| A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z |
|---|
| A | |
|---|---|
| ACINIUPD | utility to update the INI file. |
| APPEND | Allows programs to open data files in specified directories as if they were in the current directory. |
| ARP | Geeft de door Address Resolution Protocol (ARP) gebruikte tabellen weer voor het omzetten van IP-adressen naar fysieke adressen en wijzigt deze. |
| ASSOC | Bestandsassociaties weergeven of wijzigen |
| AT | De opdracht AT programmeert opdrachten en programma's zodat deze op een bepaalde tijd en datum door de computer worden uitgevoerd. Om deze opdracht te kunnen gebruiken moet de service Schedule zijn gestart. |
| ATTRIB | Bestandskenmerken weergeven of wijzigen. |
| AUDITPOL | Controlebeleidsprogramma |
| B | |
| BCDBOOT | Bcdboot - hulpprogramma voor het maken en repareren van Bcd-opstartbestanden. Het opdrachtregelprogramma bcdboot.exe wordt gebruikt voor het kopiëren van essentiële opstartbestanden naar de systeempartitie en voor het maken van een nieuwe BCD-opslag voor het systeem. |
| BCDEDIT | Eigenschappen instellen in de opstartdatabase voor het beheren van het opstarten. |
| BITSADMIN | BITS administration utility. |
| BOOTCFG | Met dit opdrachtregelprogramma kunt u de instellingen voor de opstartvermelding in het bestand boot.ini configureren, opzoeken, wijzigen of verwijderen. |
| BREAK | Uitgebreide Ctrl+C-controle in- of uitschakelen. |
| C | |
| CACLS | Toegangsbeheerlijsten voor bestanden weergeven of wijzigen. |
| CALL | Batchprogramma vanuit een ander batchprogramma aanroepen. |
| CD | Naam van huidige map weergeven of map wijzigen. |
| CDBURN | |
| CERTREQ | CertReq.exe |
| CERTUTIL | CertUtil.exe |
| CHCP | Nummer van actieve codetabel weergeven of instellen. |
| CHDIR | Naam van de huidige map weergeven of map wijzigen. |
| CHKDSK | Schijf controleren en statusrapport weergeven. |
| CHKNTFS | Schijfcontrole bij opstarten weergeven of aanpassen. |
| CHOICE | Met dit hulpprogramma kunnen gebruikers een item in een lijst selecteren en wordt de index van de keuze geretourneerd. |
| CIPHER | Hiermee kan de versleuteling van mappen (of bestanden) op NTFS-partities worden weergegeven en gewijzigd. |
| CLIP | Leidt uitvoer van een opdracht op de opdrachtregel om naar het klembord van Windows. Deze uitvoer kan vervolgens in andere programma's worden geplakt. |
| CLS | Scherm wissen. |
| CMD | Een nieuwe instantie van de Windows-opdrachtprompt starten. |
| CMDKEY | Maakt, verwijdert en geeft gebruikersnamen en wachtwoorden weer. |
| COLOR | Standaardkleuren van voor- en achtergrond instellen. |
| COMP | Inhoud van twee bestanden of verzamelingen van bestanden vergelijken. |
| COMPACT | Compressie van bestanden op NTFS-partities weergeven of wijzigen. |
| CONVERT | FAT-volumes omzetten naar NTFS. U kunt het huidige station niet omzetten. |
| COPY | Eén of meer bestanden naar een andere locatie kopiëren. |
| CSCRIPT | Microsoft ® Console Based Script Host |
| D | |
| DATE | Datum instellen of weergeven. |
| DEBUG | Runs Debug, a program testing and editing tool. |
| DEFRAG | Hiermee worden gefragmenteerde bestanden op lokale volumes opgezocht en geconsolideerd om de systeemprestaties te verbeteren. |
| DEL | Eén of meer bestanden verwijderen. |
| DEVCON | Device Console Help |
| DHCPLOC | |
| DIANTZ | Cabinet Maker - Lossless Data Compression Tool |
| DIR | Een lijst met bestanden en onderliggende mappen weergeven. |
| DISKCOMP | Inhoud van twee diskettes vergelijken. |
| DISKCOPY | Inhoud van een diskette naar een andere kopiëren. |
| DISKPART | De eigenschappen van een schijfpartitie weergeven of configureren. |
| DISKPERF | Hulpprogramma voor het configureren van schijfprestaties |
| DISKRAID | Microsoft DiskRAID versie 6.1.7601 |
| DISM | DISM wordt gebruikt voor het inventariseren, installeren, verwijderen, configureren en bijwerken van onderdelen van en pakketten in Windows- installatiekopieën. De beschikbare opdrachten zijn afhankelijk van de kopie die wordt verwerkt en verder speelt het een rol of de kopie offline is of actief is. |
| DISPDIAG | Logs display information to a file in the current directory. |
| DOSKEY | Opdrachtregel bewerken, Windows-opdrachten ongedaan maken en macros maken. |
| DPATH | Programma's in staat stellen om gegevensbestanden in opgegeven mappen te openen alsof deze bestanden zich in de actieve map bevinden. |
| DRIVERQUERY | De huidige status en eigenschappen van het appararaatstuurprogramma weergeven. |
| DSADD | This tool's commands add specific types of objects to the directory. |
| DSGET | This tool's commands display the selected properties of a specific object in the directory. |
| DSMOD | This dsmod command modifies existing objects in the directory. |
| DSMOVE | This command moves or renames an object within the directory. |
| DSQUERY | This tool's commands suite allow you to query the directory according to specified criteria. |
| DSRM | This command deletes objects from the directory. |
| DVDBURN | |
| E | |
| ECHO | Berichten weergeven of opdrachtecho's in-of uitschakelen. |
| EDIT | MS-DOS Editor Version 2.0.026 Copyright (c) Microsoft Corp 1995. |
| EDLIN | Starts Edlin, a line-oriented text editor. |
| ENDLOCAL | Lokalisatie van wijzigingen in de systeemomgeving in een batchbestand beëindigen. |
| ERASE | Eén of meer bestanden verwijderen. |
| EVENTCREATE | Met dit opdrachtregelprogramma kan een beheerder een aangepaste gebeurtenis-id en bericht in een opgegeven gebeurtenislogboek maken. |
| EXE2BIN | Converts .EXE (executable) files to binary format. |
| EXIT | Het programma CMD.EXE (opdrachtregel) afsluiten. |
| EXPAND | Eén of meer gecomprimeerde bestanden uitpakken. |
| EXTRACT | Diamond Extraction Tool - Version (16) 1.00.0530 (04/3/95) |
| F | |
| FC | Twee bestanden of twee bestandensets, en de verschillen tussen de bestanden weergeven. |
| FILEVER | Prints file version information. |
| FIND | Naar een tekenreeks in een bestand of bestanden zoeken. |
| FINDSTR | Naar tekenreeksen in bestanden zoeken. |
| FINGER | Gegevens weergeven over een gebruiker op een systeem waar de service Finger wordt uitgevoerd. De uitvoer hangt af van het externe systeem. |
| FLTMC | Programma Filterbeheerbesturing |
| FOR | Een opgegeven opdracht uitvoeren voor elk bestand in een verzameling bestanden. |
| FORFILES | Selecteert een bestand (of een groep bestanden) en voert een opdracht op het bestand uit. Dit is nuttig voor batchtaken. |
| FORMAT | Een schijf voor gebruik met Windows formatteren. |
| FSUTIL | De eigenschappen van het bestandssysteem weergeven of deze configureren. |
| FTP | Bestanden verplaatsen van en naar een computer met een FTP-serverservice (heet soms een daemon). FTP kan interactief worden gebruikt. |
| FTYPE | Bestandstypen die worden gebruikt in koppelingen van bestandsextensies, weergeven of wijzigen. |
| G | |
| GETMAC | Met dit hulpprogramma kan een administrator het MAC-adres van netwerkadapters op een computer weergeven. |
| GOTO | De opdracht-interpreter van Windows naar een gemarkeerde regel in een batchprogramma laten springen. |
| GPRESULT | De groepsbeleidinformatie voor de computer en gebruiker weergeven. |
| GPUPDATE | GPUpdate [/Target:{Computer | User}] [/Force] [/Wait:<waarde>] [/Logoff] [/Boot] [/Sync] |
| GRAFTABL | Een uitgebreide tekenset in grafische modus weergeven. |
| H | |
| HELP | Help-informatie voor Windows-opdrachten weergeven. |
| HOSTNAME | De naam van de huidige host weergeven. |
| I | |
| ICACLS | ACL's voor bestanden en mappen weergeven, aanpassen en terugzetten, of er een back-up maken. |
| IF | Voorwaardelijke verwerking in batchprogramma's uitvoeren. |
| IFMEMBER | Return Code shows number of groups this user is a member of. |
| IPCONFIG | Standaard wordt alleen het IP-adres, subnetmasker en de standaardgateway voor elke aan TCP/IP-gebonden adapter weergegeven. |
| ISCSICLI | Microsoft iSCSI-initiator, versie 6.1 Build 7601 |
| J | |
| JT | Microsoft (R) Task Scheduler Command Line Utility |
| L | |
| LABEL | De volumenaam van een schijf instellen, wijzigen of verwijderen. |
| LODCTR | Hiermee worden registerwaarden van prestatiemeteritems bijgewerkt. |
| LOGEVENT | Log an user event to EventLog registry. |
| LOGMAN | Microsoft © Logman.exe (6.1.7601.17514) |
| LOGOFF | Command-line logoff utility version 1.00. |
| M | |
| MAKECAB | Cabinet Maker - Lossless Data Compression Tool |
| MANAGE-BDE | Hiermee wordt BitLocker-stationsversleuteling op schijfvolumes |
| MD | Een map maken. |
| MEM | Displays the amount of used and free memory in your system. |
| MKDIR | Een map maken. |
| MKLINK | Symbolische koppelingen en harde koppelingen maken |
| MODE | Een systeemapparaat configureren. |
| MORE | Uitvoer scherm voor scherm weergeven. |
| MOUNTVOL | Maakt, verwijdert of geeft een volumekoppelingspunt weer. |
| MOVE | Eén of meer bestanden van een map naar een andere map verplaatsen. |
| MRINFO | Multicastinformatie |
| N | |
| NBTSTAT | Protocolstatistieken en actieve TCP/IP-verbindingen weergeven die NBT gebruiken (NetBIOS over TCP/IP). |
| NET | Net Command |
| NETCFG | WinPE network installer |
| NETSH | Netwerkopdrachtshell |
| NETSTAT | Protocolstatistieken en de actieve TCP/IP-netwerkverbindingen weergeven. |
| NLSFUNC | Loads country-specific information. |
| NLTEST | Hulpprogramma Microsoft® Logon Server Test |
| NSLOOKUP | nslookup APP |
| O | |
| OPENFILES | De bestanden weergeven die door externe gebruikers worden gebruikt tijdens het delen van bestanden. |
| P | |
| PATH | Het zoekpad voor uitvoerbare bestanden weergeven of instellen. |
| PATHPING | TCP/IP-opdracht PathPing |
| PAUSE | De verwerking van een batchbestand onderbreken en een bericht weergeven. |
| PING | TCP/IP-opdracht Ping |
| PNPUTIL | Microsoft PnP-hulpprogramma |
| POPD | De vorige waarde van de huidige map terugzetten die is opgeslagen met PUSHD. |
| PORTQRY | Displays the state of TCP and UDP ports. |
| POWERCFG | Met dit opdrachtregelhulpprogramma kunnen gebruikers de energie-instellingen voor een systeem beheren. |
| Een tekstbestand afdrukken. | |
| PROMPT | De opdrachtprompt van Windows wijzigen. |
| PSEXEC | Execute processes remotely |
| PSFILE | PsFile lists or closes files opened remotely. |
| PSGETSID | Translates SIDs to names and vice versa |
| PSINFO | Local and remote system information viewer |
| PSKILL | Terminates processes on local or remote systems |
| PSLIST | Sysinternals PsList |
| PSLOGGEDON | See who's logged on |
| PSLOGLIST | local and remote event log viewer |
| PSPASSWD | Local and remote password changer |
| PSSERVICE | Service information and configuration utility |
| PSSHUTDOWN | Shutdown, logoff and power manage local and remote systems |
| PSSUSPEND | Process Suspender |
| PUSHD | De huidige map opslaan en vervolgens wijzigen. |
| R | |
| RASDIAL | Gebruikersinterface voor inbellen op opdrachtregel van Externe toegang |
| RD | Een map verwijderen. |
| REAGENTC | Hiermee wordt de Windows Herstelomgeving (WinRE) geconfigureerd. |
| RECOVER | Leesbare informatie op een slecht-leesbare of defecte schijf herstellen. |
| REG | Registerhulpprogramma (console) |
| REGINI | Registry Initializer |
| REGISTER-CIMPROVIDER | Registers CIM Provider into system |
| RELOG | Met Relog maakt u nieuwe prestatielogboeken van gegevens in bestaande prestatielogboeken door de steekproeffrequentie te wijzigen en/of de bestandsindeling te converteren. Deze opdracht biedt ondersteuning voor alle indelingen van prestatielogboeken, inclusief gecomprimeerde logboeken van Windows NT 4.0. |
| REM | Opmerkingen in batchbestanden of CONFIG.SYS opnemen. |
| REN | De naam van een bestand of bestanden wijzigen. |
| RENAME | De naam van een bestand of bestanden wijzigen. |
| REPLACE | Bestanden vervangen. |
| RMDIR | Een map verwijderen. |
| ROBOCOPY | Geavanceerd hulpprogramma voor het kopiëren van bestanden en mapstructuren |
| ROUTE | Netwerkrouteringstabellen manipuleren. |
| RPCPING | Hulpprogramma RPC Ping |
| RUNAS | Hulpprogramma Uitvoeren als |
| S | |
| SC | Services (achtergrondprocessen) weergeven of configureren. |
| SCHTASKS | Het uitvoeren van opdrachten en programma's op een computer plannen. |
| SDBINST | Toepassingscompatibiliteitsdatabase-installer |
| SECEDIT | Opdrachthulpprogramma voor Windows Beveiligingsconfiguratie-editor |
| SET | Omgevingsvariabelen van Windows weergeven, instellen of verwijderen. |
| SETLOCAL | Lokalisatie van wijzigingen in de systeemomgeving in een batchbestand starten. |
| SETVER | Sets the version number that MS-DOS reports to a program. |
| SETX | Hiermee worden omgevingsvariabelen in de gebruikers- of systeemomgeving gemaakt of gewijzigd. Kan variabelen instellen op basis van argumenten, registersleutels of bestandsinvoer. |
| SFC | Hiermee wordt de integriteit van alle beveiligde systeembestanden gecontroleerd en worden ongeldige versies vervangen door geldige Microsoft- versies. |
| SHIFT | De positie van vervangbare parameters in batchbestanden wijzigen. |
| SHORTCUT | |
| SHUTDOWN | Een computer op een juiste manier lokaal of extern afsluiten. |
| SOON | Command Scheduling Utility |
| SORT | Invoer sorteren. |
| START | Een apart venster voor het uitvoeren van een opgegeven programma of opdracht openen. |
| SUBINACL | SubInAcl version 5.2.3790.1180 |
| SUBST | Een pad aan een stationsletter koppelen. |
| SXSTRACE | Hulpprogramma voor Sxs-tracering |
| SYSTEMINFO | Computerspecifieke eigenschappen en configuratie weergeven. |
| T | |
| TAKEOWN | Met dit hulpprogramma kan een administrator opnieuw toegang tot een ontoegankelijk bestand krijgen door opnieuw een eigenaar toe te wijzen. |
| TASKKILL | Een toepassing of proces afbreken of stoppen. |
| TASKLIST | De actieve taken, inclusief services, weergeven. |
| TIME | De systeemtijd weergeven of instellen. |
| TIMEOUT | Dit hulpprogramma accepteert een parameter voor time-out. Er wordt gewacht gedurende de opgegeven periode (seconden) of totdat een toets wordt ingedrukt. Toetsindruk kan worden genegeerd. |
| TITLE | De titel van het venster voor een CMD.EXE-sessie instellen. |
| TRACERPT | Gebeurtenistraceringrapportageprogramma |
| TRACERT | TCP/IP-opdracht Traceroute |
| TREE | De mapstructuur van een station of een pad grafisch weergeven. |
| TYPE | De inhoud van een tekstbestand weergeven. |
| TYPEPERF | Met Typeperf worden prestatiegegevens naar het opdrachtvenster of een logboekbestand geschreven. Beëindig Typeperf door op Ctrl+C te drukken. |
| TZUTIL | Windows-hulpprogramma voor tijdzones |
| U | |
| UNLODCTR | Itemnamen en verklarende tekst verwijderen voor het opgegeven item. |
| V | |
| VAULTCMD | Hiermee kunt u opgeslagen referenties maken, weergeven of verwijderen. |
| VER | De versie van Windows weergeven. |
| VERIFIER | Beheer van stuurprogrammacontrole |
| VERIFY | Windows zodanig instellen dat het schrijven van bestanden naar schijf wordt gecontroleerd. |
| VOL | De volumenaam en serienummer van een schijf weergeven. |
| VSSADMIN | vssadmin 1.1 - Opdrachtregelbeheerprogramma voor Volume Shadow Copy-service |
| W | |
| W32TM | Diagnostisch hulpprogramma voor Windows Time-service |
| WAITFOR | Dit hulpprogramma verzendt, of wacht op een signaal op een systeem. Als /S niet is opgegeven, wordt het signaal aan alle computers in een domein verzonden. Als /S is opgegeven, wordt het signaal alleen aan de opgegeven computer verzonden. |
| WBADMIN | wbadmin 1.0 - opdrachtregelprogramma voor het maken van back-ups |
| WECUTIL | Event Collector Command Line Utility |
| WEVTUTIL | Opdrachtregelhulpprogramma voor gebeurtenissen |
| WHERE | Hiermee wordt de locatie van alle bestanden weergegeven die aan het zoekfilter voldoen. Standaard wordt alleen in de huidige map en in de paden die zijn opgegeven in de variabele PATH gezocht. |
| WHOAMI | Dit hulpprogramma kan worden gebruikt voor het ophalen van de gebruikersnaam en groepsgegevens samen met beveiligings-id's, bevoegdheden, aanmeldings-id's van de huidige gebruiker op het lokale systeem, m.a.w. wie is de aangemelde gebruiker? Als er geen schakeloptie wordt opgegeven, wordt de gebruikers- naam in NTLM-indeling weergegeven (domein\gebruikersnaam). |
| WINRM | Windows Remote Management (WinRM) is the Microsoft implementation of the WS-Management protocol which provides a secure way to communicate with local and remote computers using web services. |
| WINRS | winrs |
| WMIC | WMI-informatie op de opdrachtregel weergeven. |
| X | |
| XCOPY | Bestanden en mapstructuren kopiëren. |
ACINIUPD: utility to update the INI file. aciniupd [/e | /k] [/u] [/v] ini_file section key new_value. /e Update the value for the key in the section specified. /k Update the key name with the new key name in the section specified. /u Update INI file in user's windows directory instead of system directory. /v Verbose mode.
Allows programs to open data files in specified directories as if they were in
the current directory.
APPEND [[drive:]path[;...]] [/X[:ON | :OFF]] [/PATH:ON | /PATH:OFF] [/E]
APPEND ;
[drive:]path Specifies a drive and directory to append.
/X:ON Applies appended directories to file searches and
application execution.
/X:OFF Applies appended directories only to requests to open files.
/X:OFF is the default setting.
/PATH:ON Applies appended directories to file requests that already
specify a path. /PATH:ON is the default setting.
/PATH:OFF Turns off the effect of /PATH:ON.
/E Stores a copy of the appended directory list in an environment
variable named APPEND. /E may be used only the first time
you use APPEND after starting your system.
Type APPEND ; to clear the appended directory list.
Type APPEND without parameters to display the appended directory list.
Geeft de door Address Resolution Protocol (ARP) gebruikte tabellen weer voor
het omzetten van IP-adressen naar fysieke adressen en wijzigt deze.
ARP -s inet_addr eth_addr [if_addr]
ARP -d inet_addr [if_addr]
ARP -a [inet_addr] [-N if_addr] [-v]
-a Geeft huidige ARP-vermeldingen weer door de huidige protocol-
gegevens aan te vragen. Als het inet_addr niet is opgegeven,
worden alleen de IP- en fysieke adressen van de opgegeven
computer weergegeven. Als meer dan één netwerkinterface ARP
gebruikt, worden er vermeldingen weergegeven voor elke
ARP-tabel
-g Hetzelfde als -a.
-v Geeft de huidige ARP-vermeldingen in uitgebreide modus weer.
Alle ongeldige vermeldingen en vermeldingen op het look-back-
interface worden weergegeven.
inet_addr Specificeert een internetadres.
-N if_addr Geeft de ARP-vermeldingen weer voor de netwerkinterface
opgegeven door if_addr.
-d Verwijdert de host opgegeven door inet_addr. Als u sterretjes
(*) als jokertekens gebruikt, kunt u alle hosts verwijderen.
-s Voegt de host toe en associeert het internetadres inet_addrn
met het fysieke adres eth_addr. Het fysieke adres wordt
weergegeven als 6 hexadecimale bytes gescheiden door een
streepje.
eth_addr Specificeert een fysiek adres.
if_addr Indien aanwezig, specificeert dit het internetadres van de
interface waarvan de adresomzettingstabel moet worden
gewijzigd. Indien niet aanwezig, wordt de eerste toepasbare
interface gebruikt.
Voorbeelden:
> arp -s 157.55.85.212 00-aa-00-62-c6-09
Een statische vermelding toevoegen.
> arp -a
De ARP-tabel weergeven.
