruikt. Deze schakeloptie kan meerdere
    keren worden opgegeven.
  computers - hiermee wordt de opgegeven lijst met computers gecontroleerd.
   Scheid computernamen met komma's, niet met spaties. Als een naam
    wordt voorafgegaan door een '*', wordt deze als AD-PDC behandeld.
    Deze schakeloptie kan meerdere keren worden opgegeven.
  threads - het aantal computers dat tegelijk wordt geanalyseerd.
    De standaardwaarde is 3. Het toegestane bereik is 1-50.
  ipprotocol - Het IP-protocol dat moet worden gebruikt. Standaard
    wordt het protocol gebruikt dat beschikbaar is.
  nowarn - waarschuwingsbericht overslaan.

w32tm /ntte <NT-tijdsepoche>
  Een NT-systeemtijd in intervallen van (10ˆ-7) vanaf 0 uur op 1 januari 1601
  in een leesbare indeling omzetten.

w32tm /ntpte <NTP-tijdsepoche>
  Een NTp-systeemtijd in intervallen van (2ˆ-32) vanaf 0 uur op 1 januari 1900
  in een leesbare indeling omzetten.

w32tm /resync [/computer:<computer>] [/nowait] [/rediscover] [/soft]
  Bepaalt dat de opgegeven computer zijn systeemtijd zo spoedig mogelijk moet
  synchroniseren en alle verzamelde foutstatistieken moet verwerpen.
  computer:<computer> de te synchroniseren computer. Als er geen computer
  wordt opgegeven, synchroniseert de lokale computer.
  nowait - niet op de hersynchronisatie wachten maar onmiddellijk terugkeren.
  Zonder deze optie wordt de hersynchronisatie eerst afgemaakt.
  rediscover - de netwerkconfiguratie opnieuw detecteren en netwerkbronnen
  opnieuw vinden voordat opnieuw wordt gesynchroniseerd.
  soft - opnieuw synchroniseren met behulp van foutstatistieken. Deze methode
  wordt alleen om compatibiliteitsredenen ondersteund en wordt niet
  aanbevolen.

w32tm /stripchart /computer:<doel> [/period:<vernieuwing>] [/dataonly]
 [/samples:<aantal>]
 Een strepengrafiek van het verschil tussen deze computer en de andere
 computer.
 computer:<doel> - de computer om het verschil mee vast te stellen.
 period:<vernieuwing> - de tijd tussen samples, in seconden. De
 standaardwaarde is 2 seconden.
 dataonly - alleen de gegevens weergeven, zonder een grafiek.
 samples:<aantal> - verzamelt het opgegeven aantal samples. Als er geen
 aantal wordt opgegeven, gaat het verzamelen door totdat Ctrl-C wordt
 ingedrukt.

w32tm /config [/computer:<doel>] [/update]
    [/manualpeerlist:<peers>] [/syncfromflags:<bron>]
    [/LocalClockDispersion:<seconden>]
    [/reliable:(YES|NO)]
    [/largephaseoffset:<milliseconden>]
  computer:<doel> - de configuratie van het <doel> aanpassen. Als er
    geen doel wordt opgegeven, wordt de lokale computer genomen.
    update - meldt de tijdservice dat de configuratie is gewijzigd,
    waardoor de wijzigingen van kracht worden.
  manualpeerlist:<peers> - stelt de handmatige-peerlijst in op <peers>.
    Dit is een door spaties gescheiden lijst met DNS- en/of IP-
    adressen. Als er meerdere peers worden opgegeven, dient deze
    schakeloptie in dubbele aanhalingstekens te worden opgegeven.
  syncfromflags:<bron> - bepaalt de bronnen waarmee de NTP-client
    moet synchroniseren. <bron> dient een door spaties
    gescheiden lijst met de volgende sleutelwoorden te zijn.
    Deze zijn niet hoofdlettergevoellig:
  MANUAL  - inclusief peers van de handmatige-peerlijst
  DOMHIER - synchroniseren vanuit een AD-domeincontroller in de
            domeinhiërarchie.
  LocalClockDispersion:<seconden> - configureert de accuratesse van de
    interne klok die w32time als bron neemt wanneer de tijd niet bij
    de geconfigureerde bronnen kan ophalen.
  reliable:(YES|NO) - bepaalt of deze computer een betrouwbare tijdsbron is.
    Deze instelling is slechts van belang op domeincontrollers.
       YES - deze computer is een betrouwbare tijdsbron
       NO  - deze computer is geen betrouwbare tijdsbron
  largephaseoffset:<milliseconden> - stelt het tijdsverschil tussen
    de lokale computer en het netwerk in, die w32time als referentie neemt.