Bestandsextensiekoppelingen weergeven of wijzigen ASSOC [.ext[=[fileType]]] .ext Bepaalt de bestandsextensie waaraan het bestandstype moet worden gekoppeld fileType Bepaalt het bestandstype dat moet worden gekoppeld aan de bestandsextensie Typ ASSOC zonder parameters om de actieve bestandskoppelingen weer te geven. Als ASSOC wordt aangeroepen met alleen een bestandsextensie, wordt de actieve bestandskoppeling weergeven voor die bestandsextensie. Als u niets opgeeft voor het bestandstype zal de opdracht de koppeling voor de bestandsextensie verwijderen.
De opdracht AT programmeert opdrachten en programma's zodat deze op een
bepaalde tijd en datum door de computer worden uitgevoerd. Om deze
opdracht te kunnen gebruiken moet de service Schedule zijn gestart.
AT [\\computernaam] [ [ID] [/DELETE] | /DELETE [/YES]]
AT [\\computernaam] tijd [/INTERACTIVE]
[ /EVERY:datum[,...] | /NEXT:datum[,...]] "opdracht"
\\computernaam Geeft een externe computer op. Opdrachten worden
gepland op de lokale computer als deze parameter
wordt weggelaten.
Id Is een id-nummer dat is toegewezen aan een geplande
opdracht.
/delete Annuleert een geplande opdracht. Als id is weggelaten
worden alle geplande opdrachten op de computer
geannuleerd.
/yes Wordt gebruikt met de opdracht 'delete' als bij
het verwijderen van meerdere geplande opdrachten geen
verdere bevestiging nodig is.
tijd Bepaalt het tijdstip wanneer de opdracht wordt
uitgevoerd.
/interactive Als deze schakeloptie wordt gebruikt, kan de taak
interactief worden uitgevoerd met het bureaublad van
de gebruiker die is aangemeld op het moment dat de
taak wordt uitgevoerd.
/every:datum[,...] Voert de opdracht uit op de opgegeven dag(en) van de
week of maand. Als datum is weggelaten, wordt aangenomen
dat de huidige dag van de maand wordt bedoeld.
/next:datum[,...] Voert de opgegeven opdracht uit op de eerstvolgende
keer dat het die dag is (bijv. komende donderdag). Als
datum is weggelaten, wordt aangenomen dat de huidige
dag van de maand wordt bedoeld.
opdracht Het batchprogramma of de Windows NT-opdracht die
moet worden uitgevoerd.
Bestandskenmerken weergeven of wijzigen.
ATTRIB [+R | -R] [+A | -A ] [+S | -S] [+H | -H] [+I | -I]
[[station:][pad] bestandsnaam] [/S] [/D] [/L]]
+ Stelt een kenmerk in.
- Verwijdert een kenmerk.
R Kenmerk Alleen-lezen.
A Kenmerk Archief.
S Kenmerk Systeem.
H Kenmerk Verborgen.
I Kenmerk Bestand zonder geïndexeerde inhoud
[station:][pad][bestandsnaam]
Geeft een bestand of aantal bestanden op voor de bewerking met attrib
/S Verwerkt overeenkomende bestanden in de actieve map en alle submappen.
/D Verwerkt ook mappen.
/L Werken op de kenmerken van de symbolische koppeling in plaats van het
doel van de symbolische koppeling
Syntaxis: AuditPol opdracht [<subopdracht><opties>]
Opdrachten (slechts één opdracht toegestaan per keer dat de opdracht wordt
uitgevoerd)
/? Help (contextgevoelig)
/get Huidig controlebeleid weergeven
/set Controlebeleid instellen
/list Te selecteren beleidselementen weergeven
/backup Controlebeleid opslaan in een bestand
/restore Controlebeleid herstellen uit een bestand
/clear Controlebeleid wissen
/remove Gebruikersafhankelijk controlebeleid verwijderen voor
een gebruikersaccount
/resourceSACL Globale bron-SACL's configureren
Gebruik AuditPol <opdracht> /? voor details van de afzonderlijke opdrachten
Bcdboot - hulpprogramma voor het maken en repareren van Bcd-opstartbestanden.
Het opdrachtregelprogramma bcdboot.exe wordt gebruikt voor het kopiëren van
essentiële opstartbestanden naar de systeempartitie en voor het maken van een
nieuwe BCD-opslag voor het systeem.
bcdboot <bron> [/l <landinstellingen>] [/s <volumeletter>] [/v]
[/m [{Id van lader voor besturingssysteem}]]
bron Hiermee wordt de locatie opgegeven van de
Windows-systeemhoofdmap.
/l Hiermee wordt een optionele parameter voor de
landinstelling opgegeven voor gebruik bij het
initialiseren van de BCD-opslag. De standaardinstelling
is Engels (Verenigde Staten).
/s Hiermee wordt de parameter voor een optionele
volumeletter opgegeven voor het aanwijzen van
de doelsysteempartitie waarnaar de bestanden voor de
opstartomgeving worden gekopieerd. De standaardinstelling
is de systeempartitie die wordt aangeduid door
de firmware.
/v Hiermee wordt de uitgebreide modus ingeschakeld.
/m Als een GUID van de lader voor het besturingssysteem is
opgegeven, wordt met deze optie het opgegeven
object van de lader samengevoegd met de systeemsjabloon
zodat een opstartbaar item wordt gemaakt. Anders worden
alleen algemene objecten samengevoegd.
Voorbeelden: bcdboot c:\windows /l en-us
bcdboot c:\windows /s h:
bcdboot c:\windows /m {d58d10c6-df53-11dc-878f-00064f4f4e08}
BCDEDIT - Editor voor archief met opstartconfiguratiegegevens
Het opdrachtregelhulpprogramma Bcdedit.exe past het archief met
opstartconfiguratiegegevens aan. Dit archief bevat parameters voor de
opstartconfiguratie en bepaalt hoe het besturingssysteem wordt opgestart.
Deze parameters werden eerder in bestand Boot.ini opgeslagen (in op BIOS
gebaseerde besturingssystemen) of in de niet-vluchtige RAM-
vermeldingen (in op EFI (Extensible Firmware Interface) gebaseerde
besturingssystemen). U kunt Bcdedit.exe gebruiken om vermeldingen in/aan het
archief voor opstartconfiguratiegegevens toe te voegen, te verwijderen,
te bewerken of in te voegen.
Typ bcdedit.exe /? <opdracht> voor gedetailleerde informatie over de
opdrachten en opties. Bijvoorbeeld: als u gedetailleerde informatie over
de opdracht /createstore wilt weergeven, typt u:
bcdedit.exe /? /createstore
Voer 'bcdedit /? TOPICS' uit voor een alfabetische lijst met onderwerpen
in dit Help-bestand.
Opdrachten voor een archief
===========================
/createstore Een nieuw en leeg archief met opstartconfiguratiegegevens
maken.
/export De inhoud van het systeemarchief naar een bestand exporteren.
Dit bestand kan later worden gebruikt om de toestand van het
systeemarchief te herstellen.
/import De toestand van het systeemarchief herstellen met behulp
van een back-upbestand dat is gemaakt met de opdracht /export.
/sysstore Het systeemarchiefapparaat instellen (is alleen geldig voor
EFI-systemen, deze instelling blijft niet behouden wanneer de
computer opnieuw wordt opgestart, en wordt alleen gebruikt
als het systeemarchiefapparaat niet eenduidig is).
Opdrachten voor vermeldingen in een archief
===========================================
/copy Kopieën van vermeldingen in het archief maken.
/create Nieuwe vermeldingen in het archief maken.
/delete Vermeldingen uit het archief verwijderen.
/mirror Een mirror maken van vermeldingen in de het archief.
Voer 'bcdedit /? ID' uit voor informatie over id's die door deze opdrachten
worden gebruikt.
Opdrachten voor opties voor vermeldingen
========================================
/deletevalue Vermeldingsopties uit het archief verwijderen.
/set Waarden voor vermeldingsopties in het archief instellen.
Voer 'bcdedit /? TYPES' uit voor een lijst met gegevenstypen die door deze
opdrachten worden gebruikt.
Voer 'bcdedit /? FORMATS' uit voor een lijst met geldige gegevensindelingen.
Opdrachten die de uitvoer bepalen
=================================
/enum Vermeldingen in het archief weergeven.
/v Opdrachtregeloptie die volledige vermeldings-id's weergeeft,
in plaats van bekende id's. Gebruik /v als alleenstaande
opdracht als u volledige vermeldings-id's voor het type
ACTIVE wilt weergeven.
Het uitvoeren van 'bcdedit' is gelijk aan het uitvoeren van 'bcdedit /enum
ACTIVE'.
Opdrachten die opstartbeheer besturen
=====================================
/bootsequence De eenmalige opstartvolgorde voor opstartbeheer instellen.
/default De standaardvermelding instellen die door opstartbeheer
wordt gebruikt.
/displayorder De volgorde instellen waarmee opstartbeheer het menu met
meerdere opstartmogelijkheden zal weergeven.
/timeout De time-outwaarde van opstartbeheer instellen.
/toolsdisplayorder De volgorde instellen waarmee opstartbeheer het menu
met hulpprogramma's zal weergeven.
Opdrachten die EMS (Noodsituatiebeheerservices) voor een opstarttoepassing
besturen
=============================================================================
/bootems Noodsituatiebeheerservices voor een opstarttoepassing
in- of uitschakelen.
/ems Noodsituatiebeheerservices voor een besturingssysteem-
vermelding in- of uitschakelen.
/emssettings De globale parameters voor Noodsituatiebeheerservices
instellen.
Opdrachten voor foutopsporing
=============================
/bootdebug Foutopsporing voor een opstarttoepassing in- of uitschakelen.
/dbgsettings De globale parameters voor foutopsporing instellen.
/debug Foutopsporing voor de kernel voor een besturingssysteem-
vermelding in- of uitschakelen.
/hypervisorsettings De hypervisorparameters instellen.
BITSADMIN version 3.0 [ 7.5.7601 ]
BITS administration utility.
(C) Copyright 2000-2006 Microsoft Corp.
BITSAdmin is deprecated and is not guaranteed to be available in future versions of Windows.
Administrative tools for the BITS service are now provided by BITS PowerShell cmdlets.
USAGE: BITSADMIN [/RAWRETURN] [/WRAP | /NOWRAP] command
The following commands are available:
/HELP Prints this help
/? Prints this help
/UTIL /? Prints the list of utilities commands
/PEERCACHING /? Prints the list of commands to manage Peercaching
/CACHE /? Prints the list of cache management commands
/PEERS /? Prints the list of peer management commands
/LIST [/ALLUSERS] [/VERBOSE] List the jobs
/MONITOR [/ALLUSERS] [/REFRESH sec] Monitors the copy manager
/RESET [/ALLUSERS] Deletes all jobs in the manager
/TRANSFER <job name> [type] [/PRIORITY priority] [/ACLFLAGS flags]
remote_url local_name
Transfers one of more files.
[type] may be /DOWNLOAD or /UPLOAD; default is download
Multiple URL/file pairs may be specified.
Unlike most commands, <job name> may only be a name and not a GUID.
/CREATE [type] <job name> Creates a job
[type] may be /DOWNLOAD, /UPLOAD, or /UPLOAD-REPLY; default is download
Unlike most commands, <job name> may only be a name and not a GUID.
/INFO <job> [/VERBOSE] Displays information about the job
/ADDFILE <job> <remote_url> <local_name> Adds a file to the job
/ADDFILESET <job> <textfile> Adds multiple files to the job
Each line of <textfile> lists a file's remote name and local name, separated
by spaces. A line beginning with '#' is treated as a comment.
Once the file set is read into memory, the contents are added to the job.
/ADDFILEWITHRANGES <job> <remote_url> <local_name range_list>
Like /ADDFILE, but BITS will read only selected byte ranges of the URL.
range_list is a comma-delimited series of offset and length pairs.
For example,
0:100,2000:100,5000:eof
instructs BITS to read 100 bytes starting at offset zero, 100 bytes starting
at offset 2000, and the remainder of the URL starting at offset 5000.
/REPLACEREMOTEPREFIX <job> <old_prefix> <new_prefix>
All files whose URL begins with <old_prefix> are changed to use <new_prefix>
Note that BITS currently supports HTTP/HTTPS downloads and uploads.
It also supports UNC paths and file:// paths as URLS
/LISTFILES <job> Lists the files in the job
/SUSPEND <job> Suspends the job
/RESUME <job> Resumes the job
/CANCEL <job> Cancels the job
/COMPLETE <job> Completes the job
/GETTYPE <job> Retrieves the job type
/GETACLFLAGS <job> Retrieves the ACL propagation flags
/SETACLFLAGS <job> <ACL_flags> Sets the ACL propagation flags for the job
O - OWNER G - GROUP
D - DACL S - SACL
Examples:
bitsadmin /setaclflags MyJob OGDS
bitsadmin /setaclflags MyJob OGD
/GETBYTESTOTAL <job> Retrieves the size of the job
/GETBYTESTRANSFERRED <job> Retrieves the number of bytes transferred
/GETFILESTOTAL <job> Retrieves the number of files in the job
/GETFILESTRANSFERRED <job> Retrieves the number of files transferred
/GETCREATIONTIME <job> Retrieves the job creation time
/GETMODIFICATIONTIME <job> Retrieves the job modification time
/GETCOMPLETIONTIME <job> Retrieves the job completion time
/GETSTATE <job> Retrieves the job state
/GETERROR <job> Retrieves detailed error information
/GETOWNER <job> Retrieves the job owner
/GETDISPLAYNAME <job> Retrieves the job display name
/SETDISPLAYNAME <job> <display_name> Sets the job display name
/GETDESCRIPTION <job> Retrieves the job description
/SETDESCRIPTION <job> <description> Sets the job description
/GETPRIORITY <job> Retrieves the job priority
/SETPRIORITY <job> <priority> Sets the job priority
Priority usage choices:
FOREGROUND
HIGH
NORMAL
LOW
/GETNOTIFYFLAGS <job> Retrieves the notify flags
/SETNOTIFYFLAGS <job> <notify_flags> Sets the notify flags
For more help on this option, please refer to the MSDN help page for SetNotifyFlags
/GETNOTIFYINTERFACE <job> Determines if notify interface is registered
/GETMINRETRYDELAY <job> Retrieves the retry delay in seconds
/SETMINRETRYDELAY <job> <retry_delay> Sets the retry delay in seconds
/GETNOPROGRESSTIMEOUT <job> Retrieves the no progress timeout in seconds
/SETNOPROGRESSTIMEOUT <job> <timeout> Sets the no progress timeout in seconds
/GETMAXDOWNLOADTIME <job> Retrieves the download timeout in seconds
/SETMAXDOWNLOADTIME <job> <timeout> Sets the download timeout in seconds
/GETERRORCOUNT <job> Retrieves an error count for the job
/SETPROXYSETTINGS <job> <usage> Sets the proxy usage
usage choices:
PRECONFIG - Use the owner's default Internet settings.
AUTODETECT - Force autodetection of proxy.
NO_PROXY - Do not use a proxy server.
OVERRIDE - Use an explicit proxy list and bypass list.
Must be followed by a proxy list and a proxy bypass list.
NULL or "" may be used for an empty proxy bypass list.
Examples:
bitsadmin /setproxysettings MyJob PRECONFIG
bitsadmin /setproxysettings MyJob AUTODETECT
bitsadmin /setproxysettings MyJob NO_PROXY
bitsadmin /setproxysettings MyJob OVERRIDE proxy1:80 "<local>"
bitsadmin /setproxysettings MyJob OVERRIDE proxy1,proxy2,proxy3 NULL
/GETPROXYUSAGE <job> Retrieves the proxy usage setting
/GETPROXYLIST <job> Retrieves the proxy list
/GETPROXYBYPASSLIST <job> Retrieves the proxy bypass list
/TAKEOWNERSHIP <job> Take ownership of the job
/SETNOTIFYCMDLINE <job> <program_name> [program_parameters]
Sets a program to execute for notification, and optionally parameters.
The program name and parameters can be NULL.
IMPORTANT: if parameters are non-NULL, then the program name should be the
first parameter.
Examples:
bitsadmin /SetNotifyCmdLine MyJob c:\winnt\system32\notepad.exe NULL
bitsadmin /SetNotifyCmdLine MyJob c:\foo.exe "c:\foo.exe parm1 parm2"
bitsadmin /SetNotifyCmdLine MyJob NULL NULL
/GETNOTIFYCMDLINE <job> Returns the job's notification command line
/SETCREDENTIALS <job> <target> <scheme> <username> <password>
Adds credentials to a job.
<target> may be either SERVER or PROXY
<scheme> may be BASIC, DIGEST, NTLM, NEGOTIATE, or PASSPORT.
/REMOVECREDENTIALS <job> <target> <scheme>
Removes credentials from a job.
/GETCUSTOMHEADERS <job> Gets the Custom HTTP Headers
/SETCUSTOMHEADERS <job> <header1> <header2> <...> Sets the Custom HTTP Headers
/GETCLIENTCERTIFICATE <job> Gets the job's Client Certificate Information
/SETCLIENTCERTIFICATEBYID <job> <store_location> <store_name> <hexa-decimal_cert_id>
Sets a client authentication certificate to a job.
<store_location> may be
1(CURRENT_USER), 2(LOCAL_MACHINE), 3(CURRENT_SERVICE),
4(SERVICES), 5(USERS), 6(CURRENT_USER_GROUP_POLICY),
7(LOCAL_MACHINE_GROUP_POLICY) or 8(LOCAL_MACHINE_ENTERPRISE).
/SETCLIENTCERTIFICATEBYNAME <job> <store_location> <store_name> <subject_name>
Sets a client authentication certificate to a job.
<store_location> may be
1(CURRENT_USER), 2(LOCAL_MACHINE), 3(CURRENT_SERVICE),
4(SERVICES), 5(USERS), 6(CURRENT_USER_GROUP_POLICY),
7(LOCAL_MACHINE_GROUP_POLICY) or 8(LOCAL_MACHINE_ENTERPRISE).
/REMOVECLIENTCERTIFICATE <job> Removes the Client Certificate Information from the job
/SETSECURITYFLAGS <job> <value>
Sets the HTTP security flags for URL redirection and checks performed on the server certificate during the transfer.
The value is an unsigned integer with the following interpretation for the bits in the binary representation.
Enable CRL Check : Set the least significant bit
Ignore invalid common name in server certificate : Set the 2nd bit from right
Ignore invalid date in server certificate : Set the 3rd bit from right
Ignore invalid certificate authority in server
certificate : Set the 4th bit from right
Ignore invalid usage of certificate : Set the 5th bit from right
Redirection policy : Controlled by the 9th-11th bits from right
0,0,0 - Redirects will be automatically allowed.
0,0,1 - Remote name in the IBackgroundCopyFile interface will be updated if a redirect occurs.
0,1,0 - BITS will fail the job if a redirect occurs.
Allow redirection from HTTPS to HTTP : Set the 12th bit from right
/GETSECURITYFLAGS <job>
Reports the HTTP security flags for URL redirection and checks performed on the server certificate during the transfer.
/SETVALIDATIONSTATE <job> <file-index> <true|false>
<file-index> starts from 0
Sets the content-validation state of the given file within the job.
/GETVALIDATIONSTATE <job> <file-index>
<file-index> starts from 0
Reports the content-validation state of the given file within the job.
/GETTEMPORARYNAME <job> <file-index>
<file-index> starts from 0
Reports the temporary filename of the given file within the job.
The following options control peercaching of a particular job:
/SETPEERCACHINGFLAGS <job> <value>
Sets the flags for the job's peercaching behavior.
The value is an unsigned integer with the following interpretation for the bits in the binary representation.
Allow the job's data to be downloaded from a peer : Set the least significant bit
Allow the job's data to be served to peers : Set the 2nd bit from right
/GETPEERCACHINGFLAGS <job>
Reports the flags for the job's peercaching behavior.
The following options are valid for UPLOAD-REPLY jobs only:
/GETREPLYFILENAME <job> Gets the path of the file containing the server reply
/SETREPLYFILENAME <job> <path> Sets the path of the file containing the server reply
/GETREPLYPROGRESS <job> Gets the size and progress of the server reply
/GETREPLYDATA <job> Dumps the server's reply data in hex format
The following options can be placed before the command:
/RAWRETURN Return data more suitable for parsing
/WRAP Wrap output around console (default)
/NOWRAP Don't wrap output around console
The /RAWRETURN option strips new line characters and formatting.
It is recognized by the /CREATE and /GET* commands.
Commands that take a <job> parameter will accept either a job name or a job ID
GUID inside braces. BITSADMIN reports an error if a name is ambiguous.
BOOTCFG /parameter [argumenten]
Beschrijving:
Met dit opdrachtregelprogramma kunt u de instellingen voor de
opstartvermelding in het bestand boot.ini configureren, opzoeken, wijzigen
of verwijderen.
Parameterlijst:
/Copy Hiermee wordt een kopie van een bestaande opstartvermelding
gemaakt.
/Delete Hiermee wordt een bestaande opstartvermelding uit
boot.ini verwijderd.
/Query Hiermee worden de huidige opstartvermeldingen en de
bijbehorende instellingen weergegeven.
/Raw Hiermee kunnen schakelopties worden opgegeven die moeten
worden toegevoegd.
/Timeout Hiermee kan de waarde voor time-out worden gewijzigd.
/Default Hiermee kan de standaardopstartvermelding worden gewijzigd.
/EMS Hiermee kan de schakeloptie /redirect worden.
ingesteld voor headless-ondersteuning.
/Debug Hiermee kunnen de poort en baudrate worden
opgegeven voor foutopsporing op afstand.
/Addsw Hiermee kunnen voorgedefinieerde
schakelopties worden toegevoegd.
/Rmsw Hiermee kunnen voorgedefinieerde
schakelopties worden verwijderd
/Dbg1394 Hiermee kan foutopsporing via poort 1394
worden geconfigureerd.
/? Dit helpbericht weergeven.
Voorbeelden:
BOOTCFG /Copy /?
BOOTCFG /Delete /?
BOOTCFG /Query /?
BOOTCFG /Raw /?
BOOTCFG /Timeout /?
BOOTCFG /EMS /?
BOOTCFG /Debug /?
BOOTCFG /Addsw /?
BOOTCFG /Rmsw /?
BOOTCFG /Dbg1394 /?
BOOTCFG /Default /?
BOOTCFG /?
Waarschuwing: Boot.ini wordt gebruikt voor opstartopties in Windows XP en
oudere besturingssystemen. Gebruik het opdrachtregelprogramma
BCDEDIT voor het aanpassen van de opstartopties in Windows
Vista.
Uitgebreide Ctrl+C-controle op DOS-systeem in- of uitschakelen. Dit is aanwezig voor compatibiliteit met DOS-systemen. Het heeft geen effect onder Windows. Als opdrachtextensies worden ingeschakeld en worden uitgevoerd op Windows, zal de opdracht BREAK een hardcoded-breakpoint geven indien foutopsporing wordt uitgevoerd door een foutopsporingsprogramma.
Opmerking: Cacls is verouderd. Gebruik Icacls.
ACL's (toegangsbeheerlijsten) van bestanden weergeven of bewerken
CACLS best.naam [/T] [/M] [/L] [/S[:SDDL]] [/E] [/C] [/G gebr.:machtiging]
[/R gebr. [...]] [/P gebr.:machtiging [...]] [/D gebr. [...]]
best.naam ACL's weergeven
/T ACL's wijzigen van opgegeven bestanden in de huidige map
en alle submappen
/L Op symbolische koppeling uitvoeren, i.p.v op doel
/M ACL's van volumes, gekoppeld aan een map, wijzigen
/S SDDL-tekenreeks voor de DACL weergeven
/S:SDDL ACL's vervangen door ACL's in SDDL-tekenreeks (niet geldig
met /E, /G, /R, /P of /D)
/E ACL bewerken in plaats van vervangen
/C Doorgaan bij toegang geweigerd
/G gebr:machtiging Opgegeven gebruiker toegangsrechten verlenen
Machtiging kan zijn: R Lezen, W Schrijven, C Wijzigen
(schrijven), F Volledig beheer
/R gebruiker Toegangsrechten van opgegeven gebruiker intrekken.
[alleen geldig met /E]
/P gebr:machtiging Toegangsrechten van opgegeven gebruiker vervangen
Machtiging kan zijn: N Geen, R Lezen, W Schrijven,
C Wijzigen (schrijven), F Volledig beheer
/D gebruiker Opgegeven gebruiker toegang weigeren
U kunt jokertekens gebruiken om meerdere bestanden op te geven in een
opdracht. U kunt meerdere gebruikers opgeven in een opdracht.
Afkortingen:
CI - Container Inherit
De ACE wordt door mappen overgenomen
OI - Object Inherit
De ACE wordt door bestanden overgenomen
IO - Inherit Only
De ACE is niet van toepassing op het huidige bestand of de huidige map
ID - Inherited
De ACE is van de ACL van de bovenliggende map overgenomen.
Een batchprogramma aanroepen vanuit een ander batchprogramma.
CALL [station:][pad]bestandsnaam [batchparameters]
batchparameters Bepaalt eventuele opdrachtregelinformatie die voor
het uitvoeren van het batchprogramma vereist is.
Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert CALL als volgt:
De opdracht CALL accepteert nu namen als het doel van CALL. De
syntaxis is:
CALL :naam argumenten
Een nieuwe batchbestandscontext wordt gemaakt met de opgegeven argumenten
en besturing wordt overgegeven aan de opdracht na de opgegeven naam. U moet
twee keer 'afsluiten' door in twee keer het einde van het batchscriptbestand
te bereiken. Als u voor het eerst het einde bereikt, wordt de besturing
geretourneerd naar een punt vlak na de CALL-opdracht. De tweede keer wordt
het batchscript afgesloten. Typ GOTO /? voor een beschrijving van de
GOTO :EOF-extensie waarmee u kunt 'terugkeren' uit een batchscript.
Daarnaast is uitbreiding van argumentverwijzingen in een batchscript(%0,
%1, etc.) als volgt gewijzigd:
%* in een batchscript verwijst naar alle argumenten (b.v. %1 %2 %3
%4 %5 ...)
Vervanging van batchparameters (%n) is verbeterd. U kunt nu de volgende
extra syntaxis gebruiken:
%~1 - breidt %1 uit waarbij aanhalingstekens (") worden
verwijderd
%~f1 - breidt %1 uit naar een fully-qualified-padnaam
%~d1 - breidt %1 alleen uit naar een stationsletter
%~p1 - breidt %1 alleen uit naar een pad
%~n1 - breidt %1 alleen uit naar een bestandsnaam
%~x1 - breidt %1 alleen uit naar een bestandsextensie
%~s1 - uitgebreid pad bevat alleen korte namen
%~a1 - breidt %1 uit naar bestandskenmerken van bestand
%~t1 - breidt %1 uit naar datum/tijd van bestand
%~z1 - breidt %1 uit naar grootte van bestand
%~$PATH:1 - doorzoekt de mappen in omgevingsvariabele PATH en breidt
%1 uit naar de fully-qualified-naam van het eerste
gevonden bestand. Als de naam van de omgevingsvariabele
niet is opgegeven of als het bestand niet wordt gevonden,
wordt deze wijzigingstoets uitgebreid naar de lege
tekenreeks.
De wijzigingstoetsen kunnen worden gecombineerd om samengestelde
resultaten te krijgen:
%~dp1 - breidt %1 alleen uit naar een stationsletter en pad
%~nx1 - breidt %1 alleen uit naar een bestandsnaam en extensie
%~dp$PATH:1 - doorzoekt de mappen in omgevingsvariabele PATH naar %1
en breidt uit naar de stationsletter en het pad van het
eerste gevonden bestand
%~ftza1 - breidt %1 uit naar een op DIR lijkende uitvoerregel
In bovenstaande voorbeelden kunnen %1 en PATH worden vervangen door
andere geldige waarden. De syntaxis %~ wordt afgesloten door een
geldig argumentnummer. De wijzigingstoetsen %~ mogen niet samen worden
gebruikt met %*.
De naam van de actieve map weergeven of de actieve map wijzigen.
CHDIR [/D] [station:][pad]
CHDIR [..]
CD [/D] [station:][pad]
CD [..]
.. Geeft aan dat u naar de bovenliggende map wilt gaan.
Typ CD <stationsletter> (bijv. CD E:) om de actieve map in het opgegeven
station weer te geven. Als u CD zonder parameters typt, worden het actieve
station en de actieve map weergegeven.
Gebruik de schakeloptie /D als u zowel het actieve station als de actieve
map voor een station wilt wijzigen.
Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert CHDIR als volgt:
De actieve maptekenreeks wordt aangepast (qua hoofd-/kleine lettergebruik)
aan de namen op de schijf. Dus CD C:\TEMP stelt de
actieve map in op C:\Temp als dat ook het geval is op schijf.
De opdracht CHDIR ziet spaties niet als scheidingstekens, zodat het
mogelijk is om CD te gebruiken naar een submapnaam die een spatie
bevat, zonder de naam te omgeven met aanhalingstekens. Bijvoorbeeld:
cd \winnt\profiles\username\programs\start menu
is hetzelfde als:
cd "\winnt\profiles\username\programs\start menu"
Dit is wat u moet typen als de extensies zijn uitgeschakeld.
Usage: cdburn <drive> -erase [image [options]] cdburn <drive> image [options] Options: -erase Erases the disk before burning (valid for R/W only) -sao Writes the image out in "session at once", or cue sheet, mode (default is "track at once") -speed Speed of burn, or 'max' for maximum speed -imagehaspostgap Use if your image already contains a 150 sector postgap The [image] must be provided unless the -erase flag is set. If both an image and -erase are provided, the media will be erased prior to burning the image to the disc.
Syntaxis:
CertReq -?
CertReq [-v] -?
CertReq [-Command] -?
CertReq [-Submit] [Options] [RequestFileIn [CertFileOut [CertChainFileOut
[FullResponseFileOut]]]]
Een aanvraag naar een certificeringsinstantie verzenden.
Opties:
-attrib Kenmerkenreeks
-binary
-PolicyServer Beleidsserver
-config Configuratiereeks
-Anonymous
-Kerberos
-ClientCertificate Clientcertificaat-id
-UserName Gebruikersnaam
-p Wachtwoord
-crl
-rpc
-AdminForceMachine
-RenewOnBehalfOf
CertReq -Retrieve [Options] RequestId [CertFileOut [CertChainFileOut
[FullResponseFileOut]]]
Een antwoord op een aanvraag van een certificeringsinstantie ophalen.
Opties:
-binary
-PolicyServer Beleidsserver
-config Configuratiereeks
-Anonymous
-Kerberos
-ClientCertificate Clientcertificaat-id
-UserName Gebruikersnaam
-p Wachtwoord
-crl
-rpc
-AdminForceMachine
CertReq -New [Options] [PolicyFileIn [RequestFileOut]]
Een nieuwe aanvraag volgens PolicyFileIn maken
Opties:
-attrib Kenmerkenreeks
-binary
-cert Certificaat-id
-PolicyServer Beleidsserver
-config Configuratiereeks
-Anonymous
-Kerberos
-ClientCertificate Clientcertificaat-id
-UserName Gebruikersnaam
-p Wachtwoord
-user
-machine
-xchg Uitwisselingcertificaatbestand
CertReq -Accept [Opties] [CertChainFileIn | FullResponseFileIn | CertFileIn]
Een antwoord op een vorige nieuwe aanvraag accepteren en installeren.
Opties:
-user
-machine
CertReq -Policy [Options] [RequestFileIn [PolicyFileIn [RequestFileOut
[PKCS10FileOut]]]]
Een kruiscertificaat of aanvraag voor gekwalificeerde ondergeschiktheid
maken op basis van een bestaand CA-certificaat of een bestaande aanvraag.
Opties:
-attrib Kenmerkenreeks
-binary
-cert Certificaat-id
-PolicyServer Beleidsserver
-Anonymous
-Kerberos
-ClientCertificate Clientcertificaat-id
-UserName Gebruikersnaam
-p Wachtwoord
-noEKU
-AlternateSignatureAlgorithm
-HashAlgorithm Hash-algoritme
CertReq -Sign [Options] [RequestFileIn [RequestFileOut]]
Een certificaataanvraag ondertekenen met een inschrijvingsagent of een
handtekeningcertificaat voor gekwalificeerde ondergeschiktheid.
Opties:
-binary
-cert Certificaat-id
-PolicyServer Beleidsserver
-Anonymous
-Kerberos
-ClientCertificate Clientcertificaat-id
-UserName Gebruikersnaam
-p Wachtwoord
-crl
-noEKU
-HashAlgorithm Hash-algoritme
Certificaataanvraag -Enroll [opties] NaamSjabloon
Certificaataanvraag -Enroll -cert Certificaat-id [opties] [Renew] [ReuseKeys]
Inschrijven voor een nieuw certificaat of een certificaat vernieuwen.
Opties:
-PolicyServer Beleidsserver
-user
-machine
Werkwoorden: -dump -- Configuratiegegevens of bestanden dumpen -asn -- ASN.1-bestand parseren -decodehex -- Hexadecimaal gecodeerd bestand decoderen -decode -- Base64-gecodeerd bestand decoderen -encode -- Bestand coderen naar Base64 -deny -- Aanvraag met status In behandeling weigeren -resubmit -- Aanvraag met status In behandeling opnieuw indienen -setattributes -- Kenmerken instellen voor aanvraag met status In behandeling -setextension -- Uitbreiding instellen voor in behandeling zijnde aanvraag -revoke -- Certificaat intrekken -isvalid -- Huidige certificaattoestand weergeven -getconfig -- Standaard configuratietekenreeks ophalen -ping -- Active Directory Certificate Services-aanvraaginterface met de opdracht Ping aanroepen -pingadmin -- Beheerinterface voor het met de opdracht Ping aanroepen van de Active Directory Certificate Services -CAInfo -- CA-informatie weergeven -ca.cert -- Het CA-certificaat ophalen -ca.chain -- De CA-certificaatketen ophalen -GetCRL -- CRL opvragen -CRL -- Nieuwe lijsten met wijzigingen in ingetrokken certificaten uitgeven (of alleen delta-CRL's) -shutdown -- Active Directory Certificate Services afsluiten -installCert -- CA-certificaat installeren -renewCert -- CA-certificaat vernieuwen -schema -- Certificaatschema dumpen -view -- Certificaatweergave dumpen -db -- Onbewerkte database dumpen -deleterow -- Rij van de serverdatabase verwijderen -backup -- Back-up van Active Directory Certificate Services maken -backupDB -- Back-up maken van de database met Active Directory Certificate Services -backupKey -- Back-up maken van het Active Directory Certificate Services-certificaat en de persoonlijke sleutel -restore -- Active Directory Certificate Services terugzetten -restoreDB -- Database met de Active Directory Certificate Services terugzetten -restoreKey -- Active Directory Certificate Services-certificaat en de persoonlijke sleutel terugzetten -importPFX -- Certificaat en persoonlijke sleutel importeren -dynamicfilelist -- Lijst met dynamische bestanden weergeven -databaselocations -- Databaselocaties weergeven -hashfile -- Versleutelingshash van een bestand genereren en weergeven -store -- Certificaatopslag dumpen -addstore -- Certificaat toevoegen aan archief -delstore -- Certificaat verwijderen uit het archief -verifystore -- Certificaat in archief controleren -repairstore -- Koppeling aan reparatiesleutel of het bijwerken van certificaateigenschappen of security descriptor van sleutel -viewstore -- Certificaatopslag dumpen -viewdelstore -- Certificaat verwijderen uit het archief -dsPublish -- Het certificaat of de CRL uitgeven in Active Directory Domain Services -ADTemplate -- AD-sjablonen weergeven -Template -- Sjablonen voor inschrijvingsbeleid weergeven -TemplateCAs -- CA's voor sjabloon weergeven -CATemplates -- Sjablonen voor CA weergeven -enrollmentServerURL -- Inschrijvingsserver-URL's weergeven, toevoegen of verwijderen die zijn gekoppeld aan een CA -ADCA -- CA's van AD weergeven -CA -- CA's voor inschrijvingsbeleid weergeven -Policy -- Inschrijvingsbeleid weergeven -PolicyCache -- Cachevermeldingen voor het inschrijvingsbeleid weergeven of verwijderen -CredStore -- Vermeldingen in referentiearchief weergeven, toevoegen of verwijderen -InstallDefaultTemplates -- Standaardcertificaatsjablonen installeren -URLCache -- De URL-cachevermeldingen weergeven of verwijderen -pulse -- Automatische-inschrijvingsgebeurtenissen pulsen -MachineInfo -- Gegevens van Active Directory Domain Services-computerobject weergeven -DCInfo -- Gegevens van domeincontroller weergeven -EntInfo -- Gegevens van onderneming weergeven -TCAInfo -- CA-informatie weergeven -SCInfo -- Gegevens van smartcard weergeven -SCRoots -- Basiscertificaten van smartcard beheren -verifykeys -- Openbaar/persoonlijk sleutelpaar controleren -verify -- Certificaat, CRL of keten controleren -syncWithWU -- Synchroniseren met Windows Update -generateSSTFromWU -- SST genereren van Windows Update -sign -- CRL of certificaat opnieuw van een handtekening voorzien -vroot -- Virtuele webroot en bestandsshares maken/verwijderen -vocsproot -- Virtuele webbasismappen voor OCSP-webproxy maken/verwijderen -addEnrollmentServer -- Een inschrijvingsservertoepassing toevoegen -deleteEnrollmentServer -- Een inschrijvingsservertoepassing verwijderen -oid -- ObjectId weergeven of weergavenaam instellen -error -- Tekst van foutcode weergeven -getreg -- Registerwaarde weergeven -setreg -- Registerwaarde instellen -delreg -- Registerwaarde verwijderen -ImportKMS -- Gebruikerssleutels en certificaten in serverdatabase importeren voor sleutelarchivering -ImportCert -- Een certificaatbestand in de database importeren -GetKey -- Blob voor herstel van gearchiveerde persoonlijke sleutel ophalen -RecoverKey -- Gearchiveerde persoonlijke sleutel ophalen -MergePFX -- PFX-bestanden samenvoegen -ConvertEPF -- PFX-bestanden converteren naar EPF-bestand -? -- Bericht van gebruik weergeven CertUtil -? -- Een woordenlijst (opdrachtlijst) weergeven CertUtil -dump -? -- De Helptekst weergeven voor het woord dump CertUtil -v -? -- De volledige Helptekst weergeven voor alle woorden CertUtil: - de opdracht ? is voltooid.
Het nummer van de actieve codetabel weergeven of dit instellen. CHCP [nnn] nnn Het nummer van de codetabel. Om het nummer van de huidige codetabel te zien, typt u CHCP zonder parameter.
De naam van de actieve map weergeven of de actieve map wijzigen.
CHDIR [/D] [station:][pad]
CHDIR [..]
CD [/D] [station:][pad]
CD [..]
.. Geeft aan dat u naar de bovenliggende map wilt gaan.
Typ CD <stationsletter> (bijv. CD E:) om de actieve map in het opgegeven
station weer te geven. Als u CD zonder parameters typt, worden het actieve
station en de actieve map weergegeven.
Gebruik de schakeloptie /D als u zowel het actieve station als de actieve
map voor een station wilt wijzigen.
Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert CHDIR als volgt:
De actieve maptekenreeks wordt aangepast (qua hoofd-/kleine lettergebruik)
aan de namen op de schijf. Dus CD C:\TEMP stelt de
actieve map in op C:\Temp als dat ook het geval is op schijf.
De opdracht CHDIR ziet spaties niet als scheidingstekens, zodat het
mogelijk is om CD te gebruiken naar een submapnaam die een spatie
bevat, zonder de naam te omgeven met aanhalingstekens. Bijvoorbeeld:
cd \winnt\profiles\username\programs\start menu
is hetzelfde als:
cd "\winnt\profiles\username\programs\start menu"
Dit is wat u moet typen als de extensies zijn uitgeschakeld.
Een schijf controleren en vervolgens een statusrapport weergeven.
CHKDSK [volume[[pad]best.naam]]] [/F] [/V] [/R] [/X] [/I] [/C] [/L[:grootte]]
[/B]
volume Het koppelpunt, de volumenaam of stationsletter (gevolgd
door een dubbele punt).
bestandsnaam Alleen voor FAT/FAT32: bepaalt welke bestanden op
fragmentatie moeten worden gecontroleerd.
/F Herstelt fouten op de schijf.
/V Op FAT/FAT32: geeft het volledige pad en de naam van elk
bestand op de schijf weer.
Op NTFS: geeft opruimberichten weer, indien aanwezig.
/R Vindt beschadigde sectoren en herstelt leesbare gegevens
(hiervoor is /F nodig)
/L:grootte Alleen NTFS: wijzigt de grootte van het logboekbestand naar
de opgegeven hoeveelheid kB. Als grootte niet is opgegeven,
wordt de huidige grootte weergegeven.
/X Forceert het eerst ontkoppelen van het volume, indien nodig.
Alle geopende ingangen naar het volume worden dan ongeldig
(hiervoor is /F nodig)
/I Alleen NTFS: voert een minder uitgebreide controle van
indexvermeldingen uit
/C Alleen NTFS: slaat het controleren van cycli binnen de
mapstructuur over
/B Alleen NFTS: evalueert de beschadigde cluster op het volume
opnieuw (hiervoor is /R nodig)
De schakelopties /I of /C verminderen de hoeveelheid tijd die is benodigd voor
het uitvoeren van Chkdsk door bepaalde controles van het volume over te slaan.
Tijdens het opstarten de schijfcontrole weergeven of deze aanpassen.
CHKNTFS volume [...]
CHKNTFS /D
CHKNTFS /T[:tijd:]
CHKNTFS /X volume [...]
CHKNTFS /C volume [...]
volume Bepaalt het koppelpunt, de volumenaam of stationsletters
(gevolgd door een dubbele punt) van een station.
/D Zet de computer terug op het standaardgedrag. Alle stations
worden bij het opstarten gecontroleerd en chkdsk wordt
uitgevoerd op beschadigde stations.
/T:tijd Wijzigt de aftellingstijd voor AUTOCHK-start in de opgegeven
hoeveelheid tijd (in seconden). Als geen tijd wordt opgegeven,
wordt de huidige instelling weergegeven.
/X Sluit een station uit van de standaardcontrole bij het
opstarten. Uitgesloten stations worden niet bijeengevoegd
tussen aanroepen van de opdracht.
/C Controleert een station tijdens het opstarten. Chkdsk wordt
uitgevoerd als het station is beschadigd.
Als er geen schakelopties worden opgegeven, zal CHKNTFS weergeven of het
opgegeven station is beschadigd of dat gepland is dat het station de volgende
keer dat het wordt opgestart wordt gecontroleerd.
CHOICE [/C keuzes] [/N] [/CS] [/T time out /D keuze] [/M tekst]
Beschrijving:
Met dit hulpprogramma kunnen gebruikers een item in
een lijst selecteren en wordt de index van de keuze geretourneerd.
Parameterlijst:
/C choices De lijst met keuzes die dient te worden gemaakt.
Standaardlijst is 'JN'.
/N Hiermee wordt de lijst in de prompt verborgen.
Het bericht voor de prompt wordt
weergegeven en de keuzes zijn ingeschakeld.
/CS Hiermee kunnen hoofdlettergevoelige keuzes worden
geselecteerd . Standaard is niet-hoofdlettergevoelig.
/T time-out Aantal seconden voor pauze voordat een standaard
keuze wordt gemaakt. Waarden van 0 tot 9999 zijn
geldig. Als 0 wordt opgegeven, is er geen pauze.