w32tm /tz
  De huidige tijdzone-instellingen weergeven.

w32tm /dumpreg [/subkey:<sleutel>] [/computer:<doel>]
  De waarden weergeven die bij een bepaalde registersleutel horen.
  De standaardsleutel is HKLM\System\CurrentControlSet\Services\W32Time
    (de hoofdsleutel voor de tijdservice).
  subkey:<sleutel> - de waarden weergeven die bij de subsleutel <sleutel> van
                     de standaardsleutel horen.
  computer:<doel> - vraagt de registerinstellingen voor de computer <doel> op

w32tm /query [/computer:<doel>]
    {/source | /configuration | /peers | /status}
    [/verbose]
  De informatie over de Windows Time-service van de computer weergeven.
  computer:<doel> - de informatie van <doel> opvragen. Als dit niet wordt
                    opgegeven, is de lokale computer de standaardinstelling.
  source: de bron van de tijd weergeven.
  configuration: de configuratie van runtime en waar de instellingen
                 vandaan komen weergeven. In uitgebreide modus worden de
                 onbepaalde of ongebruikte instellingen ook weergegeven.
  peers: een lijst met gelijken en hun status weergeven.
  status: de status van de Windows Time-service weergeven.
  verbose: de uitgebreide modus instellen om meer informatie weer te geven.

w32tm /debug {/disable | {/enable /file:<naam> /size:<waarde>
      /entries:<waarde> [/truncate]}}
  Het persoonlijke logboek van de Windows Time-service van de computer
  in- of uitschakelen.
  disable: het persoonlijke logboek uitschakelen.
  enable: het persoonlijke logboek inschakelen.
    file:<name> - de absolute bestandsnaam opgeven.
    size:<bytes> - de maximum grootte voor logboekregistratie.
    entries: <waarde> - bevat een lijst met vlaggen, met cijfers opgegeven
      en gescheiden door komma's, die de typen gegevens opgeven die moeten
      worden geregistreerd. Geldige cijfers zijn 0 tot 300. Een bereik van
      nummers is geldig,samen met enkele nummers zoals 0-100,103,106.
      Waarde 0-300 is voor het registreren van alle gegevens.
  truncate: het bestand afbreken als het bestaat.

 

WAITFOR   (Version 6.1.7600.16385)

WaitFor kan op twee manieren functioneren: 

Syntaxis 1: signaal verzenden
    WAITFOR [/S computer [/U gebruiker [/P [wachtwoord]]]] /SI signaal

Syntax 2: wachten op een signaal
    WAITFOR [/T timeout] signaal 

Beschrijving:
    Dit hulpprogramma verzendt, of wacht op een signaal op een systeem.
    Als /S niet is opgegeven, wordt het signaal aan alle computers in een
    domein verzonden. Als /S is opgegeven, wordt het signaal alleen
    aan de opgegeven computer verzonden.

Parameterlijst:
    /S computer           Het externe systeem waaraan een signaal wordt
                          verzonden.

    /U [domein\]gebruiker De gebruikerscontext waarin de opdracht
                          dient te worden uitgevoerd.

    /P [wachtwoord]       Het wachtwoord voor de opgegeven
                          gebruikerscontext

    /SI                   Verzendt het signaal via het net naar wachtende
                          computers

    /T timeout            Aantal seconden wachten op signaal. Geldig bereik
                          is 1 - 99999. Standaardinstelling is onbeperkt
                          wachten.

    signaal               Naam van het signaal waarop wordt gewacht of
                          dat wordt verzonden.

    /?                    Dit helpbericht weergeven.

    Opmerking: een computer kan op meerdere unieke signalen tegelijk wachten.
    De naam van het signaal kan niet langer dan 255 tekens zijn
    en kan alleen de volgende tekens bevatten: a-z, A-Z, 0-9
    en ASCII-tekens in het bereik 128-255.

Voorbeelden:
    WAITFOR /?
    WAITFOR SetupReady 
    WAITFOR CopyDone /T 100 
    WAITFOR /SI SetupReady 
    WAITFOR /S computer  /U gebruiker /P wachtwoord /SI CopyDone

 

WBADMIN   (Version 6.1.7600.16385)

wbadmin 1.0 - opdrachtregelprogramma voor het maken van back-ups
(C) Copyright 2004 Microsoft Corp.