De standaardkeuze wordt geselecteerd.
/D keuze De standaardkeuze na nnnn seconden.
Het teken dient in de verzameling keuzes te zijn
opgenomen
in de optie /C en nnnn dient ook met /T te zijn
opgegeven.
/M tekst Het bericht dat wordt weergegeven voordat
de prompt wordt weergegeven. Als niet opgegeven
wordt alleen een prompt weergegeven.
/? Hiermee wordt dit helpbericht weergegeven.
Opmerking:
De omgevingsvariabele ERRORLEVEL wordt ingesteld op de index
van de sleutel die is geselecteerd. De eerste keuze retourneert
een waarde 1, de tweede een waarde 2, enzovoort.
Als de gebruiker op een toets drukt die geen geldige waarde is,
wordt een pieptoon weergegeven. Als een fout wordt vastgesteld,
wordt een waarde ERRORLEVEL van 255 geretourneerd. Als de
gebruiker op Ctrl+Break of Ctrl+C drukt, wordt een waarde
voor ERRORLEVEL van 0 geretourneerd. Als u ERRORLEVEL-parameters
in een batchprogramma gebruikt, dienen deze in afnemende grootte te
worden opgenomen.
Voorbeelden:
CHOICE /?
CHOICE /C JNA /M "Druk op J voor Ja, N voor Nee of A als u wilt Annuleren."
CHOICE /T 10 /C ync /CS /D y
CHOICE /C ab /M "Kies a voor optie 1 en b voor optie 2."
CHOICE /C ab /N /M "Kies a voor optie 1 en b voor optie 2."
Hiermee kan de versleuteling van mappen (of bestanden) op NTFS-partities
worden weergegeven en gewijzigd.
CIPHER [/E | /D | /C]
[/S:map] [/B] [/H] [padnaam [...]]
CIPHER /K [/ECC:256|384|521]
CIPHER /R:bestandsnaam [/SMARTCARD] [/ECC:256|384|521]
CIPHER /U [/N]
CIPHER /W:map
CIPHER /X[:efsbestand] [bestandsnaam]
CIPHER /Y
CIPHER /ADDUSER [/CERTHASH:hash | /CERTFILE:bestandsnaam |
/USER:gebruikersnaam]
[/S:map] [/B] [/H] [padnaam [...]]
CIPHER /FLUSHCACHE [/SERVER:servernaam]
CIPHER /REMOVEUSER /CERTHASH:hash
[/S:map] [/B] [/H] [padnaam [...]]
CIPHER /REKEY [padnaam [...]]
/B Afsluiten als een fout optreedt. Standaard gaat CIPHER door
zelfs als fouten optreden.
/C Hiermee wordt informatie over het versleutelde bestand
weergegeven.
/D Hiermee worden de opgegeven bestanden of mappen ontsleuteld.
/E Hiermee worden de opgegeven bestanden of mappen versleuteld.
De mappen worden gemarkeerd zodat achteraf toegevoegde
bestanden worden versleuteld. Het versleutelde bestand kan
de versleuteling kwijtraken als het wordt gewijzigd en de
bovenliggende map is niet versleuteld. Aanbevolen wordt om het
bestand en de bovenliggende map te versleutelen.
/H Hiermee worden bestanden met het kenmerk Verborgen of Systeem
weergegeven. Deze bestanden worden normaal niet weergegeven.
/K Hiermee wordt een nieuw certificaat en nieuwe sleutel gemaakt
voor gebruik bij EFS. Als deze optie wordt geselecteerd, worden
alle andere opties genegeerd.
Opmerking: Standaard worden met /K een certificaat en sleutel
gemaakt die voldoen aan het huidige groepsbeleid. Als ECC
wordt opgegeven, wordt een zelfondertekend certificaat
gemaakt met de opgegeven sleutelgrootte.
/N Deze optie werkt alleen met /U. Hiermee wordt voorkomen dat
sleutels worden bijgewerkt. Deze optie wordt gebruikt om alle
versleutelde bestanden op lokale stations te vinden.
/R Hiermee worden een sleutel en een certificaat voor EFS-herstel
gegenereerd en naar een PFX-bestand (met het
certificaat en de persoonlijke sleutel) en een CER-
bestand (met alleen het certificaat) geschreven. Een
administrator kan de inhoud van het CER-bestand aan het
EFS-herstelbeleid toevoegen om de herstelsleutel voor gebruikers
te maken en het PFX-bestand te importeren om individuele
bestanden te herstellen. Als SMARTCARD wordt opgegeven, worden
de herstelsleutel en het certificaat op een smartcard
opgeslagen. Een CER-bestand wordt gegenereerd (dat alleen het
certificaat bevat). Er wordt geen PFX-bestand gegenereerd.
Opmerking: Standaard worden met /R een 2048-bits sleutel en een
certificaat voor RSA-herstel gemaakt. Als ECC wordt
opgegeven, moet dit worden gevolgd door een sleutelgrootte
van 256, 384 of 521.
/S Hiermee wordt de opgegeven bewerking uitgevoerd op de opgegeven
map en alle bestanden en submappen in deze map.
/U Hiermee worden alle versleutelde bestanden op lokale stations
gemarkeerd. De bestandsversleutelingssleutel van de gebruiker
of de herstelsleutels worden bijgewerkt naar de huidige
versie als deze worden gewijzigd. Deze optie werkt niet
samen met andere opties, behalve met /N.
/W Hiermee worden gegevens in ongebruikte beschikbare schijfruimte
op het volledige volume verwijderd. Als deze optie wordt
gebruikt, worden alle andere opties genegeerd. De opgegeven map
kan zich overal op een lokaal volume bevinden. Als het een
koppelpunt is of verwijst naar een map op een ander volume,
dan worden de gegevens op het volume verwijderd.
/X Hiermee wordt een back-up van het EFS-certificaat en de
sleutels gemaakt in bestand 'bestandsnaam'. Als efsfile
wordt opgegeven, wordt een back-up gemaakt van het certificaat
of de certificaten van de huidige gebruiker die zijn gebruikt
om het bestand te versleutelen. In andere gevallen wordt een
back-up gemaakt van het huidige EFS-certificaat en sleutels van
de gebruiker.
/Y Hiermee wordt de huidige EFS-certificaatduimafdruk op de lokale
computer weergegeven.
/ADDUSER Hiermee wordt een gebruiker aan de opgegeven versleutelde
bestanden toegevoegd. Als CERTHASH wordt opgegeven, zoekt Cipher
naar een certificaat met deze SHA1-hash. Als CERTFILE wordt
opgegeven, zal Cipher het certificaat uit het bestand ophalen.
Als USER wordt opgegeven, wordt in Active Directory Domain
Services gezocht naar het certificaat van de gebruiker.
/FLUSHCACHE
Hiermee wordt de cache voor EFS-sleutels van de gebruiker die de
oproep doet, leeggemaakt op de opgegeven server. Als geen
servernaam wordt opgegeven, wordt de sleutelcache van de
gebruiker op de lokale computer leeggemaakt.
/REKEY Hiermee worden de opgegeven versleutelde bestanden zodanig
bijgewerkt dat de huidige geconfigureerde EFS-sleutel wordt
gebruikt.
/REMOVEUSER Hiermee wordt een gebruiker uit de opgegeven bestanden
verwijderd. CERTHASH moet de SHA1-has van het certificaat
zijn om te kunnen worden verwijderd.
map Pad naar map
bestandsnaam Bestandsnaam zonder extensies
padnaam Een patroon, bestand of map
efsbestand Pad naar versleuteld bestand
Zonder parameters geeft CIPHER de versleutelingsstatus van de huidige map
en de bestanden erin weer. U kunt meerdere mapnamen en jokertekens
gebruiken. Gebruik spaties tussen parameters.
CLIP
Beschrijving:
Leidt uitvoer van een opdracht op de opdrachtregel om naar het
klembord van Windows.
Deze uitvoer kan vervolgens in andere programma's worden geplakt.
Parameterlijst:
/? Dit helpbericht weergeven
Voorbeelden:
DIR | CLIP Plaatst een kopie van de huidige map-
lijst in het klembord van Windows.
CLIP < LEESMIJ.TXT Plaatst een kopie van de tekst in
leesmij.txt op het klembord van Windows.
Een nieuw exemplaar van de Windows-opdrachtinterpreter starten
CMD [/A | /U] [/Q] [/D] [/E:ON | /E:OFF] [/F:ON | /F:OFF] [/V:ON | /V:OFF]
[[/S] [/C | /K] tekenreeks]
/C Voert de opdracht uit die is opgegeven met tekenreeks en stopt dan
/K Voert de opdracht uit die is opgegeven met tekenreeks en blijft
actief
/S Wijzigt de verwerking van tekenreeks na /C of /K (zie hieronder)
/Q Schakelt echo uit
/D Uitvoering van AutoRun-opdrachten uit register uitschakelen
(zie hieronder)
/A Maakt de uitvoer van interne opdrachten in een pipe of bestand ANSI
/U Maakt de uitvoer van interne opdrachten in een pipe of bestand
Unicode
/T:fg Stelt voorgrond-/achtergrondkleuren in (typ COLOR /? voor meer info)
/E:ON Schakelt opdrachtextensies in (zie hieronder)
/E:OFF Schakelt opdrachtextensies uit (zie hieronder)
/F:ON Schakelt tekenvoltooiing van bestands- en mapnamen in
(zie hieronder)
/F:OFF Schakelt tekenvoltooiing van bestands- en mapnamen uit
(zie hieronder)
/V:ON Schakelt vertraagde uitbreiding van omgevingsvariabele in met ! als
scheidingsteken. Bijvoorbeeld: /V:ON staat !var! toe de variabele
var uit te breiding tijdens uitvoering. De syntaxis var breidt
variabelen uit tijdens de invoer, wat heel anders is binnen een
FOR-lus.
/V:OFF Schakelt vertraagde uitbreiding van omgevingsvariabele uit.
Opmerking: meerdere opdrachten die worden gescheiden door opdracht-
scheidingsteken '&&' worden als tekenreeks geaccepteerd als
ze worden omgeven door aanhalingstekens. Voor
compatibiliteitsredenen is /X hetzelfde als /E:ON, /Y is
hetzelfde als /E:OFF en /R is hetzelfde als /C. Alle andere
schakelopties worden genegeerd.
Als /C of /K is opgegeven wordt de rest van de opdrachtregel na de
schakeloptie verwerkt als een opdrachtregel, waarbij op de volgende manier
dubbele aanhalingstekens worden verwerkt:
1. Als wordt voldaan aan alle volgende condities, worden
aanhalingstekens op de opdrachtregel bewaard:
- geen schakeloptie /S
- precies twee aanhalingstekens
- geen speciale tekens tussen de twee aanhalingstekens (speciaal is
(&<>()@ˆ| )
- één of meer spaties tussen de twee aanhalingstekens
- de tekenreeks tussen de twee aanhalingstekens is de naam van
een uitvoerbaar bestand.
2. Anders wordt gekeken of het eerste teken een aanhalingsteken is
en als dat zo is, wordt het eerste teken en het laatste
aanhalingsteken verwijderd van de opdrachtregel, waardoor alle
tekst na het laatste aanhalingsteken wordt bewaard.
Als /D NIET is opgegeven op de opdrachtregel wordt tijdens het starten van
CMD.EXE gezocht naar de volgende REG_SZ/REG_EXPAND_SZ-registervariabelen en
als een of beide aanwezig zijn, worden deze eerst uitgevoerd.
HKEY_LOCAL_MACHINE\Software\Microsoft\Command Processor\AutoRun
en/of
HKEY_CURRENT_USER\Software\Microsoft\Command Processor\AutoRun
Opdrachtextensies zijn standaard ingeschakeld. U kunt extensies ook
uitschakelen voor een speciale aanroep door gebruik te maken van de
schakeloptie /E:OFF. U kunt extensies in- of uitschakelen voor alle
aanroepen van CMD.EXE op een computer en/of gebruikersaanmeldingssessie
door het instellen van een of beide van de volgende REG_DWORD-waarden
in het register op 0x1 of 0x0 met behulp van REGEDT.EXE:
HKEY_LOCAL_MACHINE\Software\Microsoft\Command Processor\EnableExtensions
en/of
HKEY_CURRENT_USER\Software\Microsoft\Command Processor\EnableExtensions
De gebruikersspecifieke instelling gaat boven de instelling van de computer.
De opdrachtregelparameters gaan boven de registerinstellingen.
In een batchbestand heeft het argument SETLOCAL ENABLEEXTENSIONS of
DISABLEEXTENSIONS een hogere prioriteit dan de schakeloptie /E:ON of /E:OFF.
Zie SETLOCAL /? voor meer informatie.
De opdrachtextensies bieden wijzigingen van en/of toevoegingen aan de
volgende opdrachten:
DEL of ERASE
COLOR
CD of CHDIR
MD of MKDIR
PROMPT
PUSHD
POPD
SET
SETLOCAL
ENDLOCAL
IF
FOR
CALL
SHIFT
GOTO
START (inclusief wijzigingen aan externe aanroep van opdracht)
ASSOC
FTYPE
Typ opdrachtnaam /? om specifieke details van een opdracht weer te geven.
Vertraagde extensie van omgevingsvariabele is NIET standaard
ingeschakeld. U kunt deze extensie in- of uitschakelen voor een
specifieke aanroep van CMD.EXE met de schakeloptie /V:ON of /V:OFF.
U kunt vertraagde uitbreiding van alle aanroepen van CMD.EXE in- of
uitschakelen op een computer en/of gebruikersaanmeldingssessie door het
instellen van een of beide van de volgende REG_DWORD-waarden in het
register op 0x1 of 0x0 met behulp van REGEDT.EXE:
HKEY_LOCAL_MACHINE\Software\Microsoft\Command Processor\DelayedExpansion
en/of
HKEY_CURRENT_USER\Software\Microsoft\Command Processor\DelayedExpansion
De gebruikersspecifieke instelling gaat boven de instelling van de computer.
De opdrachtregelparameters gaan boven de registerinstellingen.
In een batchbestand het heeft het argument SETLOCAL ENABLEEXTENSIONS of
DISABLEEXTENSIONS een hogere prioriteit dan de schakeloptie /E:ON of /E:OFF.
Zie SETLOCAL /? voor meer informaties.
Als vertraagde uitbreiding van omgevingsvariabele is ingeschakeld, kan het
uitroepteken worden gebruikt om de waarde van de omgevingsvariabele te
vervangen tijdens uitvoering.
U kunt voltooiing van bestandsnamen in- of uitschakelen voor een specifieke
aanroep van CMD.EXE met schakeloptie /F:ON of /F:OFF. U kunt voltooiing
van alle aanroepen van CMD.EXE in- of uitschakelen op een computer en/of
gebruikersaanmeldingssessie door het instellen van een of beide van de
volgende REG_WORD-waarden in het register met behulp van REGEDT.EXE:
HKEY_LOCAL_MACHINE\Software\Microsoft\Command Processor\CompletionChar
HKEY_LOCAL_MACHINE\Software\Microsoft\Command Processor\PathCompletionChar
en/of
HKEY_CURRENT_USER\Software\Microsoft\Command Processor\CompletionChar
HKEY_CURRENT_USER\Software\Microsoft\Command Processor\PathCompletionChar
met de hexadecimale waarde van een te gebruiken besturingsteken voor een
bepaalde functie (b.v. 0x4 is Ctrl-D en 0x6 is Ctrl-F). De gebruikersspecifieke
instellingen gaan boven de instellingen voor de computer. De opdrachtregel-
parameters gaan boven de registerinstellingen.
Als voltooiing is ingeschakeld met schakeloptie /F:ON zijn de twee gebruikte
besturingstekens Ctrl-D voor voltooiing van mapnamen en Ctrl-F voor voltooiing
van bestandsnamen. Als u een bepaald voltooiingsteken in het register wilt
uitschakelen, kunt u de waarde voor spatie (0x20) gebruiken omdat dit geen
geldig besturingsteken is.
Automatisch invullen wordt gestart als u één van de twee besturingstekens
typt. De functie voor automatisch invullen neemt de tekenreeks met het pad
aan de linkerkant van de aanwijzer, voegt er een jokerteken aan toe en maakt
een lijst met paden die overeenkomen. Vervolgens wordt het eerste
overeenkomende pad weergegeven. Als er geen paden overeenkomen wordt er een
geluid weergegeven en wordt de lijst niet aangepast. Hierna wordt bij het
indrukken van de toets met het besturingsteken door de lijst met
overeenkomende paden gebladerd. Als op de Shift-toets en de toets met het
besturingsteken wordt gedrukt wordt in de tegenovergestelde richting door de
lijst gebladerd. Als u de regel bewerkt en wijzigt en vervolgens op de toets
met het controleteken drukt, wordt de lijst met overeenkomende paden
weggegooid en wordt een nieuwe lijst gegenereerd. Hetzelfde gebeurt als u
wisselt tussen automatisch invullen van namen van mappen en bestanden. Het
enige verschil tussen de twee besturingstekens is dat het teken voor
aanvullen van bestandsnamen zowel bestandsnamen als mapnamen vindt, terwijl
het teken voor aanvullen van mapnamen alleen mapnamen vindt. Als aanvullen
van bestandsnamen wordt gebruikt voor de ingebouwde mapopdrachten (CD, MD of
RD) dan wordt aanvullen van mapnamen verondersteld.
De programmacode van automatisch aanvullen verwerkt bestandsnamen met spaties
of andere speciale tekens door deze in te sluiten door aanhalingstekens. Ook
wordt de tekst aan de rechterkant van de aanwijzer op het moment dat automatisch
aanvullen wordt aangeroepen weggegooid.
Speciale tekens waarvoor aanhalingstekens zijn vereist:
<spatie>
&()[]{}ˆ=;!'+,`~
Maakt, verwijdert en geeft gebruikersnamen en wachtwoorden weer.
De syntaxis van deze opdracht is:
CMDKEY [{/add | /generic}:doelnaam {/smartcard | /user:gebruikersnaam
{/pass{:wachtwoord}}} | /delete{:doelnaam | /ras} | /list{:doelnaam}]
Voorbeelden:
Voor het weergeven van alle beschikbare referenties:
cmdkey /list
cmdkey /list:doelnaam
Voor het maken van domeinreferenties:
cmdkey /add:doelnaam /user:gebruikersnaam /pass:password
cmdkey /add:doelnaam /user:gebruikersnaam /pass
cmdkey /add:doelnaam /user:gebruikersnaam
cmdkey /add:doelnaam /smartcard
Voor het maken van algemene referenties:
Vervang hiervoor de schakeloptie /add door /generic
Voor het verwijderen van bestaande referenties:
cmdkey /delete:doelnaam
Voor het verwijderen van RAS-referenties:
cmdkey /delete /ras
Stelt de voorgrond- en achtergrondkleuren in voor standaardconsole.
COLOR (attr)
attr kenmerk voor kleur van console-uitvoer
Kleurkenmerken bestaan uit twee hexadecimale tekens -- de eerste
staat voor de achtergrond; de tweede staat voor de voorgrond. Elk teken
kan een van de volgende waarden zijn:
0 = Zwart 8 = Donkergrijs
1 = Blauw 9 = Pastelblauw
2 = Groen A = Limoengroen
3 = Groenblauw B = Lichtblauw
4 = Rood C = Lichtrood
5 = Paars D = Lichtpaars
6 = Geel E = Lichtgeel
7 = Grijs F = Wit
Als er geen argument opgegeven zijn, stelt deze opdracht de kleuren in
zoals deze waren toen CMD.EXE gestart werd. Deze waarde komt van de
huidige console, de schakeloptie /T of uit de registerwaarde
DefaultColor.
De opdracht COLOR stelt ERRORLEVEL in op 1 als een poging gedaan wordt
om COLOR uit te voeren met identieke kleuren als voor- en
achtergrond.
"COLOR fc" geeft bijvoorbeeld lichtrood op wit.
De inhoud van twee bestanden of groepen bestanden vergelijken.
COMP [data1] [data2] [/D] [/A] [/L] [/N=aantal] [/C] [/OFF[LINE]]
data1 De locatie en naam van de eerste bestand(en) die u
wilt vergelijken.
data2 De locatie en naam van de andere bestand(en) die u
wilt vergelijken.
/D Geeft de verschillen in decimale notatie weer.
/A Geeft de verschillen in ASCII-tekens weer.
/L Geeft regelnummers weer bij de verschillen.
/N=aantal Vergelijkt het eerste aantal regels van beide bestanden.
/C Vergelijkt de bestanden zonder op hoofdletters en
kleine letters te letten in ASCII.
/OFF[LINE] Slaat bestanden met ingeschakeld offlinekenmerk niet over.
Gebruik jokertekens in de parameters data1 en data2 als u groepen
bestanden wilt vergelijken.
De compressie van bestanden op NTFS-partities weergeven of wijzigen.
COMPACT [/C | /U] [/S[:dir]] [/A] [/I] [/F] [/Q] [bestandsnaam [...]]
/C Comprimeert de opgegeven bestanden. Mappen worden gemarkeerd.
zodat later toegevoegde bestanden gecomprimeerd worden.
/U Decomprimeert de opgegeven bestanden. Mappen worden gemarkeerd
zodat later toegevoegde bestanden niet gecomprimeerd worden.
/S Voert de opgegeven bewerking uit op bestanden in de opgegeven
map en alle submappen. Standaard wordt de actieve map gebruikt.
/A Geeft bestanden weer met een verborgen- of
systeembestandskenmerk. Deze bestanden worden standaard
overgeslagen.
/I Laat de opgegeven opdracht doorgaan, ook als er fouten
optreden. Normaal stopt COMPACT als er een fout optreedt.