---- Ondersteunde opdrachten ----

START BACKUP              -- Hiermee voert u een eenmalige back-up uit.
STOP JOB                  -- Hiermee wordt de actieve back-up- of
                             herstelbewerking gestopt.
GET VERSIONS              -- Hiermee geeft u de details weer van back-ups die
                             kunnen worden hersteld vanaf een opgegeven
                             locatie.
GET ITEMS                 -- Hiermee geeft u de items in een back-up weer.
GET STATUS                -- Hiermee wordt de status van de actieve bewerking 
weergegeven.

 

WECUTIL   (Version 6.2.9200.16398)

Windows Event Collector Utility

Enables you to create and manage subscriptions to events forwarded from remote
event sources that support WS-Management protocol.

Usage:

You can use either the short (i.e. es, /f) or long (i.e. enum-subscription, /format)
version of the command and option names. Commands, options and option values are
case-insensitive.

(ALL UPPER-CASE = VARIABLE)

wecutil COMMAND [ARGUMENT [ARGUMENT] ...] [/OPTION:VALUE [/OPTION:VALUE] ...]

Commands:

es (enum-subscription)               List existent subscriptions.
gs (get-subscription)                Get subscription configuration.
gr (get-subscriptionruntimestatus)   Get subscription runtime status.
ss (set-subscription)                Set subscription configuration.
cs (create-subscription)             Create new subscription.
ds (delete-subscription)             Delete subscription.
rs (retry-subscription)              Retry subscription.
qc (quick-config)                    Configure Windows Event Collector service.

Common options:

/h|? (help)
Get general help for the wecutil program.

wecutil { -help | -h | -? }

For arguments and options, see usage of specific commands:

wecutil COMMAND -?

 

WEVTUTIL   (Version 6.1.7600.16385)

Opdrachtregelprogramma voor Windows-gebeurtenissen.

Hiermee kunt u informatie over gebeurtenislogboeken en uitgevers ervan
verkrijgen, gebeurtenismanifests installeren en verwijderen, query's
uitvoeren, en logboeken exporteren, archiveren en wissen.

Syntaxis:

U kunt de korte (bijvoorbeeld ep /uni) of de lange (bijvoorbeeld
enum-publishers /unicode) versie van de opdrachten en opties gebruiken.
Opdrachten, opties en optiewaarden zijn niet hoofdlettergevoelig.

Variabelen worden in hoofdletters geschreven.

wevtutil OPDRACHT [ARGUMENT [ARGUMENT] ...] [/OPTIE:WAARDE
         [/OPTIE:WAARDE] ...]

Opdrachten:

el | enum-logs          logboeknamen weergeven.
gl | get-log            informatie over logboekconfiguratie ophalen.
sl | set-log            configuratie van een logboek bijwerken.
ep | enum-publishers    gebeurtenisuitgevers weergeven.
gp | get-publisher      configuratie-informatie over uitgevers weergeven.
im | install-manifest   gebeurtenisuitgevers en logboeken installeren uit
                        manifest.
um | uninstall-manifest gebeurtenisuitgevers en logboeken verwijderen uit
                        manifest.
qe | query-events       query's uitvoeren voor gebeurtenissen vanuit een
                        logboek of logboekbestand.
gli | get-log-info      informatie over logboekstatus ophalen.
epl | export-log        een logboek exporteren.
al | archive-log        een geÙxporteerd logboek archiveren.
cl | clear-log          een logboek wissen.

Veelgebruikte opties:

/{r | remote}:WAARDE
Als deze optie wordt opgegeven, voert u de opdracht uit op de externe
computer. WAARDE is de naam van de externe computer. V/im en /um ondersteunen
geen externe bewerkingen.

/{u | username}:WAARDE
Een andere gebruiker opgeven voor aanmelding bijde  externe computer.
WAARDE is een gebruikersnaam met indeling domein\gebruiker of gebruiker.
Alleen geldig als optie /r (remote) wordt opgegeven.

/{p | password}:WAARDE
Wachtwoord voor de opgegeven gebruiker. Als deze niet is opgegeven of als
WAARDE '*' is, wordt de gebruiker om een wachtwoord gevraagd. Alleen van
toepassing als de optie /u (username) wordt opgegeven.

/{a | authentication}:[Default|Negotiate|Kerberos|NTLM]
Verificatietype voor het maken van verbinding met de externe computer.
Standaardwaarde is Negotiate.

/{uni | unicode}:[true|false]
Uitvoer in Unicode weergeven. Als true is opgegeven, is de uitvoer in Unicode.

Typ de volgende opdracht voor meer informatie over een bepaalde opdracht:

wevtutil COMMAND /?

 

WHERE   (Version 6.1.7600.16385)

WHERE [/R map] [/Q] [/F] [/T] patroon...

Beschrijving:
    Hiermee wordt de locatie van alle bestanden weergegeven die aan het
    zoekfilter voldoen. Standaard wordt alleen in de huidige map en
    in de paden die zijn opgegeven in de variabele PATH gezocht.

Parameterlijst:
    /R       Zoekt recursief en geeft de bestanden weer die overeen-
             komen met het zoekfilter. Gestart wordt in de opgegeven map.

    /Q       Retourneert alleen de afsluitcode, zonder de lijst met
             gevonden bestanden (stille modus)

    /F       Geeft de bestandsnaam binnen dubbele aanhalingstekens weer.

    /T       Geeft de bestandsgrootte, datum/tijd laatst gewijzigd
             weer voor alle gevonden bestanden.

    zoekfilter
             Het zoekfilter waaraan de bestanden moeten voldoen.
             De jokertekens * en ? kunnen in het filter worden gebruikt.
             de indelingen '$env:pattern' en 'path:pattern' kan ook worden
             opgegeven, met "env" als omgevingsvariabele en met /R.
             uitgevoerd in de opgegeven paden van de variabele
             'env' (omgeving). Deze indeling kan niet worden gebruikt met  /R.
             De zoekactie wordt ook uitgevoerd met het toevoegen van
             uitbreidingen van de variabele PATHEXT aan het zoekpatroon.

     /?      Dit helpbericht weergeven

  OPMERKING: het hulpprogramma retourneert een foutniveau van 0
        als de zoekactie resultaat heeft, 1 als geen resultaten worden gevonden
        en 2 bij mislukte zoekacties of fouten.

Voorbeelden:
    WHERE /?
    WHERE mijnbestandsnaam1 mijnbestand????.*
    WHERE $windir:*.* 
    WHERE /r c:\windows *.exe *.dll *.bat  
    WHERE /Q ??.??? 
    WHERE "c:\windows;c:\windows\system32:*.dll"
    WHERE /f /t *.dll 

 

WHOAMI   (Version 6.1.7600.16385)

WhoAmI kan op drie manieren functioneren: 

Syntaxis 1:
    WHOAMI [/UPN | /FQDN | /LOGONID]

Syntaxis 2:
    WHOAMI { [/USER] [/GROUPS] [/PRIV] } [/FO indeling] [/NH]

Syntaxis 3:
    WHOAMI /ALL [/FO indeling] [/NH]

Beschrijving:
    Dit hulpprogramma kan worden gebruikt voor het ophalen van
    de gebruikersnaam en groepsgegevens samen met beveiligings-id's,
    bevoegdheden, aanmeldings-id's van de huidige gebruiker
    op het lokale systeem, m.a.w. wie is de aangemelde gebruiker?
    Als er geen schakeloptie wordt opgegeven, wordt de gebruikers-
    naam in NTLM-indeling weergegeven (domein\gebruikersnaam).

Parameterlijst:
    /UPN                    Hiermee wordt de gebruikersnaam in UPN-
                            indeling (User Principal Name) weergegeven.

    /FQDN                   Hiermee wordt de gebruikersnaam in FQDN-
                            (Fully Qualified Distinguished Name)-indeling
                            weergegeven.

    /USER                   Hiermee worden gegevens van de huidige
                            gebruiker samen met beveiligings-id's weergegeven.

    /GROUPS                 Hiermee wordt groepslidmaatschap voor de
                            huidige gebruiker, type account en de
                            beveiligings-id's en kenmerken weergegeven.

    /PRIV                   Geeft beveiligingsbevoegdheden van de

                            huidige gebruiker weer.

    /LOGONID                Geeft aanmeldings-id van de huidige gebruiker weer.

    /ALL                    Hiermee worden de huidige gebruikersnaam,
                            groepslidmaatschap en beveiligings-id's
                            en bevoegdheden voor het huidige token
                            voor gebruikerstoegang weergegeven.

    /FO       indeling      De indeling van de uitvoer
                            Geldige waarden zijn TABLE, LIST, CSV.
                            Kolomkoppen worden niet weergegeven in CSV-
                            indeling. De standaardindeling is TABLE.

    /NH                     Geeft aan dat de kolomkop niet moet worden
                            weergegeven in de uitvoer. Dit is
                            alleen geldig voor TABLE- en CSV-indelingen.

    /?                      Dit helpbericht weergeven.