/F Forceert de compressiebewerking op alle opgegeven bestanden, ook
op bestanden die al gecomprimeerd zijn. Normaal worden al
gecomprimeerde bestanden overgeslagen.
/Q Geeft alleen de meest essentiële informatie weer.
bestandsnaam Een patroon, bestand of map.
Indien gebruikt zonder parameters, beeldt COMPACT de compressiestatus
van de actieve map en de bestanden daarin af. U kunt meer
bestandsnamen en jokertekens gebruiken. U moet een spatie invoegen tussen
verschillende parameters.
Een FAT-volume naar NTFS converteren.
CONVERT volume: /FS:NTFS [/V] [/CvtArea:bestandsnaam] [/NoSecurity] [/X]
volume Bepaalt de stationsletter (gevolgd door een dubbele punt), het
koppelpunt of de volumenaam.
/FS:NTFS Bepaalt dat het volume naar NTFS wordt geconverteerd.
/V Bepaalt dat Convert in de modus met uitleg wordt uitgevoerd.
/CvtArea:bestandsnaam
Bepaalt een aaneengesloten bestand in de hoofdmap om als
tijdelijke plaatsaanduiding voor NFTS-systeembestanden te
dienen.
/NoSecurity Bepaalt dat de veiligheidsinstellingen voor de geconverteerde
bestanden voor iedereen toegankelijk zijn.
/X Bepaalt dat het volume indien nodig ontkoppeld wordt.
Alle geopende volume-ingangen worden hierdoor ongeldig.
Eén of meer bestanden kopiëren naar een andere locatie.
COPY [/D] [/V] [/N] [/Y | /-Y] [/Z] [/L] [/A | /B] bron [/A | /B]
[+ bron [/A | /B] [+ ...]] [doel [/A | /B]]
bron Geeft aan welke bestanden moeten worden gekopieerd.
/A Geeft aan dat het ASCII-tekstbestand betreft.
/B Geeft aan dat het een binair bestand betreft.
/D Geeft aan dat het doelbestand bij het maken wordt ontsleuteld
doel De map en/of de bestandsnamen voor de nieuwe bestanden.
/V Controleert of de nieuwe bestanden correct zijn gekopieerd.
/N Gebruikt korte bestandsnaam, indien beschikbaar,
wanneer een bestand wordt gekopieerd dat geen
8-punt-3-bestandsnaam heeft.
/Y Onderdrukt vragen om bevestiging bij negeren van bestaand
doelbestand.
/-Y Vraagt om bevestiging bij overschrijven van bestaand doelbestand.
/Z Kopieert bestanden van het netwerk in modus voor opnieuw starten.
/L Als de bron een symbolische koppeling is, wordt de koppeling naar
het doel gekopieerd in plaats van het eigenlijke bestand waarnaar
de bronkoppeling verwijst.
De schakeloptie /Y kan vooraf zijn ingesteld in de omgevingsvariabele
COPYCMD. Dit kan worden opgeheven met de schakeloptie /-Y.
Standaard wordt een waarschuwingsbericht weergegeven wanneer een bestand
wordt overschreven tenzij de opdracht COPY wordt uitgevoerd vanuit een
batchscript.
Geef om bestanden bijeen te voegen één bestand op als doel en meerdere
als bron (gebruik jokertekens of de notatie bestand1+bestand2+bestand3).
Microsoft (R) Windows Script Host versie 5.8 Copyright (C) Microsoft Corporation 1996-2001. Alle rechten voorbehouden. Gebruik: CScript scriptnaam.extensie [optie...] [argumenten...] Opties: //B Batchmodus: onderdrukt de weergave van scriptfouten en scriptprompts //D Actieve foutopsporing inschakelen //E:engine Engine gebruiken voor uitvoering van script //H:CScript Wijzigt de standaardhost voor scriptverwerking in CScript.exe //H:WScript Wijzigt de standaardhost voor scriptverwerking in WScript.exe (standaard) //I Interactieve modus (standaard tegenovergestelde van //B) //Job:xxxx Een WSF-taak uitvoeren //Logo Logo weergeven (standaard) //Nologo Weergave van logo uitschakelen: gedurende de uitvoering wordt geen vaandel weergegeven //S De huidige opdrachtregelopties opslaan voor deze gebruiker //T:nn Time-out in seconden: maximumtijd dat een script mag worden uitgevoerd //X Script uitvoeren in debugger //U Unicode gebruiken voor omgeleide I/O vanaf de console
De datum weergeven of deze instellen. DATE [/T | datum] DATE zonder parameters geeft de huidige datum weer en vraagt u een nieuwe datum in te voeren. Druk op ENTER om de huidige datum te behouden. Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, ondersteunt de opdracht DATE de schakeloptie /T, waarmee de opdracht alleen de huidige datum weergeeft, zonder te vragen om een nieuwe datum.
Runs Debug, a program testing and editing tool.
DEBUG [[drive:][path]filename [testfile-parameters]]
[drive:][path]filename Specifies the file you want to test.
testfile-parameters Specifies command-line information required by
the file you want to test.
After Debug starts, type ? to display a list of debugging commands.
Microsoft Schijfdefragmentatie Copyright (c) 2007 Microsoft Corp. Beschrijving: Hiermee worden gefragmenteerde bestanden op lokale volumes opgezocht en geconsolideerd om de systeemprestaties te verbeteren. Syntaxis: defrag <volumes> | /C | /E <volumes> [/H] [/M | [/U] [/V]] defrag <volumes> | /C | /E <volumes> /A [/H] [/M | [/U] [/V]] defrag <volumes> | /C | /E <volumes> /X [/H] [/M | [/U] [/V]] defrag <volume> /T [/H] [/U] [/V] Parameters: Waarde Beschrijving /A Analyse uitvoeren op de opgegeven volumes. /C De bewerking uitvoeren op alle volumes. /E De bewerking uitvoeren op alle volumes behalve de opgegeven volumes. /H De bewerking uitvoeren met normale prioriteit (standaardwaarde is laag). /e De bewerking uitvoeren op elk volume, parallel op de achtergrond. /T Een bewerking volgen die al wordt uitgevoerd op het opgegeven volume. /U De voortgang van de bewerking op het scherm afdrukken. /V Uitgebreide uitvoer afdrukken inclusief de fragmentatiestatistieken. /X Consolidatie van de beschikbare ruimte uitvoeren op de opgegeven volumes. Voorbeelden: defrag C: /U /V defrag C: D: /M defrag C:\mountpoint /A /U defrag /C /H /V
Eén of meer bestanden verwijderen.
DEL [/P] [/F] [/S] [/Q] [/A[[:]kenmerken]] namen
ERASE [/P] [/F] [/S] [/Q] [/A[[:]kenmerken]] namen
namen Een lijst met één of meer bestanden of mappen. Joker-
tekens kunnen worden gebruikt om meerdere bestanden te
verwijderen. Als een map is opgegeven, worden alle bestanden
in die map verwijderd.
/P Vraagt om bevestiging voordat een bestand wordt verwijderd.
/F Forceert verwijdering van alleen-lezenbestanden.
/S Verwijdert de opgegeven bestanden uit alle submappen.
/Q Stille modus: vraagt bij gebruik van jokertekens niet om
bevestiging.
/A Selecteert de te verwijderen bestanden op basis van kenmerken.
kenmerken R Alleen-lezenbestanden S Systeembestanden
H Verborgen bestanden A Archiveringsbestanden
I Bestanden zonder geïndexeerde inhoud L Reparsepunten
- Voorvoegsel met betekenis 'niet'
Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, veranderen DEL en ERASE als volgt:
De weergave van schakeloptie /S worden omgekeerd zodat alleen de bestanden
worden weergegeven die zijn verwijderd en niet de bestanden die niet zijn
gevonden.
Device Console Help: DEVCON [-r] [-m:\\<machine>] <command> [<arg>...] -r if specified will reboot machine after command is complete, if needed. <machine> is name of target machine. <command> is command to perform (see below). <arg>... is one or more arguments if required by command. For help on a specific command, type: DEVCON help <command> classfilter Allows modification of class filters. classes List all device setup classes. disable Disable devices that match the specific hardware or instance ID. driverfiles List driver files installed for devices. drivernodes Lists all the driver nodes of devices. enable Enable devices that match the specific hardware or instance ID. find Find devices that match the specific hardware or instance ID. findall Find devices including those that are not present. help Display this information. hwids Lists hardware ID's of devices. install Manually install a device. listclass List all devices for a setup class. reboot Reboot local machine. remove Remove devices that match the specific hardware or instance ID. rescan Scan for new hardware. resources Lists hardware resources of devices. restart Restart devices that match the specific hardware or instance ID. sethwid Modify Hardware ID's of listed root-enumerated devices. stack Lists expected driver stack of devices. status List running status of devices. update Manually update a device. updateni Manually update a device (non interactive).
USAGE: DHCPLOC [-p] [-a:"list-of-alertnames"] [-i:alertinterval] machine-ip-address [list of valid dhcp servers ip addresses]
Cabinet Maker - Lossless Data Compression Tool
MAKECAB [/V[n]] [/D var=value ...] [/L dir] source [destination]
MAKECAB [/V[n]] [/D var=value ...] /F directive_file [...]
source File to compress.
destination File name to give compressed file. If omitted, the
last character of the source file name is replaced
with an underscore (_) and used as the destination.
/F directives A file with MakeCAB directives (may be repeated). Refer to
Microsoft Cabinet SDK for information on directive_file.
/D var=value Defines variable with specified value.
/L dir Location to place destination (default is current directory).
/V[n] Verbosity level (1..3).
Een lijst weergeven met bestanden en submappen in een map
DIR [station:][pad][bestandsnaam] [/A[[:]kenmerken]] [/B] [/C] [/D] [/L] [/N]
[/O[[:]volgorde]] [/P] [/Q] [/R] [/S] [/T[[:]tijdsveld]] [/W] [/X] [/4]
[station:][pad][bestandsnaam]
Station, map en/of bestanden die u wilt weergeven.
/A Bestanden met opgegeven kenmerken weergeven.
kenmerken D Mappen R Alleen-lezenbestanden
H Verborgen bestanden A Archiveringsbestanden
S Systeembestanden I Bestanden zonder geïndexeerde inhoud
L Reparsepunten - Voorvoegsel met betekenis 'niet'
/B Kaal formaat gebruiken (geen heading-gegevens of samenvatting).
/C Het duizendtal-scheidingsteken weergeven in bestandsgroottes.
Dit is de standaardinstelling. Gebruik /-C om het weergeven van
het scheidingsteken uit te schakelen.
/D Zelfde als brede-lijstsortering maar bestanden worden per
kolom gesorteerd.
/L Kleine letters gebruiken.
/N Nieuwe indeling (lange lijst) waarbij bestandsnamen rechts
worden weergegeven.
/O Bestandslijst in gesorteerde volgorde.
volgorde N Op naam (alfabet.) S Op grootte (kleinste eerst)
E Op extensie (alfabet.) D Op datum en tijd (oudste eerst)
G Mappen eerst groeperen - Voorvoegsel voor omgekeerde
volgorde
/P Wachten na elk gegevensscherm.
/Q De eigenaar van het bestand weergeven.
/R Andere gegevensstreams van het bestand weergeven.
/S De bestanden in opgegeven map en alle submappen weergeven.
/T Het tijdsveld dat wordt weergegeven of gebruikt voor sorteren.
tijdsveld C Tijdstip van maken
A Laatste keer dat het bestand is gebruikt
W Laatste keer dat naar het bestand is geschreven
/W Brede-lijstsortering gebruiken.
/X De korte namen weergeven die zijn gemaakt voor bestanden die
geen 8.3-bestandsnaam hebben. De weergave is als bij /N,
waarbij de korte naam voor de lange naam wordt geplaatst.
Als er geen korte naam beschikbaar is, worden spaties
weergegeven.
/4 Jaartallen met vier cijfers weergeven.
Schakelopties kunnen vooraf zijn ingesteld met de omgevingsvariabele DIRCMD.
Het voorvoegsel - (streepje) onderdrukt ingestelde schakelopties
(bijv. /-W)
De inhoud van twee diskettes vergelijken. DISKCOMP [station1: [station2:]]
Kopieert de inhoud van een diskette naar een andere diskette. DISKCOPY [station1: [station2:]] [/V] /V Controleert of de gegevens juist zijn gekopieerd. De twee diskettes moeten van hetzelfde type zijn. U mag hetzelfde station voor station1 en station2 opgeven.
Microsoft DiskPart-versie 6.1.7601 Copyright (C) 1999-2008 Microsoft Corporation. Op computer: LTROB Syntaxis voor Microsoft DiskPart: diskpart [/s <script>] [/?] /s <script> - Een DiskPart-script gebruiken. /? - Dit hulpscherm weergeven.
DISKPERF [-Y[D|V] | -N[D|V]] [\\computernaam]
-Y Het systeem zodanig instellen dat alle schijfprestatiemeteritems
worden gestart wanneer het systeem opnieuw wordt gestart.
-YD De schijfprestatiemeteritems voor fysieke schijven inschakelen
wanneer het systeem opnieuw wordt gestart.
-YV De schijfprestatiemeteritems voor logische stations inschakelen
of voor opslagvolumes, wanneer het systeem opnieuw wordt gestart.
-N Het systeem zodanig instellen dat alle schijfprestatiemeteritems
worden uitgeschakeld wanneer het systeem opnieuw wordt gestart.
-ND De schijfprestatiemeteritems voor fysieke schijven uitschakelen.
-NV De schijfprestatiemeteritems voor logische stations uitschakelen.
\\computernaam Dit is de naam van de computer die u wilt weergeven
of waarvoor u het gebruik van prestatiemeteritems wilt
instellen. De computer dient een Windows 2000-systeem
te zijn.
Opmerking: Schijfprestatiemeteritems zijn permanent ingeschakeld
op systemen na Windows 2000.
Microsoft DiskRAID versie 6.1.7601
Copyright (C) 2003-2007 Microsoft Corporation.
Op computer: LTROB
Syntaxis: DISKRAID [/? | [/s <script>] [/v]]
Hiermee kunt u de toepassing DiskRAID starten.
/? Deze instructies voor gebruik van DiskRAID weergeven.
/s <script> De opdrachten uit het DiskRAID-scriptbestand op
de opgegeven locatie uitvoeren.
/v DiskRAID in de uitgebreide modus uitvoeren, waarbij extra
informatie wordt weergegeven over elke opdracht die wordt
uitgevoerd.
Voorbeelden:
DISKRAID
DISKRAID /v
Hulpprogramma DISM (Deployment Image Servicing and Management)
Versie: 6.1.7600.16385
DISM.exe [dism_opties] {WIM_opdracht} [<WIM_argumenten>]
DISM.exe {/Image:<pad_naar_offline_installatiekopie> | /Online} [dism_opties]
{servicing_opdracht} [<servicing_argumenten>]
BESCHRIJVING:
DISM wordt gebruikt voor het inventariseren, installeren, verwijderen,
configureren en bijwerken van onderdelen van en pakketten in Windows-
installatiekopieën. De beschikbare opdrachten zijn afhankelijk van de
kopie die wordt verwerkt en verder speelt het een rol of de
kopie offline is of actief is.
WIM-OPDRACHTEN:
/Get-MountedWimInfo - Hiermee wordt informatie weergegeven over
gekoppelde WIM-installatiekopieën.
/Get-WimInfo - Hiermee wordt informatie weergegeven over
installatiekopieën in een WIM-bestand.
/Commit-Wim - Hiermee worden wijzigingen in een gekoppelde
WIM-installatiekopie opgeslagen.
/Unmount-Wim - Hiermee wordt een gekoppelde WIM-installatiekopie
ontkoppeld.
/Mount-Wim - Hiermee wordt een installatiekopie gekoppeld
vanuit een WIM-bestand.
/Remount-Wim - Hiermee wordt een zwevende WIM-koppelingsmap
hersteld.
/Cleanup-Wim - Hiermee worden bronnen verwijderd in verband met
gekoppelde WIM- installatiekopieën die beschadigd
zijn.
SPECIFICATIES VAN INSTALLATIEKOPIE:
/Online - Is van toepassing op het actieve besturingssysteem.
/Image - Hiermee wordt het pad opgegeven naar de hoofdmap
van een offline Windows-installatiekopie.
DISM-OPTIES:
/English - Hiermee wordt de uitvoer van de opdrachtregel in
het Engels weergegeven.
/Format - Hiermee wordt de uitvoerindeling voor rapporten
opgegeven.
/WinDir - Hiermee wordt het pad opgegeven naar de Windows-map.
/SysDriveDir - Hiermee wordt het pad opgegeven naar het bestand
voor het laden van het systeem met de naam BootMgr.
/LogPath - Hiermee wordt het pad naar het logboekbestand
opgegeven.
/LogLevel - Hiermee wordt het uitvoerniveau voor het
logboekbestand (1-4) opgegeven.
/NoRestart - Hiermee worden het automatisch opnieuw opstarten
en het vragen hierom uitgeschakeld.
/Quiet - Hiermee wordt alle uitvoer onderdrukt, behalve
foutberichten.
/ScratchDir - Hiermee wordt het pad naar een scratchdirectory
opgegeven.
Geef een optie onmiddellijk vóór /? op voor meer informatie over deze DISM-
opties en de bijbehorende argumenten.
Voorbeelden:
DISM.exe /Mount-Wim /?
DISM.exe /ScratchDir /?
DISM.exe /Image:C:\test\offline /?
DISM.exe /Online /?
Logs display information to a file in the current directory. Usage: dispdiag [-testacpi] [-d] [-delay <seconds>] [-out <FilePath>] -testacpi runs hotkey diagnostics test -d generates a dmp file as well with additional data. -delay delays the collection of data by specified time in seconds. -out <FilePath> path where the dispdiag file should be saved, including filename. This must be the last parameter Output: Name of the saved file.
Opdrachtregels bewerken, Windows-opdrachten terugroepen en macro's maken.
DOSKEY [/REINSTALL] [/LISTSIZE=grootte] [/MACROS[:ALL | :EXE-naam]]
[/HISTORY] [/INSERT | /OVERSTRIKE] [/EXENAME=EXE-naam]
[/MACROFILE=bestandsnaam] [macronaam=[tekst]]
/REINSTALL Installeert een nieuwe kopie van Doskey.
/LISTSIZE=grootte Stelt grootte in van opdrachtgeschiedenisbuffer.
/MACROS Geeft alle Doskey-macro's weer.
/MACROS:ALL Geeft alle Doskey-macro's weer voor alle uitvoerbare
bestanden met Doskey-macro's.
/MACROS:EXE-naam Geeft alle Doskey-macro's weer voor het opgegeven
EXE-bestand.
/HISTORY Geeft alle in het geheugen opgeslagen opdrachten weer.
/INSERT Geeft aan dat de nieuw ingevoerde tekst in de oude
tekst moet worden ingevoegd.
/OVERSTRIKE Geeft aan dat nieuwe tekst oude tekst overschrijft.
/EXENAME=EXE-naam Het uitvoerbare bestand.
/MACROFILE=bestandsnaam
Een te installeren bestand met macro's.
macronaam Een naam voor de macro die u maakt.
tekst Opdrachten die u wilt opnemen.
Met PIJL-OMHOOG en PIJL-OMLAAG roept u opdrachten opnieuw op; ESC wist
de opdrachtregel; met F7 wordt de opdrachtregelgeschiedenis weergegeven;
ALT+F7 wist de opdrachtregelgeschiedenis; F8 doorzoekt de opdrachtregel-
geschiedenis. Met F9 selecteert u een opdracht per nummer;
ALT+F10 wist macrodefinities.
De volgende codes zijn speciale codes in Doskey-macrodefinities:
$T Opdrachtscheidingsteken. Maakt het mogelijk meerdere opdrachten
te gebruiken in een macro.
$1-$9 Batchparameters. Komen overeen met %1-%9 in batchprogramma's.
$* Wordt vervangen door alles achter de macronaam in de opdrachtregel.
Programma's in staat stellen om gegevensbestanden in opgegeven mappen te
openen alsof deze bestanden zich in de actieve map bevinden.
APPEND [[station:]pad[;...]] [/X[:ON | :OFF]] [/PATH:ON | /PATH:OFF] [/E]
APPEND ;
[station:]pad Het station en de map die u wilt toevoegen.
/X:ON Past toegevoegde mappen toe op bestandszoekopdrachten en
op het uitvoeren van toepassingen.
/X:OFF Past toegevoegde mappen alleen toe op aanvragen om
bestanden te openen. /X:OFF is de standaardinstelling.
/PATH:ON Past de toegevoegde mappen toe op bestandsaanvragen die
reeds een pad bevatten. /PATH:ON is de standaardinstelling.
/PATH:OFF Schakelt /PATH:ON uit.
/E Bewaart een kopie van de toegevoegde map in
omgevingsvariabele APPEND. U kunt /E alleen de eerste keer
gebruiken dat u APPEND gebruikt nadat u het systeem hebt
gestart.
Typ APPEND ; om de lijst met toegevoegde mappen leeg te maken.
Typ APPEND zonder parameters om de lijst met toegevoegde mappen weer te
geven.
DRIVERQUERY [/S computer [/U gebruikersnaam [/P [wachtwoord]]]]
[/FO indeling] [/NH] [/SI] [/V]
Beschrijving:
Hiermee kan een administrator een lijst met geïnstalleerde
stuurprogramma's weergeven.
Parameterlijst:
/S computer Het externe systeem voor een verbinding.
/U [domein\]gebruiker De gebruikerscontext waarin de opdracht
moet worden uitgevoerd.
/P [wachtwoord] Het wachtwoord voor de opgegeven
gebruikerscontext.
/FO indeling Het type uitvoer dat moet worden weergegeven.
Geldige waarden voor de schakeloptie:
TABLE, LIST, CSV.
/NH Hiermee wordt opgegeven dat de kopregel van de kolom
niet moet worden weergegeven
Alleen geldig voor de indelingen TABLE en CSV.
/SI Informatie over ondertekende stuurprogramma's.
/V Uitgebreide uitvoer weergeven.
Ongeldig voor ondertekende stuurprogramma's.
/? Dit helpbericht weergeven.
Voorbeelden:
DRIVERQUERY
DRIVERQUERY /FO CSV /SI
DRIVERQUERY /NH
DRIVERQUERY /S ip-adres /U gebruiker /V
DRIVERQUERY /S computer /U domein\gebruiker /P wachtwoord /FO LIST
Description: This tool's commands add specific types of objects to the
directory. The dsadd commands:
dsadd computer - adds a computer to the directory.
dsadd contact - adds a contact to the directory.
dsadd group - adds a group to the directory.
dsadd ou - adds an organizational unit to the directory.
dsadd user - adds a user to the directory.
dsadd quota - adds a quota specification to a directory partition.
For help on a specific command, type "dsadd <ObjectType> /?" where
<ObjectType> is one of the supported object types shown above.
For example, dsadd ou /?.
Remarks:
Commas that are not used as separators in distinguished names must be
escaped with the backslash ("\") character
(for example, "CN=Company\, Inc.,CN=Users,DC=microsoft,DC=com").
Backslashes used in distinguished names must be escaped with a backslash
(for example,
"CN=Sales\\ Latin America,OU=Distribution Lists,DC=microsoft,DC=com").
Directory Service command-line tools help:
dsadd /? - help for adding objects.
dsget /? - help for displaying objects.
dsmod /? - help for modifying objects.
dsmove /? - help for moving objects.
dsquery /? - help for finding objects matching search criteria.
dsrm /? - help for deleting objects.
Description: This tool's commands display the selected properties
of a specific object in the directory. The dsget commands:
dsget computer - displays properties of computers in the directory.
dsget contact - displays properties of contacts in the directory.
dsget subnet - displays properties of subnets in the directory.
dsget group - displays properties of groups in the directory.
dsget ou - displays properties of ou's in the directory.
dsget server - displays properties of servers in the directory.
dsget site - displays properties of sites in the directory.
dsget user - displays properties of users in the directory.
dsget quota - displays properties of quotas in the directory.
dsget partition - displays properties of partitions in the directory.
To display an arbitrary set of attributes of any given object in the
directory use the dsquery * command (see examples below).
For help on a specific command, type "dsget <ObjectType> /?" where
<ObjectType> is one of the supported object types shown above.
For example, dsget ou /?.
Remarks:
The dsget commands help you to view the properties of a specific object in
the directory: the input to dsget is an object and the output is a list of
properties for that object. To find all objects that meet a given search
criterion, use the dsquery commands (dsquery /?).
The dsget commands support piping of input to allow you to pipe results from
the dsquery commands as input to the dsget commands and display detailed
information on the objects found by the dsquery commands.
Commas that are not used as separators in distinguished names must be
escaped with the backslash ("\") character
(for example, "CN=Company\, Inc.,CN=Users,DC=microsoft,DC=com").
Backslashes used in distinguished names must be escaped with a backslash (for
example, "CN=Sales\\ Latin America,OU=Distribution Lists,DC=microsoft,
DC=com").
Examples:
To find all users with names starting with "John" and display their office
numbers:
dsquery user -name John* | dsget user -office
To display the sAMAccountName, userPrincipalName and department attributes of
the object whose DN is ou=Test,dc=microsoft,dc=com:
dsquery * ou=Test,dc=microsoft,dc=com -scope base -attr
sAMAccountName userPrincipalName department
To read all attributes of any object use the dsquery * command.
For example, to read all attributes of the object whose DN is
ou=Test,dc=microsoft,dc=com:
dsquery * ou=Test,dc=microsoft,dc=com -scope base -attr *
Directory Service command-line tools help:
dsadd /? - help for adding objects.
dsget /? - help for displaying objects.
dsmod /? - help for modifying objects.
dsmove /? - help for moving objects.
dsquery /? - help for finding objects matching search criteria.
dsrm /? - help for deleting objects.
dsget succeeded
Description: This dsmod command modifies existing objects in the directory.
The dsmod commands include:
dsmod computer - modifies an existing computer in the directory.
dsmod contact - modifies an existing contact in the directory.
dsmod group - modifies an existing group in the directory.
dsmod ou - modifies an existing organizational unit in the directory.
dsmod server - modifies an existing domain controller in the directory.
dsmod user - modifies an existing user in the directory.
dsmod quota - modifies an existing quota specification in the directory.
dsmod partition - modifies an existing quota specification in the directory.
For help on a specific command, type "dsmod <ObjectType> /?" where
<ObjectType> is one of the supported object types shown above.
For example, dsmod ou /?.
Remarks:
The dsmod commands support piping of input to allow you to pipe results from
the dsquery commands as input to the dsmod commands and modify the objects
found by the dsquery commands.
Commas that are not used as separators in distinguished names must be
escaped with the backslash ("\") character
(for example, "CN=Company\, Inc.,CN=Users,DC=microsoft,DC=com").
Backslashes used in distinguished names must be escaped with a backslash
(for example,
"CN=Sales\\ Latin America,OU=Distribution Lists,DC=microsoft,DC=com").
Examples:
To find all users in the organizational unit (OU)
"ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com" and add them to the Marketing Staff group:
dsquery user ûstartnode "ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com" |
dsmod group "cn=Marketing Staff,ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com" -addmbr
Directory Service command-line tools help:
dsadd /? - help for adding objects.
dsget /? - help for displaying objects.
dsmod /? - help for modifying objects.
dsmove /? - help for moving objects.
dsquery /? - help for finding objects matching search criteria.
dsrm /? - help for deleting objects.
Description: This command moves or renames an object within the directory.
Syntax: dsmove <ObjectDN>
[-newparent <ParentDN>]
[-newname <NewName>]
[{-s <Server> | -d <Domain>}]
[-u <UserName>]
[-p {<Password> | *}]
[-q]
[{-uc | -uco | -uci}]
Parameters:
Value Description
<ObjectDN> Required/stdin. Distinguished name (DN)
of object to move or rename.
If this parameter is omitted it
will be taken from standard input (stdin).
-newparent <ParentDN> DN of the new parent location to which object
should be moved.
-newname <NewName> New relative distinguished name (RDN) value
to which object should be renamed.
{-s <Server> | -d <Domain>}
-s <Server> connects to the domain controller (DC)
with name <Server>.
-d <Domain> connects to a DC in domain <Domain>.
Default: a DC in the logon domain.
-u <UserName> Connect as <UserName>. Default: the logged in user.
User name can be: user name, domain\user name,
or user principal name (UPN).
-p <Password> Password for the user <UserName>.
If * is used, then the command prompts for a
password.
-q Quiet mode: suppress all output to standard output.
{-uc | -uco | -uci} -uc Specifies that input from or output to pipe is
formatted in Unicode.
-uco Specifies that output to pipe or file is
formatted in Unicode.
-uci Specifies that input from pipe or file is
formatted in Unicode.
Remarks:
If a value that you supply contains spaces, use quotation marks
around the text (for example, "CN=John Smith,CN=Users,DC=microsoft,DC=com").
If you enter multiple values, the values must be separated by spaces
(for example, a list of distinguished names).
Commas that are not used as separators in distinguished names must be
escaped with the backslash ("\") character
(for example, "CN=Company\, Inc.,CN=Users,DC=microsoft,DC=com").
Backslashes used in distinguished names must be escaped with a backslash
(for example,
"CN=Sales\\ Latin America,OU=Distribution Lists,DC=microsoft,DC=com").
Examples:
The user object for the user Jane Doe can be renamed to Jane Jones
with the following command:
dsmove "cn=Jane Doe,ou=sales,dc=microsoft,dc=com" -newname "Jane Jones"
The same user can be moved from the Sales organization to the Marketing
organization with the following command:
dsmove "cn=Jane Doe,ou=sales,dc=microsoft,dc=com"
-newparent ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com
The rename and move operations for the user can be combined with the
following command:
dsmove "cn=Jane Doe,ou=sales,dc=microsoft,dc=com"
-newparent ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com -newname "Jane Jones"
Directory Service command-line tools help:
dsadd /? - help for adding objects.
dsget /? - help for displaying objects.
dsmod /? - help for modifying objects.
dsmove /? - help for moving objects.
dsquery /? - help for finding objects matching search criteria.
dsrm /? - help for deleting objects.
dsmove failed:De parameter is onjuist.
type dsmove /? for help.
Description: This tool's commands suite allow you to query the directory
according to specified criteria. Each of the following dsquery commands finds
objects of a specific object type, with the exception of dsquery *, which can
query for any type of object:
dsquery computer - finds computers in the directory.
dsquery contact - finds contacts in the directory.
dsquery subnet - finds subnets in the directory.
dsquery group - finds groups in the directory.
dsquery ou - finds organizational units in the directory.
dsquery site - finds sites in the directory.
dsquery server - finds domain controllers in the directory.
dsquery user - finds users in the directory.
dsquery quota - finds quota specifications in the directory.
dsquery partition - finds partitions in the directory.
dsquery * - finds any object in the directory by using a generic LDAP query.
For help on a specific command, type "dsquery <ObjectType> /?" where
<ObjectType> is one of the supported object types shown above.
For example, dsquery ou /?.
Remarks:
The dsquery commands help you find objects in the directory that match
a specified search criterion: the input to dsquery is a search criterion
and the output is a list of objects matching the search. To get the
properties of a specific object, use the dsget commands (dsget /?).
The results from a dsquery command can be piped as input to one of the other
directory service command-line tools, such as dsmod, dsget, dsrm or dsmove.
Commas that are not used as separators in distinguished names must be
escaped with the backslash ("\") character
(for example, "CN=Company\, Inc.,CN=Users,DC=microsoft,DC=com"). Backslashes
used in distinguished names must be escaped with a backslash (for example,
"CN=Sales\\ Latin America,OU=Distribution Lists,DC=microsoft,DC=com").
Examples:
To find all computers that have been inactive for the last four weeks and
remove them from the directory:
dsquery computer -inactive 4 | dsrm
To find all users in the organizational unit
"ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com" and add them to the Marketing Staff group:
dsquery user ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com | dsmod group
"cn=Marketing Staff,ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com" -addmbr
To find all users with names starting with "John" and display his office
number:
dsquery user -name John* | dsget user -office
To display an arbitrary set of attributes of any given object in the
directory use the dsquery * command. For example, to display the
sAMAccountName, userPrincipalName and department attributes of the object
whose DN is ou=Test,dc=microsoft,dc=com:
dsquery * ou=Test,dc=microsoft,dc=com -scope base
-attr sAMAccountName userPrincipalName department
To read all attributes of the object whose DN is ou=Test,dc=microsoft,dc=com:
dsquery * ou=Test,dc=microsoft,dc=com -scope base -attr *
Directory Service command-line tools help:
dsadd /? - help for adding objects.
dsget /? - help for displaying objects.
dsmod /? - help for modifying objects.
dsmove /? - help for moving objects.
dsquery /? - help for finding objects matching search criteria.
dsrm /? - help for deleting objects.
Description: This command deletes objects from the directory.
Syntax: dsrm <ObjectDN ...> [-noprompt] [-subtree [-exclude]]
[{-s <Server> | -d <Domain>}] [-u <UserName>]
[-p {<Password> | *}] [-c] [-q] [{-uc | -uco | -uci}]
Parameters:
Value Description
<ObjectDN ...> Required/stdin. List of one or more
distinguished names (DNs) of objects to delete.
If this parameter is omitted it is
taken from standard input (stdin).
-noprompt Silent mode: do not prompt for delete confirmation.
-subtree [-exclude] Delete object and all objects in the subtree under it.
-exclude excludes the object itself
when deleting its subtree.
{-s <Server> | -d <Domain>}
-s <Server> connects to the domain controller (DC) with
name <Server>.
-d <Domain> connects to a DC in domain <Domain>.
Default: a DC in the logon domain.
-u <UserName> Connect as <UserName>. Default: the logged in user.
User name can be: user name, domain\user name,
or user principal name (UPN).
-p {<Password> | *}
Password for the user <UserName>. If * is used,
then the command prompts you for the password.
-c Continuous operation mode: report errors but continue
with next object in argument list when multiple
target objects are specified.
Without this option, command exits on first error.
-q Quiet mode: suppress all output to standard output.
{-uc | -uco | -uci} -uc Specifies that input from or output to pipe is
formatted in Unicode.
-uco Specifies that output to pipe or file is
formatted in Unicode.
-uci Specifies that input from pipe or file is
formatted in Unicode.
Remarks:
If a value that you supply contains spaces, use quotation marks
around the text (for example, "CN=John Smith,CN=Users,DC=microsoft,DC=com").
If you enter multiple values, the values must be separated by spaces
(for example, a list of distinguished names).
Commas that are not used as separators in distinguished names must be
escaped with the backslash ("\") character
(for example, "CN=Company\, Inc.,CN=Users,DC=microsoft,DC=com").
Backslashes used in distinguished names must be escaped with a backslash
(for example,
"CN=Sales\\ Latin America,OU=Distribution Lists,DC=microsoft,DC=com").
Examples:
To remove an organizational unit (OU) called "Marketing" and all the objects
under that OU, use the following command:
dsrm -subtree -noprompt -c ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com
To remove all objects under the OU called "Marketing" but leave
the OU intact, use the following command with the -exclude parameter:
dsrm -subtree -exclude -noprompt -c "ou=Marketing,dc=microsoft,dc=com"
Directory Service command-line tools help:
dsadd /? - help for adding objects.
dsget /? - help for displaying objects.
dsmod /? - help for modifying objects.
dsmove /? - help for moving objects.
dsquery /? - help for finding objects matching search criteria.
dsrm /? - help for deleting objects.
dsrm failed:De parameter is onjuist.
type dsrm /? for help.
Meldingen weergeven of de opdracht ECHO aan- of uitschakelen. ECHO [ON | OFF] ECHO [melding] ECHO zonder parameters geeft de huidige instelling voor de opdracht ECHO weer.
MS-DOS Editor Version 2.0.026 Copyright (c) Microsoft Corp 1995.
EDIT [/B] [/H] [/R] [/S] [/<nnn>] [/?] [file(s)]
/B - Forces monochrome mode.
/H - Displays the maximum number of lines possible for your hardware.
/R - Load file(s) in read-only mode.
/S - Forces the use of short filenames.
/<nnn> - Load binary file(s), wrapping lines to <nnn> characters wide.
/? - Displays this help screen.
[file] - Specifies initial files(s) to load. Wildcards and multiple
filespecs can be given.
Starts Edlin, a line-oriented text editor. EDLIN [drive:][path]filename [/B] /B Ignores end-of-file (CTRL+Z) characters.
Beëindigt lokalisatie van omgevingsvariabelen in een batchbestand. Omgevingswijzigingen gemaakt na ENDLOCAL zijn niet alleen geldig binnen het batchbestand, maar ook nadat het batchbestand is beëindigd. ENDLOCAL Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert ENDLOCAL als volgt: Als bijbehorende SETLOCAL opdrachtextensies in- of uitschakelt via de nieuwe opties ENABLEEXTENSIONS of DISABLEEXTENSIONS, wordt na de opdracht ENDLOCAL de ingeschakelde/uitgeschakelde toestand van opdrachtextensies teruggezet naar de toestand voor uitvoering van bijbehorende opdracht SETLOCAL.
Eén of meer bestanden verwijderen.
DEL [/P] [/F] [/S] [/Q] [/A[[:]kenmerken]] namen
ERASE [/P] [/F] [/S] [/Q] [/A[[:]kenmerken]] namen
namen Een lijst met één of meer bestanden of mappen. Joker-
tekens kunnen worden gebruikt om meerdere bestanden te
verwijderen. Als een map is opgegeven, worden alle bestanden
in die map verwijderd.
/P Vraagt om bevestiging voordat een bestand wordt verwijderd.
/F Forceert verwijdering van alleen-lezenbestanden.
/S Verwijdert de opgegeven bestanden uit alle submappen.
/Q Stille modus: vraagt bij gebruik van jokertekens niet om
bevestiging.
/A Selecteert de te verwijderen bestanden op basis van kenmerken.
kenmerken R Alleen-lezenbestanden S Systeembestanden
H Verborgen bestanden A Archiveringsbestanden
I Bestanden zonder geïndexeerde inhoud L Reparsepunten
- Voorvoegsel met betekenis 'niet'
Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, veranderen DEL en ERASE als volgt:
De weergave van schakeloptie /S worden omgekeerd zodat alleen de bestanden
worden weergegeven die zijn verwijderd en niet de bestanden die niet zijn
gevonden.
EVENTCREATE [/S systeem [/U gebruikersnaam [/P wachtwoord]]] /ID gebeurtenis-id
[/L logboeknaam] [/SO bronnaam] /T type /D beschrijving
Beschrijving:
Met dit opdrachtregelprogramma kan een beheerder een aangepaste
gebeurtenis-id en bericht in een opgegeven gebeurtenislogboek maken.
Parameterlijst:
/S systeem Bepaalt de computer voor een verbinding
/U [domein\]gebruikersnaam
Bepaalt de gebruikerscontext waarin
de opdracht moet worden uitgevoerd.
/P [wachtwoord] Wachtwoord voor de opgegeven
gebruikerscontext. Vraagt om invoer.
/L logboeknaam Bepaalt het gebeurtenislogboek waarin
een gebeurtenis wordt gemaakt.
/T type Het type gebeurtenis dat moet worden gemaakt.
Geldige typen zijn: SUCCESS, ERROR,
WARNING, INFORMATION.
/SO bron Bepaalt de voor de gebeurtenis te
gebeurtenis (als niet opgegeven is bron gelijk aan
eventcreate) Iedere willekeurige tekenreeks
tekenreeks kan als geldige bron dienen.
kan als geldige bron dienen, deze vertegenwoordigt
de toepassing of het onderdeel dat de gebeurtenis
genereert.
/ID id Bepaalt de gebeurtenis-id. Ieder
willekeurig getal tussen 1 en 65535 kan
van 1 - 1000.
/D omschrijving De omschrijving voor de nieuwe gebeurtenis.
/? Dit helpbericht weergeven.
Voorbeelden:
EVENTCREATE /T ERROR /ID 1000
/L APPLICATION /D "Maak een aangepaste foutgebeurtenis in het
toepassingslogboek"
EVENTCREATE /T ERROR /ID 999 /L APPLICATION
/SO WinWord /D "Winword-gebeurtenis 999 vanwege onvoldoende
schijfruimte"
EVENTCREATE /S computer /T ERROR /ID 100
/L APPLICATION /D "Aangepaste taak is niet geïnstalleerd"
EVENTCREATE /S computer /U gebruiker /P wachtwoord /ID 1 /T ERROR
/L APPLICATION /D "Gebruikerstoegang is mislukt vanwege ongeldige
gebruikersreferenties"
Converts .EXE (executable) files to binary format. EXE2BIN [drive1:][path1]input-file [[drive2:][path2]output-file] input-file Specifies the .EXE file to be converted. output-file Specifies the binary file to be created.
Het programma CMD.EXE (opdrachtinterpreter) of het actieve batchscript sluiten. EXIT [/B] [exitCode] /B bepaalt of het actieve batchscript wordt afgesloten in plaats van CMD.EXE. Indien niet uitgevoerd vanuit een batchscript, wordt CMD.EXE afgesloten. exitCode bepaalt een numeriek nummer. Als /B is opgegeven, krijgt ERRORLEVEL dat nummer. Als CMD.EXE wordt gesloten, krijgt de exitcode van het proces dat nummer.
Microsoft (R) Hulpprogramma voor uitpakken van bestanden Versie 6.1.7600.16385
Copyright (c) Microsoft Corporation. Alle rechten voorbehouden.
Eén of meer gecomprimeerde bestanden uitpakken.
EXPAND [-R] Bron Doel
EXPAND -R Bron [Doel]
EXPAND -I Doel [Doel]
EXPAND -D Bron.cab [-F:Bestanden]
EXPAND Bron.cab -F:Bestanden Doel
-R Naam van uitgepakte bestanden wijzigen.
-I De naam van uitgepakte bestanden wijzigen, maar de mapstructuur
negeren.
-D Lijst met bestanden in bron weergeven.
Bron Het bronbestand. U kunt jokertekens gebruiken.
-F:Bestanden Naam van bestanden die uit een CAB-bestand moeten worden
uitgepakt.
Doel Het doelbestand | -pad.
Doel mag een map zijn.
Als Bron uit meerdere bestanden bestaat en -r niet
is opgegeven, moet Doel een map zijn.
Microsoft (R) Diamond Extraction Tool - Version (16) 1.00.0530 (04/3/95)
Copyright (c) Microsoft Corp 1994-1995. All rights reserved.
EXTRACT [/Y] [/A] [/D | /E] [/L dir] cabinet [filename ...]
EXTRACT [/Y] source [newname]
EXTRACT [/Y] /C source destination
cabinet - Cabinet file (contains two or more files).
filename - Name of the file to extract from the cabinet.
Wild cards and multiple filenames (separated by
blanks) may be used.
source - Compressed file (a cabinet with only one file).
newname - New filename to give the extracted file.
If not supplied, the original name is used.
/A Process ALL cabinets. Follows cabinet chain
starting in first cabinet mentioned.
/C Copy source file to destination (to copy from DMF disks).
/D Display cabinet directory (use with filename to avoid extract).
/E Extract (use instead of *.* to extract all files).
/L dir Location to place extracted files (default is current directory).
/Y Do not prompt before overwriting an existing file.
Twee bestanden of groepen bestanden vergelijken en de verschillen tussen deze
bestanden weergeven.