Voorbeelden:
    WHOAMI
    WHOAMI /UPN
    WHOAMI /FQDN 
    WHOAMI /LOGONID
    WHOAMI /USER
    WHOAMI /USER /FO LIST
    WHOAMI /USER /FO CSV
    WHOAMI /GROUPS
    WHOAMI /GROUPS /FO CSV /NH
    WHOAMI /PRIV
    WHOAMI /PRIV /FO TABLE
    WHOAMI /USER /GROUPS
    WHOAMI /USER /GROUPS /PRIV
    WHOAMI /ALL
    WHOAMI /ALL /FO LIST
    WHOAMI /ALL /FO CSV /NH
    WHOAMI /?

 

WINRM

Windows Remote Management Command Line Tool

Windows Remote Management (WinRM) is the Microsoft implementation of 
the WS-Management protocol which provides a secure way to communicate 
with local and remote computers using web services.  

Usage:
  winrm OPERATION RESOURCE_URI [-SWITCH:VALUE [-SWITCH:VALUE] ...]
        [@{KEY=VALUE[;KEY=VALUE]...}]

For help on a specific operation:
  winrm g[et] -?        Retrieving management information.
  winrm s[et] -?        Modifying management information.
  winrm c[reate] -?     Creating new instances of management resources.
  winrm d[elete] -?     Remove an instance of a management resource.
  winrm e[numerate] -?  List all instances of a management resource.
  winrm i[nvoke] -?     Executes a method on a management resource.
  winrm id[entify] -?   Determines if a WS-Management implementation is
                        running on the remote machine.
  winrm quickconfig -?  Configures this machine to accept WS-Management
                        requests from other machines.
  winrm configSDDL -?   Modify an existing security descriptor for a URI.
  winrm helpmsg -?      Displays error message for the error code.

For help on related topics:
  winrm help uris       How to construct resource URIs.
  winrm help aliases    Abbreviations for URIs.
  winrm help config     Configuring WinRM client and service settings.
  winrm help certmapping Configuring client certificate access.
  winrm help remoting   How to access remote machines.
  winrm help auth       Providing credentials for remote access.
  winrm help input      Providing input to create, set, and invoke.
  winrm help switches   Other switches such as formatting, options, etc.
  winrm help proxy      Providing proxy information.

 

WINRS   (Version 6.2.9200.16398)

USAGE
=====
(ALL UPPER-CASE = value that must be supplied by user.)

winrs [-/SWITCH[:VALUE]] COMMAND

COMMAND - Any string that can be executed as a command in the cmd.exe shell.

SWITCHES
========
(All switches accept both short form or long form. For example both -r and 
-remote are valid.)

-r[emote]:ENDPOINT      - The target endpoint using a NetBIOS name or the standard connection URL: [TRANSPORT://]TARGET[:PORT]. If not specified 
-r:localhost is used.

-un[encrypted]          - Specify that the messages to the remote shell will not be encrypted. This is useful for troubleshooting, or when the network traffic is already encrypted using ipsec, or when physical security is enforced. By default the messages are encrypted using Kerberos or NTLM keys. This switch is ignored when HTTPS transport is selected. 

-u[sername]:USERNAME    - Specify username on command line. If not specified the tool will use Negotiate authentication or prompt for the name. 
If -username is specified, -password must be as well.

-p[assword]:PASSWORD    - Specify password on command line. If -password is not specified but -username is the tool will prompt for the password. If -password is specified, -user must be specified as well.

-t[imeout]:SECONDS      - This option is deprecated. 

-d[irectory]:PATH       - Specifies starting directory for remote shell. If not specified the remote shell will start in the user's home directory defined by the environment variable %USERPROFILE%.

-env[ironment]:STRING=VALUE   - Specifies a single environment variable to be set when shell starts, which allows changing default environment for shell. Multiple occurrences of this switch must be used to specify multiple environment variables.

-noe[cho]               - Specifies that echo should be disabled. This may be necessary to ensure that user's answers to remote prompts are not displayed locally. By default echo is "on".

-nop[rofile]            - Specifies that the user's profile should not be loaded. By default the server will attempt to load the user profile. If the remote user is not a local administrator on the target system then this option will be required (the default will result in error).

-a[llow]d[elegate]      - Specifies that the user's credentials can be used to access a remote share, for example, found on a different machine than the target endpoint.

-comp[ression]          - Turn on compression.  Older installations on remote machines may not support compression so it is off by default.

-[use]ssl               - Use an SSL connection when using a remote endpoint.  Specifying this instead of the transport "https:" will use the default WinRM default port. 

-?                      - Help

To terminate the remote command the user can type Ctrl-C or Ctrl-Break, which will be sent to the remote shell. The second Ctrl-C will force termination of winrs.exe.

To manage active remote shells or WinRS configuration, use the WinRM tool.  The URI alias to manage active shells is shell/cmd.  The URI alias for WinRS configuration is winrm/config/winrs.  Example usage can be found in the WinRM tool by typing "WinRM -?".