FC [/A] [/C] [/L] [/LBn] [/N] [/OFF[LINE]] [/T] [/U] [/W] [/nnnn]
[station1:][pad1]bestandsnaam1 [station2:][pad2]bestandsnaam2
FC /B [station1:][pad1]bestandsnaam1 [station2:][pad2]bestandsnaam2
/A Geeft alleen de eerste en laatste regel van een groep
verschillende regels weer.
/B Voert een binaire vergelijking uit.
/C Negeert het verschil tussen hoofdletters en kleine letters.
/L Vergelijkt bestanden in ASCII-modus.
/LBn Stelt het maximum aantal opeenvolgende niet-overeenkomende
gevonden gevallen in op het opgegeven aantal regels.
/N Geeft de regelnummers weer tijdens een ASCII-vergelijking.
/OFF[LINE] Slaat bestanden met ingeschakeld offlinekenmerk niet over.
/T Maakt geen spaties van tabs.
/U Bestanden vergelijken als UNICODE-tekstbestanden.
/W Comprimeert lege ruimte (tabs en spaties) voor vergelijkings-
doeleinden.
/nnnn Bepaalt het aantal opeenvolgende regels die hetzelfde moeten
zijn.
[station1:][pad1]bestandsnaam1
Geeft het eerste bestand of een aantal bestanden op voor de
vergelijking.
[station2:][pad2]bestandsnaam2
Geeft het tweede bestand of een aantal bestanden op voor de
vergelijking.
Prints file version information. FILEVER [/S] [/V] [/E] [/X] [/B] [/A] [/D] [[drive:][path][filename]] /S Displays files in specified directory and all subdirectories. /V List verbose version information if available. /E List executables only. /X Displays short names generated for non-8dot3 file names. /B Uses bare format (no dir listing). /A Don't display file attributes. /D Don't display file date and time.
Naar een tekenreeks zoeken in één of meer bestanden.
FIND [/V] [/C] [/N] [/I] [/OFF[LINE]] "reeks"
[[station:][pad]bestandsnaam[ ...]]
/V Geeft alle regels weer waarin de opgegeven tekenreeks NIET
voorkomt.
/C Geeft alleen het aantal regels weer waarin de tekenreeks
voorkomt.
/N Geeft de regelnummers weer bij de weergegeven regels.
/I Geeft aan dat bij het zoeken niet moet worden gelet op
hoofdletters en kleine letters.
/OFF[LINE] Slaat bestanden met ingeschakeld offlinekenmerk niet over.
"reeks" De te zoeken tekenreeks.
[station:][pad]bestandsnaam
De te doorzoeken bestand(en).
Als er geen padnaam is opgegeven, zoekt FIND naar de tekst die na de prompt is
getypt of die is doorgesluisd vanuit een andere opdracht.
Zoeken naar tekenreeksen in bestanden.
FINDSTR [/B] [/E] [/L] [/R] [/S] [/I] [/X] [/V] [/N] [/M] [/O] [/P]
[/F:bestand] [/C:tekenreeks] [/G:bestand] [/D:maplijst]
[/A:kleurkenmerken] [/OFF[LINE]] [tekenreeksen]
[[station:][pad]bestandsnaam[ ...]]
/B Vindt patroon als dit aan het begin van een regel staat.
/E Vindt patroon als dit aan het einde van een regel staat.
/L Gebruikt zoekreeks letterlijk.
/R Gebruikt zoekreeks als gewone uitdrukking.
/S Zoekt naar overeenkomende bestanden in de actieve map en
alle submappen.
/I Tijdens de zoekopdracht wordt geen onderscheid gemaakt
tussen kleine letters en hoofdletters.
/X Geeft regels weer die precies overeenkomen.
/V Geeft alleen regels weer waarin de tekenreeks niet voorkomt.
/N Geeft het regelnummer weer voor elke overeenkomende regel.
/M Geeft alleen de bestandsnaam weer als de tekenreeks in een
bestand voorkomt.
/O Geeft tekenmarge weer voor elke overeenkomende regel.
/P Slaat bestanden met niet-afdrukbare tekens over.
/OFF[LINE] Slaat bestanden met ingeschakeld offlinekenmerk niet over.
/A:attr Geeft kleurkenmerk weer met twee hexadecimale cijfers.
Zie color /?
/F:bestand Leest bestandslijst van het opgegeven bestand
(/ staat voor console).
/C:tekenreeks De opgegeven tekenreeks wordt als één letterlijke zoekreeks
gebruikt.
/G:bestand Haalt zoekreeks uit het opgegeven bestand
(/ staat voor console).
/D:dir Zoeken in een door puntkomma's gescheiden lijst van mappen
tekenreeksen Tekst waarnaar gezocht moet worden.
[station:][pad]bestandsnaam
Geeft te doorzoeken bestand(en) aan.
Gebruik spaties om meerdere zoektekenreeksen te scheiden tenzij de
schakeloptie /C wordt gebruikt voor het argument. Bijvoorbeeld:
'FINDSTR "hallo allemaal" x.y' zoekt naar "hallo" of "allemaal" in
bestand x.y. 'FINDSTR /C:"hallo allemaal" x.y' zoekt naar "hallo allemaal"
in bestand x.y.
Referentie voor gewone uitdrukkingen:
. Jokerteken: elk teken
* Herhalen: nul of meer gevallen van vorig teken of klasse
ˆ Regelpositie: begin van regel
$ Regelpositie: einde van regel
[class] Tekenklasse: elk teken in set
[ˆclass] Tegengestelde klasse: elk teken niet in set
[x-y] Bereik: elk teken binnen het opgegeven bereik
\x Escape: letterlijk gebruik van metateken x
\<xyz Woordpositie: begin van woord
xyz\> Woordpositie: einde van woord
Raadpleeg voor meer gegevens over het gebruik van gewone uitdrukkingen
met FINDSTR de onlineopdrachtreferentie.
Gegevens weergeven over een gebruiker op een systeem waar de service Finger
wordt uitgevoerd. De uitvoer hangt af van het externe systeem.
FINGER [-l] [gebruiker]@host [...]
-l Geeft informatie weer in lange-lijstindeling.
gebruiker Geeft de gebruiker aan waarover u gegevens wilt ontvangen.
Laat de parameter gebruiker weg om gegevens over alle
gebruikers op de geselecteerde host te ontvangen.
@host Geeft de server aan op het externe systeem over wiens
gebruikers u informatie wilt ontvangen.
** Ongeldige opdracht
Geldige opdrachten:
load Een filterstuurprogramma laden
unload Een filterstuurprogramma verwijderen
filters De filters weergeven die momenteel in het systeem zijn
geregistreerd
instances De exemplaren van een filter of volume weergeven die
momenteel in het systeem zijn geregistreerd
volumes Alle volumes/RDR's in het systeem weergeven
attach Een filterexemplaar voor een volume maken
detach Een filterexemplaar van een volume verwijderen
Gebruik 'fltmc help [ opdracht ] voor hulp bij een specifieke
opdracht
Een opgegeven opdracht uitvoeren voor elk bestand in een set bestanden.
FOR %variable IN (set) DO opdracht [opdrachtparameters]
%variable Bepaalt een vervangbare parameter van één letter.
(set) Bepaalt een set van één of meer bestanden. Jokertekens kunnen
worden gebruikt.
opdracht Bepaalt de opdracht die moet worden uitgevoerd voor elk bestand.
opdrachtparameters
Bepaalt de opties of parameters voor de opgegeven opdracht.
Als u de opdracht FOR in een batchprogramma wilt gebruiken, moet u
%%variable opgeven in plaats van %variable. Variabele-namen maken
onderscheid tussen hoofd- en kleine letters, dus %i is iets anders dan %I.
Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, worden de volgende extra
opties van de opdracht FOR ondersteund:
FOR /D %variable IN (set) DO opdracht [opdrachtparameters]
Als de set jokertekens bevat, moeten overeenkomsten worden gezocht
in mapnamen in plaats van bestandsnamen.
FOR /R [[station:]pad] %variable IN (set) DO opdracht [opdrachtparameters]
Loopt door de mapstructuur, beginnend bij [station:]pad, waarbij de
opdracht FOR wordt uitgevoerd in elke map van de structuur. Als geen
mapspecificatie is opgegeven na /R wordt aangenomen dat het om de
actieve map gaat. Als alleen een punt (.) is ingesteld, wordt alleen
de mapstructuur weergegeven.
FOR /L %variable IN (start,step,end) DO opdracht [opdrachtparameters]
De set is een volgorde van nummers van begin tot einde, in stapgrootte.
Dus (1,1,5) genereert de volgorde 1 2 3 4 5 en (5,-1,1) genereert
de volgorde 5 4 3 2 1.
FOR /F ["opties"] %variable IN (bestandsset) DO opdracht [opdrachtparameters]
FOR /F ["opties"] %variable IN ("tekenreeks") DO opdracht [opdrachtparam.]
FOR /F ["opties"] %variable IN ("opdracht") DO opdracht [opdrachtparameters]
of, als optie usebackq aanwezig is:
FOR /F ["opties"] %variable IN (bestandsset) DO opdracht [opdrachtparameters]
FOR /F ["opties"] %variable IN ('tekenreeks') DO opdracht [opdrachtparam.]
FOR /F ["opties"] %variable IN (`opdracht`) DO opdracht [opdrachtparameters]
bestandsnaamset zijn één of meer bestandsnamen. Elk bestand wordt
geopend, gelezen en verwerkt voordat het volgende bestand in de
bestandsnaamset wordt geopend. Verwerking houdt in het lezen in het
bestand, het indelen in afzonderlijke tekstregels en daarna het parseren
van elke regel in nul of meer onderdelen. De tekst van de FOR-lus wordt
vervolgens aangeroepen met de variabele-waarde(n) die zijn ingesteld op
de gevonden token-tekenreeks(en). Standaard zal met /F de eerste token
worden overgeslagen, die wordt gescheiden door een spatie. Lege regels
worden overgeslagen. U kunt het standaard-parseergedrag onderdrukken door
de optionele parameter 'opties' op te geven. Dit is een tekenreeks tussen
aanhalingstekens die één of meer trefwoorden bevat om verschillende
parseeropties te bepalen. De trefwoorden zijn:
eol=c - bepaalt een einde-regelopmerkingteken
(slechts één)
skip=n - bepaalt het aantal regels dat wordt overgeslagen
aan het begin van het bestand.
delims=xxx - bepaalt een set scheidingstekens. Dit vervangt de
standaardset scheidingstekens van spatie en tab.
tokens=x,y,m-n - bepaalt welke tokens van elke regel worden
doorgegeven aan de FOR-tekst voor elke iteratie.
Hierdoor worden extra variabele-namen toegewezen.
De vorm m-n is een bereik, waarmee de m-de t/m
de n-de tokens worden bepaald. Als het laatste
teken in de tekenreeks tokens= een sterretje is,
wordt een extra variabele toegewezen en wordt de
resterende tekst ontvangen op de regel na de
laatste geparseerde token.
usebackq - bepaalt of de nieuwe semantiek wordt gebruikt,
waarbij teken (`) wordt uitgevoerd als een
opdracht en teken (') een letterlijke
tekenreeksopdracht is.
Het gebruik van dubbele aanhalingstekens wordt
toegestaan om bestandsnamen in de bestandsnaamset
op te geven.
Enkele voorbeelden:
FOR /F "eol=; tokens=2,3* delims=, " %i in (bestand.txt) do
@echo %i %j %k
verwerkt elke regel in bestand.txt, waarbij regels worden genegeerd
die beginnen met een puntkomma. Vervolgens worden het tweede en derde
token van elke regel doorgegeven aan de FOR-tekst, waarbij de tokens
worden gescheiden door komma's en/of spaties. Opmerking: de FOR-tekst-
instructies verwijzen naar %i om het tweede token te verkrijgen, %j
om het derde token te verkrijgen en %k om alle resterende tokens
na het derde token te verkrijgen. Voor bestandsnamen die spaties
bevatten, moet u dubbele aanhalingstekens gebruiken. Als u dubbele
aanhalingstekens op deze manier wilt gebruiken, moet u de optie
usebackq gebruiken omdat anders de dubbele aanhalingstekens worden
geïnterpreteerd als een letterlijke tekenreeks om te verwerken.
%i wordt uitdrukkelijk opgegeven in de FOR-instructie en %j en %k
worden uitdrukkelijk opgegeven via de optie tokens=. U kunt maximaal
26 tokens opgeven via de regel tokens=, zolang hierdoor niet wordt
geprobeerd om een variabele op te geven die hoger is dan de letter
z of Z. Denk eraan dat FOR-variabele-namen onderscheid maken tussen
hoofd- en kleine letters, globaal zijn en maar maximaal 52 tegelijk
actief kunnen zijn.
U kunt ook de FOR /F-parseerlogica toepassen op een nabije teken-
reeks, door van de bestandsnaamset tussen haakjes een tekenreeks
tussen enkele aanhalingstekens te maken. Deze wordt dan behandeld als
een enkele invoerregel van een bestand en geparseerd.
Als laatste kunt u de opdracht FOR /F gebruiken om de uitvoer van een
opdracht te parseren. U kunt dit doen door van de bestandsnaamset tussen
haakjes een tekenreeks te maken tussen `-aanhalingstekens. Deze wordt
dan behandeld als een opdrachtregel, die wordt doorgegeven aan een
child-CMD.EXE en waarvan de uitvoer wordt opgevangen in het geheugen
en geparseerd alsof het een bestand is. Dus het volgende voorbeeld:
FOR /F "usebackq delims==" %i IN (`set`) DO @echo %i
geeft een inventarisatie van de namen van omgevingsvariabelen in de
actieve omgeving.
Verder is de vervanging van verwijzingen naar FOR-variabelen verbeterd.
U kunt de volgende extra syntaxis gebruiken:
%~I - breidt %I uit waarbij aanhalingstekens (") worden
verwijderd
%~fI - breidt %I uit naar een fully-qualified-padnaam
%~dI - breidt %I alleen uit naar een stationsletter
%~pI - breidt %I alleen uit naar een pad
%~nI - breidt %I alleen uit naar een bestandsnaam
%~xI - breidt %I alleen uit naar een bestandsextensie
%~sI - uitgebreid pad bevat alleen korte namen
%~aI - breidt %I uit naar bestandskenmerken van bestand
%~tI - breidt %I uit naar datum/tijd van bestand
%~zI - breidt %I uit naar grootte van bestand
%~$PATH:I - doorzoekt de mappen in omgevingsvariabele PATH en breidt
%I uit naar de fully-qualified-naam van het eerste
gevonden bestand. Als de naam van de omgevingsvariabele
niet is opgegeven of als het bestand niet wordt gevonden,
wordt deze wijzigingstoets uitgebreid naar de lege
tekenreeks.
De wijzigingstoetsen kunnen worden gecombineerd om samengestelde resultaten
te verkrijgen:
%~dpI - breidt %I alleen uit naar een stationsletter en pad
%~nxI - breidt %I alleen uit naar een bestandsnaam en extensie
%~fsI - breidt %I alleen uit naar een volledige padnaam met
korte namen
%~dp$PATH:i - doorzoekt de mappen in omgevingsvariabele PATH naar %I
en breidt uit naar de stationsletter en het pad van het
eerste gevonden bestand
%~ftzaI - breidt %I uit naar een op DIR lijkende uitvoerregel
In bovenstaande voorbeelden kunnen %I en PATH worden vervangen door andere
geldige waarden. De syntaxis %~ wordt afgesloten door een geldige
FOR-variabele-naam. Als u ervoor kiest om hoofdletters te gebruiken voor
variabele-namen, zoals %I, wordt het beter leesbaar en minder verwarrend
als deze worden gebruikt met de wijzigingstoetsen, waarvoor geen onderscheid
wordt gemaakt tussen hoofd- en kleine letters.
FORFILES [/P padnaam] [/M zoekmasker] [/S]
[/C command] [/D [+ | -] {dd-MM-yyyy | dd}]
Beschrijving:
Selecteert een bestand (of een groep bestanden)
en voert een opdracht op het bestand uit. Dit is nuttig voor batchtaken.
Parameterlijst:
/P padnaam Het pad waarin de zoekactie dient te worden gestart.
De standaardmap is de huidige werkmap.
/M zoekfilter Zoeken naar bestanden met zoekfilter.
Het standaardzoekfilter is *.* .
/S Geeft aan dat forfiles ook in
onderliggende mappen moet worden uitgevoerd.
Zoals DIR /S.
/C opdracht De opdracht die voor elk bestand wordt uitgevoerd.
De opdracht dient binnen dubbele
aanhalingstekens te worden opgegeven.
De standaardopdracht is "cmd /c echo @file".
De volgende variabelen kunnen worden gebruikt in de
opdracht:
@file - retourneert de naam van het bestand.
@fname - retourneert de bestandsnaam zonder
extensie.
@ext - retourneert alleen de extensie van het
bestand.
@path - retourneert het volledige pad van het
bestand.
@relpath - retourneert het relatieve pad van het
bestand.
@isdir - retourneert 'TRUE' als een bestandstype een
map is, en FALSE voor bestanden.
@fsize - retourneert de omvang van het bestand in
bytes.
@fdate - retourneert de datum laatst gewijzigd van het
bestand.
@ftime - retourneert de tijd laatst gewijzigd
van het bestand.
Als u speciale tekens op de opdrachtregel wilt
opnemen, kunt u de hexadecimale code van het
teken in 0xHH-indeling gebruiken. Interne
opdrachten van de opdrachtregel dienen te
worden voorafgegaan door 'cmd /c'.
/D datum Selecteert bestanden met datum laatst gewijzigd
groter dan of gelijk aan (+), of kleiner dan
of gelijk aan (-), de opgegeven datum in de indeling
dd-MM-yyyy; of selecteert bestanden met
datum laatst gewijzigd groter dan
huidige datum plus 'dd' dagen, of eerder dan of
gelijk aan (-) de huidige datum minus 'dd' dagen. Een
geldige aantal 'dd' dagen kan elk getal tussen
0-32768 zijn.
'+' is het standaardteken als niets is opgegeven.
/? Dit helpbericht weergeven
Voorbeelden:
FORFILES /?
FORFILES
FORFILES /P C:\WINDOWS /S /M DNS*.*
FORFILES /S /M *.txt /C "cmd /c type @file | more"
FORFILES /P C:\ /S /M *.bat
FORFILES /D -30 /M *.exe
/C "cmd /c echo @path 0x09 is 30 dagen geleden gewijzigd"
FORFILES /D 01-01-2001
/C "cmd /c echo @fname is nieuw sinds 1 januari 2001"
FORFILES /D +2-11-2013 /C "cmd /c echo @fname is nieuw vandaag"
FORFILES /M *.exe /D +1
FORFILES /S /M *.doc /C "cmd /c echo @fsize"
FORFILES /M *.txt /C "cmd /c if @isdir==FALSE notepad.exe @file"
Een schijf voor gebruik met Windows formatteren.
FORMAT volume: [/FS:bestandssysteem] [/V:naam] [/Q] [/A:grootte]
[/C] [/X] [/P:gangen] [/S:status]
FORMAT volume: [/V:naam] [/Q] [/F:capaciteit] [/P:gangen]
FORMAT volume: [/V:naam] [/Q] [/T:sporen /N:sectoren] [/P:gangen]
FORMAT volume: [/V:naam] [/Q] [/P:gangen]
FORMAT volume [/Q]
volume Het koppelpunt, de volumenaam of de stationsletter
(gevolgd door een dubbele punt).
/FS:bestandssysteem Het type bestandssysteem (FAT, FAT32, exFAT, NTFS of UDF).
/V:volumenaam De volumenaam.
/Q Voert een snelformattering uit. Opmerking: deze optie
heft /P op.
/C Alleen NTFS: bestanden die gemaakt worden op het
nieuwe volume worden standaard gecomprimeerd.
/X Forceert dat het volume eerst wordt ontkoppeld, indien
nodig. Alle geopende ingangen naar het volume zijn dan
niet meer geldig.
/R:revisie Alleen UDF: dwingt formatteren in een specifieke
UDF-versie af (1.02, 1.50, 2.00, 2.01, 2.50).
De standaardrevisie is 2.01.
/D Alleen UDF 2.50: metagegevens worden gedupliceerd.
/A:grootte De standaardgrootte van de clusters opheffen. Het is
raadzaam de standaardinstellingen te gebruiken voor
algemeen gebruik.
NTFS ondersteunt 512, 1024, 2048, 4096, 8192, 16 kB,
32 kB en 64 kB.
FAT ondersteunt 512, 1024, 2048, 4096, 8192, 16 kB,
32 kB en 64 kB (128 kB of 256 kB als de sectoren
groter zijn dan 512 bytes).
FAT32 ondersteunt 512, 1024, 2048, 4096, 8192, 16 kB,
32 kB en 64 kB (128 kB of 256 kB als de sectoren
groter zijn dan 512 bytes).
exFAT ondersteunt 512, 1024, 2048, 4096, 8192, 16 kB,
32 kB, 64 kB, 128 kB, 256 kB, 512 kB, 1 MB, 2 MB,
4 MB, 8 MB, 16 MB en 32 MB.
Opmerking: voor de bestandssystemen FAT en FAT32
gelden de volgende beperkingen m.b.t. het aantal
clusters op een volume:
FAT: Aantal clusters <= 65526
FAT32: 65526 < Aantal clusters < 268435446
Er wordt onmiddellijk met formatteren gestopt als blijkt
dat niet aan de bovenstaande vereisten wordt voldaan
bij gebruik van de opgegeven clustergrootte.
NTFS-compressie wordt niet ondersteund als de
clusters groter zijn dan 4096.
/F:grootte De grootte van de te formatteren schijf (1,44 MB)
bepalen.
/T:sporen Het aantal sporen per schijfkant.
/N:sectoren Het aantal sectoren per spoor.
/P:gangen Nul voor elke sector op het volume kost tijd.