Examples:
winrs -r:https://myserver.com command
winrs -r:myserver.com -usessl command
winrs -r:myserver command
winrs -r:http://127.0.0.1 command
winrs -r:http://169.51.2.101:80 -unencrypted command
winrs -r:https://[::FFFF:129.144.52.38] command
winrs -r:http://[1080:0:0:0:8:800:200C:417A]:80 command
winrs -r:https://myserver.com -t:600 -u:administrator -p:$%fgh7 ipconfig
winrs -r:myserver -env:PATH=ˆ%PATHˆ%;c:\tools -env:TEMP=d:\temp config.cmd
winrs -r:myserver netdom join myserver /domain:testdomain /userd:johns /passwordd:$%fgh789
winrs -r:myserver -ad -u:administrator -p:$%fgh7 dir \\anotherserver\share

 

WMIC   (Version 6.1.7600.16385)

[globale schakelopties] <opdracht>

De volgende globale schakelopties zijn beschikbaar:
/NAMESPACE           Pad voor de naamruimte waarop de alias van toepassing is.
/ROLE                Pad voor de functie die aliasdefinities bevat.
/NODE                Servers waarop de alias van toepassing is.
/IMPLEVEL            Niveau van clientimitatie.
/AUTHLEVEL           Clientverificatieniveau.
/LOCALE              Taal-id die de client moet gebruiken.
/PRIVILEGES          Alle bevoegdheden in- of uitschakelen.
/TRACE               Foutopsporingsgegevens worden uitgevoerd naar stderr.
/RECORD              Alle invoeropdrachten en uitvoer worden in een
                     logboek vastgelegd.
/INTERACTIVE         Stelt de interactieve modus (opnieuw) in.
/FAILFAST            Stelt de modus FailFast (opnieuw) in.
/USER                De gebruiker die tijdens deze sessie moet worden gebruikt.
/PASSWORD            Het wachtwoord dat voor aanmelden bij de sessie
                     moet worden gebruikt.
/OUTPUT              Geeft de modus voor het omleiden van de uitvoer aan.
/APPEND              Geeft de modus voor het omleiden van de uitvoer aan.
/AGGREGATE           Stelt de optelmodus (opnieuw) in.
/AUTHORITY           Geeft het <type autoriteit> voor de verbinding.
/?[:<BRIEF|FULL>]    Syntaxis.

Typ voor meer informatie over een bepaalde algemene
schakeloptie: schakeloptienaam /?


De volgende aliassen zijn beschikbaar in de huidige rol:
ALIAS                    - Toegang tot aliassen die op de lokale computer beschikbaar zijn.
BASEBOARD                - Systeemkaart (ook moederbord of systeembord) beheer
BIOS                     - Beheer van basis in- en uitvoerservices (BIOS)
BOOTCONFIG               - Opstartconfiguratiebeheer
CDROM                    - cd-rom-beheer
COMPUTERSYSTEM           - Computersysteembeheer
CPU                      - Processorbeheer
CSPRODUCT                - Productgegevens van het computersysteem uit SMBIOS
DATAFILE                 - Beheer van gegevensbestanden
DCOMAPP                  - Beheer van DCOM-toepassingen
DESKTOP                  - Beheer van het bureaublad van de gebruiker
DESKTOPMONITOR           - Beheer van monitor op bureaublad
DEVICEMEMORYADDRESS      - Beheer van geheugenadressen van apparaat
DISKDRIVE                - Beheer van fysiek schijfstation
DISKQUOTA                - Gebruik van schijfruimte voor NTFS volumes
DMACHANNEL               - Beheer van DMA (Direct Memory Access)-kanalen
ENVIRONMENT              - Beheer van instellingen voor systeemomgeving
FSDIR                    - Beheer van mapvermeldingen in het besturingssysteem
GROUP                    - Beheer van groepsaccounts
IDECONTROLLER            - IDE-controllerbeheer
IRQ                      - IRQ (Interrupt Request line)-beheer
JOB                      - Geeft toegang tot de taken die met de taakplannerservice zijn gepland
LOADORDER                - Beheer van systeemservices die uitvoeringsafhankelijkheden definiëren
LOGICALDISK              - Beheer van lokaal opslagapparaat
LOGON                    - Aanmeldsessies
MEMCACHE                 - Beheer van cachegeheugen
MEMORYCHIP               - Gegevens van geheugenchip
MEMPHYSICAL              - Fysiek geheugenbeheer van computersysteem
NETCLIENT                - Netwerkclientbeheer
NETLOGIN                 - Gegevensbeheer van aanmeldingsgegevens (van een bepaalde gebruiker) voor het netwerk
NETPROTOCOL              - Protocolbeheer (en beheer van netwerkeigenschappen)
NETUSE                   - Beheer van actieve netwerkverbindingen
NIC                      - Network Interface Controller (NIC)-beheer
NICCONFIG                - Netwerkadapterbeheer
NTDOMAIN                 - NT-domeinbeheer
NTEVENT                  - Vermeldingen in het gebeurtenislogboek van NT
NTEVENTLOG               - Beheer van NT-logboekbestand
ONBOARDDEVICE            - Beheer van veelgebruikte adapterapparaten die zijn ingebouwd in de systeemkaart
OS                       - Beheer van geïnstalleerde besturingssystemen
PAGEFILE                 - Beheer van bestandswisseling voor virtueel geheugen
PAGEFILESET              - Beheer van instellingen voor wisselbestand
PARTITION                - Beheer van gepartitioneerde gebieden op een fysieke schijf
PORT                     - I/O-poortbeheer
PORTCONNECTOR            - Beheer van fysieke verbindingspoorten
PRINTER                  - Beheer van afdrukapparaten
PRINTERCONFIG            - Configuratiebeheer van afdrukapparaten
PRINTJOB                 - Beheer van afdruktaken
PROCESS                  - Procesbeheer
PRODUCT                  - Taakbeheer van installatiepakketten
QFE                      - Quick Fix Engineering.  
QUOTASETTING             - Instellingsgegevens voor schijfquota op een volume
RDACCOUNT                - Toegangsbeheer voor de verbinding van Extern bureaublad.
RDNIC                    - Toegangsbeheer voor de verbinding van Extern bureaublad voor een specifieke netwerkadapter.
RDPERMISSIONS            - Machtigingen voor een specifieke verbinding van Extern bureaublad.
RDTOGGLE                 - Op afstand de listener voor Extern bureaublad in- of uitschakelen.
RECOVEROS                - Gegevens die uit het geheugen worden verzameld als het besturingssysteem niet meer werkt.
REGISTRY                 - Registerbeheer voor computersysteem
SCSICONTROLLER           - SCSI-controllerbeheer
SERVER                   - Beheer van servergegevens
SERVICE                  - Beheer van servicetoepassingen
SHADOWCOPY               - Beheer van schaduwkopieën
SHADOWSTORAGE            - Beheer van opslaggebied voor schaduwkopieën
SHARE                    - Beheer van gedeelde bronnen
SOFTWAREELEMENT          - Beheer van de onderdelen van een softwareproduct dat is geïnstalleerd op een computer.
SOFTWAREFEATURE          - Beheer van onderliggende softwareproductverzamelingen van  SoftwareElement
SOUNDDEV                 - Beheer van geluidsapparaat
STARTUP                  - Beheer van opdrachten die automatisch worden uitgevoerd als gebruikers zich op het computersysteem aanmelden.
SYSACCOUNT               - Systeemaccountbeheer
SYSDRIVER                - Beheer van het systeemstuurprogramma voor een basisservice.
SYSTEMENCLOSURE          - Beheer van fysieke systeemkast
SYSTEMSLOT               - Beheer van fysieke aansluitpunten, inclusief poorten, sloten, randapparatuur en fabriekseigen aansluitpunten.
TAPEDRIVE                - Beheer van tapestations
TEMPERATURE              - Gegevensbeheer van een temperatuursensor (elektronische thermometer).
TIMEZONE                 - Beheer van tijdzonegegevens
UPS                      - UPS (Uninterruptible Power Supply)-beheer
USERACCOUNT              - Gebruikersaccountbeheer
VOLTAGE                  - Gegevensbeheer van voltagesensor (elektronische voltmeter)
VOLUME                   - Lokaal beheer van opslagvolumes
VOLUMEQUOTASETTING       - Hiermee wordt de instelling voor diskquota aan een specifiek schijfvolume gekoppeld. 
VOLUMEUSERQUOTA          - Quotabeheer per gebruiker voor opslagvolumes
WMISET                   - Beheer van operationele parameters van WMI-service

Typ voor meer informatie over een bepaald alias: alias /?

CLASS     - naar volledig WMI-schema.
PATH      - naar volledig WMI-objectpad.
CONTEXT   - Geeft de status van alle algemene schakelopties weer.
QUIT/EXIT - Hiermee wordt het programma afgesloten.

Typ voor meer informatie over CLASS/PATH/CONTEXT: (CLASS | PATH | CONTEXT) /?

 

XCOPY   (Version 6.1.7600.16385)

Bestanden en mapstructuren kopiëren.

XCOPY bron [doel] [/A | /M] [/D[:datum]] [/P] [/S [/E]] [/V] [/W]
                  [/C] [/I] [/Q] [/F] [/L] [/G] [/H] [/R] [/T] [/U]
                  [/K] [/N] [/O] [/X] [/Y] [/-Y] [/Z] [/B]
                  [/EXCLUDE:bestand1[+bestand2][+bestand3]...]

  bron         Te kopiëren bestand(en).
  doel         Plaats en/of naam van de nieuwe bestanden.
  /A           Alleen bestanden waarvan het archiveringskenmerk is ingesteld,
               worden gekopieerd. Het kenmerk wordt niet gewijzigd.
  /M           Alleen bestanden waarvan het archiveringskenmerk is ingesteld,
               worden gekopieerd. Het archiveringskenmerk wordt uitgeschakeld.
  /D:d-m-j     Bestanden die op of na de opgegeven datum zijn gewijzigd, worden
               gekopieerd. Als u geen datum opgeeft, worden alleen bestanden
               gekopieerd waarvan de brontijd later is dan de doeltijd.
  /EXCLUDE:bestand1[+bestand2][+bestand3]...
               Hiermee wordt een lijst met bestanden opgegeven die
               tekenreeksen bevatten. Elke tekenreeks moet op een aparte regel
               in het bestand staan. Als een van de tekenreeksen overeenkomt
               met een deel van het absolute pad van het te kopiëren bestand,
               wordt dit bestand niet gekopieerd. Bijvoorbeeld: wanneer een
               tekenreeks zoals \obj\ of .obj of wordt opgegeven, worden
               respectievelijk alle bestanden in de map Obj of met de extensie
               .OBJ uitgesloten.
  /P           Vóór het maken van een doelbestand wordt om bevestiging
               gevraagd.
  /S           Niet-lege mappen en submappen worden gekopieerd.
  /E           Alle mappen en submappen, zelfs lege, worden gekopieerd.
               Gelijk aan /S /E. Kan worden gebruikt om /T aan te passen.
  /V           De grootte van elk nieuw bestand wordt gecontroleerd.
  /W           U wordt gevraagd op een toets te drukken voordat het kopiëren
               begint.
  /C           Het kopiëren gaat door, zelfs als er zich fouten voordoen.
  /I           Als het doel niet bestaat en er meerdere bestanden worden
               gekopieerd, wordt ervan uitgegaan dat het doel een map is.
  /Q           Tijdens het kopiëren worden geen bestandnamen weergegeven.
  /F           Tijdens het kopiëren worden volledige bron- en doelbestandsnamen
               weergegeven.
  /L           De te kopiëren bestanden worden weergegeven.
  /G           Hiermee kunnen versleutelde bestanden worden gekopieerd naar
               locaties die geen versleuteling ondersteunen.
  /H           Verborgen en systeembestanden worden ook gekopieerd.
  /R           Alleen-lezen bestanden worden overschreven.
  /T           Er wordt een mapstructuur zonder lege mappen of submappen
               gemaakt maar er worden geen bestanden gekopieerd. Met /T /E
               worden ook lege mappen en submappen gemaakt.
  /U           Er worden alleen bestanden gekopieerd die al bestaan in de
               doelmap.
  /K           Kenmerken worden gekopieerd. Standaard wordt met Xcopy het
               kenmerk Alleen-lezen gewist.
  /N           Er wordt gekopieerd met de gegenereerde korte namen.
  /O           Gegevens van de bestandseigenaar en ACL-gegevens worden
               gekopieerd.
  /X           Bestandscontrole-instellingen worden gekopieerd (impliceert /O).
  /Y           Bij het overschrijven van een bestaand doelbestand wordt niet
               om bevestiging gevraagd.
  /-Y          Bij het overschrijven van een bestaand doelbestand wordt om
               bevestiging gevraagd.
  /Z           Netwerkbestanden worden in modus voor opnieuw starten
               gekopieerd.
  /B           In plaats van het doel van de koppeling wordt de symbolische
               koppeling gekopieerd.
  /J           Hiermee wordt niet-gebufferde in-/uitvoer gekopieerd.
               Aanbevolen voor zeer grote bestanden.

De schakeloptie /Y kan vooraf worden ingesteld in omgevingsvaria

 

This HTML help file was generated by AllHelp.vbs, Version 3.21
Written by Rob van der Woude
http://www.robvanderwoude.com


page last uploaded: 2015-10-11, 12:21