Deze optie is niet geldig met /Q
/S:status Hierbij staat 'status' voor 'enable' of 'disable'
Korte namen zijn standaard ingeschakeld
/? is een ongeldige parameter. ---- Ondersteunde opdrachten ---- 8dot3name Beheer van 8-punt-3-namen behavior Gedrag van bestandssysteem beheren dirty 'Dirty bit' van volume beheren file Bestandsspecifieke opdrachten fsinfo Informatie over het bestandssysteem hardlink Beheer van harde koppelingen objectid Beheer van object-id's quota Quotabeheer repair Zelf-reparerend beheer reparsepoint Reparsepuntbeheer resource Transactional Resource Manager-beheer sparse Beheer van tijdelijke bestanden transaction Transactiebeheer usn USN-beheer volume Volumebeheer
Bestanden verplaatsen van en naar een computer met een FTP-serverservice
(heet soms een daemon). FTP kan interactief worden gebruikt.
FTP [-v] [-d] [-i] [-n] [-g] [-s:bestandsnaam] [-a] [-x:verzendbuffer]
[-r:ontvangstbuffer] [-b:asyncbuffers] [-w:venstergrootte] [host]
-v Onderdrukt de weergave van antwoorden van servers.
-n Onderdrukt auto-login bij de eerste verbinding.
-i Schakelt interactieve vragen uit tijdens overdracht van
meerdere bestanden.
-d Schakelt foutopsporing in.
-g Schakelt bestandsnaamglobbing uit (zie GLOB-opdracht).
-s:bestandsnaam Specificeert een tekstbestand met FTP-opdrachten; de
opdrachten worden automatisch uitgevoerd nadat FTP is
gestart.
-a Gebruik een willekeurige lokale interface wanneer
gegevensverbinding wordt gekoppeld.
-A Anoniem aanmelden.
-x:send buffer De standaardgrootte van SO_SNDBUF (8192) opheffen.
-r:recv buffer De standaardgrootte van SO_RCVBUF (8192) opheffen.
-b:async item De async-standaarditem van 3 opheffen
-w:venstergrootte De standaardgrootte van de overdrachtsbuffer (65535)
opheffen.
host Bepaalt de hostnaam of het IP-adres van de extern
host waarmee verbinding moet worden gemaakt.
Opmerkingen:
- mget- en mput-opdrachten gebruiken y/n/q voor ja/nee/afsluiten.
- Gebruik CTRL+C om de opdrachten af te breken.
Gebruikte bestandstypen in bestandsextensiekoppelingen weergeven of
wijzigen
FTYPE [bestandstype[=[openCommandString]]]
bestandstype Bepaalt het bestandstype om te controleren of te wijzigen
openCommandString Bepaalt de open-opdracht die gebruikt moet worden tijdens
het starten van dit type bestanden.
Typ FTYPE zonder parameters om de actieve bestandstypen weer te geven
waaraan open-opdrachttekenreeksen zijn gekoppeld. Als FTYPE wordt aangeroepen
met alleen een bestandstype wordt de actieve open-opdrachttekenreeks voor
dat bestandstype weergegeven. Als u niets opgeeft voor de open-opdracht-
tekenreeks zal de FTYPE-opdracht de open-opdrachttekenreeks voor het
bestandstype verwijderen. Binnen een open-opdrachttekenreeks worden %0
of %1 vervangen door de bestandsnaam die wordt gestart door de koppeling.
%* verkrijgt alle parameters, %2 verkrijgt de eerste parameter, %3
de tweede enzovoorts. %~n verkrijgt alle resterende parameters, beginnend
bij de x-de parameter, waarbij x de waarde 2 t/m 9 kan hebben. Bijvoorbeeld:
ASSOC .pl=PerlScript
FTYPE PerlScript=perl.exe %1 %*
geeft u de mogelijkheid om een Perl-script als volgt aan te roepen:
script.pl 1 2 3
Als u geen extensies wilt typen, moet u het volgende opgeven:
set PATHEXT=.pl;%PATHEXT%
waardoor het script als volgt kan worden aangeroepen:
script 1 2 3
GETMAC [/S computer [/U gebruikersnaam [/P [wachtwoord]]]] [/FO indeling]
[/NH] [/V]
Beschrijving:
Met dit hulpprogramma kan een administrator het MAC-adres
van netwerkadapters op een computer weergeven.
Parameterlijst:
/S computer De computer weergeven waarmee verbinding moet
worden gemaakt.
/U [domein\gebruiker] De gebruikerscontext weergeven waarin
de opdracht moet worden uitgevoerd.
/P [wachtwoord] Het wachtwoord weergeven voor de opgegeven
gebruikerscontext. Invoer wordt gevraagd indien
deze ontbreekt.
/FO indeling De indeling weergeven waarin de uitvoer
moet worden weergegeven.
Geldige waarden: "TABLE","LIST","CSV".
/NH De kolomkop niet in de uitvoer
weergeven.
Alleen geldig voor de indelingen "TABLE" en
"CSV".
/V Uitgebreide uitvoer weergeven.
/? Dit helpbericht weergeven.
Voorbeelden:
GETMAC /?
GETMAC /FO csv
GETMAC /S computer /NH /V
GETMAC /S computer /U gebruiker
GETMAC /S computer /U domein\gebruiker /P wachtwoord /FO lijst /V
GETMAC /S computer /U domein\gebruiker /P wachtwoord /FO tabel /NH
Brengt CMD.EXE naar een regel in het batchprogramma met een opgegeven label. GOTO label label Tekenreeks die in het batchprogramma als label wordt gebruikt. Labels staan aan het begin van een regel, voorafgegaan door een dubbele punt. Als opdrachtextensies worden ingeschakeld, verandert GOTO als volgt: De opdracht GOTO accepteert nu een doelnaam van :EOF waarmee de besturing wordt verplaatst naar het einde van het actieve batchscriptbestand. Dit is een gemakkelijke manier om een batchscriptbestand af te sluiten zonder een naam op te geven. Deze uitbreiding is handig voor de opdracht CALL. Typ CALL /? voor een beschrijving van extensies die van deze functie gebruik kunnen maken.
GPRESULT [/S computer [/U gebruikersnaam [/P [wachtwoord]]]] [/SCOPE bereik]
[/USER doelgebruikersnaam] [/R | /V | /Z]
Beschrijving:
Met dit opdrachtregelprogramma kunt u de verzameling resulterende beleidsregels
voor een doelgebruiker en -computer weergeven.
Parameterlijst:
/S systeem Het externe systeem voor de verbinding.
/U [domein\]gebruiker Hiermee wordt de gebruikerscontext opgegeven waaronder de opdracht
moet worden uitgevoerd.
/P [wachtwoord] Het wachtwoord voor de opgegeven gebruiker
context. Vraagt om invoer indien weggelaten.
/SCOPE bereik Hiermee wordt aangegeven of de gebruikers- of de
computerinstellingen worden weergegeven.
Mogelijke waarden: 'USER', 'COMPUTER'.
/USER [domein\]gebruiker De gebruiker voor wie de RSOP-gegevens
moeten worden weergegeven.
/R Hiermee worden de RSoP-samenvattingsgegevens
weergegeven.
/V Hiermee wordt aangegeven dat er uitgebreide
informatie moet worden weergegeven. Deze
informatie biedt gedetailleerde instellingen
die zijn toegepast met prioriteit 1.
/Z Hiermee wordt aangegeven dat er zeer
uitgebreide informatie moet worden weergegeven.
Deze informatie biedt nog meer gedetailleerde
instellingen die zijn toegepast met een
prioriteit van 1 of hoger. Hiermee kunt u zien
of een instelling op meerdere locaties
is ingesteld. Zie de online-Help
van groepsbeleidsregels voor meer informatie.
/? Dit helpbericht weergeven.
Voorbeelden:
GPRESULT /R
GPRESULT /USER doelgebruikersnaam /V
GPRESULT /S computer /USER doelgebruikersnaam /SCOPE COMPUTER /Z
GPRESULT /S computer /U gebruikersnaam /P wachtwoord /SCOPE USER /V
Omschrijving: werkt groepsbeleidsinstellingen bij
Syntaxis: GPUpdate [/Target:{Computer | User}] [/Force] [/Wait:<waarde>]
[/Logoff] [/Boot] [/Sync]
Parameters:
Waarde Omschrijving
/Target:{Computer | User} bepaalt dat alleen het beleid van de
gebruiker (user) of de computer wordt bijgewerkt.
Standaard worden beide beleidsinstellingen
bijgewerkt.
/Force Past alle beleidsinstellingen opnieuw toe.
Standaard worden alleen gewijzigde
beleidsinstellingen toegepast.
/Wait:{waarde} Stelt de wachtduur voor de beleidsverwerking
in seconden in. De standaardwaarde is
600 seconden. '0' betekent 'niet wachten'.
'-1' betekent onbeperkt wachten.
Als de tijdslimiet is bereikt, verschijnt
de opdrachtprompt weer, maar gaat de
de beleidsverwerking gewoon verder.
/Logoff Forceert een afmelding na het bijwerken van de
groepsbeleidsinstellingen. Dit is noodzakelijk
voor de groepsbeleidsuitbreidingen bij de client
die beleidsinstellingen niet via een
achtergrondbijwerkingscyclus verwerken maar
tijdens het aanmelden van de gebruiker.
Voorbeelden zijn gebruikersgerichte software-
installaties en mapomleiding.
Deze optie heeft geen effect wanneer er
geen uitbreidingen worden opgeroepen waarvoor
een afmelding nodig is.
/Boot Forceert opnieuw opstarten na het toepassen van de
groepsbeleidsinstellingen. Dit is noodzakelijk
voor de groepsbeleidsuitbreidingen bij de client
die beleidsinstellingen niet via een
achtergrondvernieuwingscyclus verwerken maar
tijdens het aanmelden van de gebruiker. Een
voorbeeld zijn computergerichte
software-installaties. Deze optie heeft geen
effect als er geen uitbreidingen worden
opgeroepen waarvoor een herstart nodig is.
/Sync Hierdoor wordt de volgende
voorgrondsbeleidstoepassing
synchroon uitgevoerd. Voorgrondsbeleidstoepassingen
komen tijdens het opstarten en de gebruikers-
aanmelding voor. U kunt dit per gebruiker,
computer, of voor beide tegelijk opgeven met de
parameter /Target.
De parameters /Force en /Wait worden genegeerd
indien dit is opgegeven.
Enable Windows to display an extended character set in graphics mode. GRAFTABL [xxx] GRAFTABL /STATUS xxx Specifies a code page number. /STATUS Displays the current code page selected for use with GRAFTABL.
Hiermee wordt Help-informatie over Windows-opdrachten weergegeven.
HELP [opdracht]
opdracht - Help-informatie over deze opdracht weergeven.
De naam van de huidige host weergeven. hostnaam
ICACLS naam /save ACL-bestand [/T] [/C] [/L] [/Q]
Hiermee worden de DACL's voor de bestanden en mappen die overeenkomen
met de naam, opgeslagen in ACL-bestand voor later gebruik met /restore.
SACL's en eigenaars- of integriteitslabels worden niet opgeslagen.
ICACLS map [/substitute SidOud SidNieuw [...]] /restore ACL-bestand
[/C] [/L] [/Q]
Hiermee worden de opgeslagen DACL's op de map toegepast.
ICACLS naam /setowner gebruiker [/T] [/C] [/L] [/Q]
Hiermee wordt de eigenaar van alle overeenkomende namen gewijzigd. Deze
optie forceert geen wisseling van eigenaar. Gebruik hiervoor het
hulpprogramma Takeown.exe.
ICACLS naam /findsid Sid [/T] [/C] [/L] [/Q]
Hiermee worden alle overeenkomende namen gezocht die een ACL bevatten
waarin uitdrukkelijk een Sid wordt genoemd.
ICACLS naam /verify [/T] [/C] [/L] [/Q]
Hiermee worden alle bestanden gezocht waarvoor de ACL niet in canonieke
vorm is, of waarvan de lengtes inconsistent zijn met het aantal ACE's.
ICACLS naam /reset [/T] [/C] [/L] [/Q]
Hiermee worden ACL's met standaard overgenomen ACL's vervangen voor
alle overeenkomende bestanden.
ICACLS naam [/grant[:r] Sid:machtiging[...]]
[/deny Sid:machtiging [...]]
[/remove[:g|:d]] Sid[...]] [/T] [/C] [/L] [/Q]
[/setintegritylevel Niveau:beleid[...]]
/grant[:r] Sid: machtiging geeft de opgegeven toegangsrechten aan de
gebruiker. Met :r vervangen de machtigingen alle eerdere
uitdrukkelijk toegewezen machtigingen. Zonder :r worden
de machtigingen aan alle eerdere uitdrukkelijk toegewezen
machtigingen toegevoegd.
/deny Sid:machtiging: weigert uitdrukkelijk de opgegeven toegangsrechten.
Een ACE voor uitdrukkelijk weigeren wordt aan de opgegeven
machtigingen toegevoegd, en dezelfde machtigingen in elke
uitdrukkelijke toewijzing worden verwijderd.
/remove[:[g|d]] Sid: verwijdert alle exemplaren van Sid in de ACL. Met
:g worden alle exemplaren van aan die Sid toegewezen
machtigingen verwijderd. Met :d worden alle aan die Sid
geweigerde machtigingen verwijderd.
/setintegritylevel [(CI)(OI)] Niveau: voegt expliciet een integriteits-
ACE aan alle overeenkomende bestanden toe.
Het niveau kan een van deze waarden hebben:
L[aag]
M[edium]
H[oog]
Overernameopties voor de integriteits-ACE
gaan mogelijk boven het niveau en kunnen
alleen op mappen worden toegevoegd.
/inheritance:e|d|r
e - activeert overname.
d - deactiveert overname en kopieert de ACE's.
r - verwijdert alle overgenomen ACE's.
Opmerking:
Sid's kunnen in numerieke vorm of als beschrijvende naam worden
opgegeven. Als een numerieke vorm wordt opgegeven, dient u een *
aan het begin van de Sid toe te voegen.
/T geeft aan dat deze bewerking wordt uitgevoerd op alle overeenkomende
bestanden/mappen onder de mappen die in de naam zijn opgegeven.
/C geeft aan dat deze bewerking doorgaat bij alle bestandsfouten.
Foutmeldingen worden nog steeds weergegeven.
/L geeft aan dat deze bewerking op een symbolische koppeling in plaats
van op het doel ervan wordt uitgevoerd.
/Q geeft aan dat icacls berichten over geslaagde acties onderdrukt.
ICACLS behoudt de canonieke volgorde van ACE-vermeldingen:
Uitdrukkelijke weigeringen
Uitdrukkelijke toewijzingen
Overgenomen weigeringen
Overgenomen toewijzingen
machtiging is een masker voor machtigingen, en kan in één van twee
manieren worden opgegeven:
een volgorde van eenvoudige rechten:
N - geen toegang
F - volledige toegang
M - wijzigen
RX - lezen en uitvoeren
R - alleen-lezen
W - alleen-schrijven
D - verwijderen
een lijst met specifieke rechten tussen haakjes, met komma's als
scheidingstekens:
DE - verwijderen
RC - leesbesturing
WDAC - DAC schrijven
WO - eigenaar schrijven
S - synchroniseren
AS - toegang tot systeembeveiliging
MA - maximum toegestaan
GR - algemeen lezen
GW - algemeen schrijven
GE - algemeen uitvoeren
GA - algemeen alles
RD - gegevens lezen, map weergeven
WD - gegevens schrijven, bestand lezen
AD - gegevens toevoegen, onderliggende map toevoegen
REA - uitgebreide kenmerken lezen
WEA - uitgebreide kenmerken schrijven
X - uitvoeren/bladeren
DC - onderliggend object verwijderen
RA - kenmerken lezen
WA - kenmerken schrijven
overgenomen rechten kunnen voor beide manieren worden geplaatst, en
worden alleen op mappen toegepast:
(OI) - overnemen van object
(CI) - overnemen van container
(IO) - alleen overnemen
(NP) - overnemen niet doorvoeren
(I) - machtiging overgenomen van bovenliggende container
Voorbeelden:
icacls c:\windows\* /save ACL-bestand /T
- Hiermee worden de ACL's voor alle bestanden onder c:\windows
inclusief de onderliggende mappen in ACL-bestand opgeslagen.
icacls c:\windows\ /restore ACL-bestand
- Hiermee worden de ACL's voor elk bestand in ACL-bestand dat bestaat
in c:\windows en onderliggende mappen, teruggezet.
icacls bestand /grant Administrator:(D,WDAC)
- Hiermee worden aan de gebruiker Administrator de machtigingen
Verwijderen en DAC schrijven voor het bestand toegewezen.
icacls bestand /grant *S-1-1-0:(D,WDAC)
- Hiermee worden aan de gebruiker met Sid S-1-1-0 de machtigingen
Verwijderen en DAC schrijven voor het bestand toegewezen.
Conditionele verwerking in batchprogramma's uitvoeren.
IF [NOT] ERRORLEVEL nummer opdracht
IF [NOT] tekenreeks1==tekenreeks2 opdracht
IF [NOT] EXIST bestandsnaam opdracht
NOT Bepaalt of Windows de opdracht alleen moet
uitvoeren als de toestand onwaar is.
ERRORLEVEL nummer Bepaalt een ware toestand als de laatste uitvoering van
het programma een exitcode heeft geretourneerd die
gelijk is aan of groter dan het opgegeven nummer.
tekenreeks1==tekenreeks2 Bepaalt een ware toestand als de opgegeven
teksttekenreeksen overeenkomen.
EXIST bestandsnaam Bepaalt een ware toestand als de opgegeven bestandsnaam
bestaat.
opdracht Bepaalt de opdracht die moet worden uitgevoerd als
wordt voldaan aan de toestand. De opdracht kan worden
gevolgd door de opdracht ELSE die de opdracht na het
sleutelwoord ELSE zal uitvoeren als de opgegeven
toestand ONWAAR is.
ELSE moet op dezelfde regel staan als de opdracht na de IF. Bijvoorbeeld:
IF EXIST bestandsnaam. (
del bestandsnaam.
) ELSE (
echo bestandsnaam. ontbreekt.
)
Het volgende voorbeeld zal NIET werken omdat de opdracht Del moet worden
afgesloten door een newline:
IF EXIST bestandsnaam. del bestandsnaam. ELSE echo
bestandsnaam. ontbreekt
Het volgende voorbeeld werkt ook niet omdat de opdracht ELSE op dezelfde
regel moet staan als het einde van de opdracht IF:
IF EXIST bestandsnaam. del bestandsnaam. ELSE echo
bestandsnaam. ontbreekt
Het volgende voorbeeld werkt als u alles op een regel wilt hebben:
IF EXIST bestandsnaam. (del bestandsnaam.) ELSE echo
bestandsnaam. ontbreekt
Als de opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert IF als volgt:
IF [/I] tekenreeks1 vergelijkingsoperator tekenreeks2 opdracht
IF CMDEXTVERSION getal opdracht
IF DEFINED variabele opdracht
waarbij de vergelijkingsoperator één van de volgende mogelijkheden kan zijn:
EQL - is gelijk aan
NEQ - is niet gelijk aan
LSS - kleiner dan
LEQ - kleiner dan of gelijk aan
GTR - groter dan
GEQ - groter dan of gelijk aan
De schakeloptie /I, indien opgegeven, geeft aan dat het vergelijken van
reeksen niet hoofdlettergevoelig is. De optie /I kan ook gebruikt worden
voor IF met tekenreeks1==tekenreeks2. Deze vergelijkingen zijn algemeen,
omdat als tekenreeks1 en tekenreeks2 bestaat uit numerieke tekens, de
tekenreeksen geconverteerd worden naar getallen en er een numerieke
vergelijking wordt uitgevoerd.
De voorwaarde CMDEXTVERSION werkt net als ERRORLEVEL, behalve dat het
vergelijkt met een intern versienummer dat verbonden is met de opdracht-
extensies. De eerste versie is 1 en wordt verhoogd met 1 als
belangrijke uitbreidingen worden toegevoegd aan de opdrachtextensies.
De voorwaarde CMDEXTVERSION is nooit waar als de opdrachtextensies
uitgeschakeld zijn.
De voorwaarde DEFINED werkt net als EXISTS behalve dat het de
naam van een omgevingsvariabele neemt en als waar retourneert als de
omgevingsvariabele is opgegeven.
%ERRORLEVEL% zal uitbreiden in een tekenreeksweergave van de huidige
waarde van ERRORLEVEL, maar dit gebeurt alleen als er nog geen
omgevingsvariabele ERRORLEVEL is. Als ERRORLEVEL reeds bestaat, krijgt
u de waarde daarvan. Het volgende voorbeeld laat het gebruik van
ERRORLEVEL zien, nadat een programma is uitgevoerd:
goto answer%ERRORLEVEL%
:answer0
echo Programma heeft retourneercode 0
:answer1
echo Programma heeft retourneercode 1
U kunt ook de numerieke vergelijkingen hierboven gebruiken:
IF %ERRORLEVEL% LEQ 1 goto okay
%CMDCMDLINE% zal uitbreiden in de oorspronkelijke opdrachtregel die
is doorgegeven aan CMD.EXE voordat verwerking door CMD.EXE is gestart,
maar dit gebeurt alleen als er nog geen omgevingsvariabele CMDCMDLINE
is. Als CMDCMDLINE reeds bestaat, krijgt u de waarde daarvan.
%CMDEXTVERSION% zal uitbreiden in een tekenreeksweergave van de huidige
waarde van CMDEXTVERSION, maar dit gebeurt alleen als er nog geen
omgevingsvariabele CMDEXTVERSION is. Als CMDEXTVERSION reeds bestaat,
krijgt u de waarde daarvan.
usage: IFMEMBER [/verbose] [/list] groupname ... /verbose will print out all matches. /list will print out all groups user is a member of. Return Code shows number of groups this user is a member of. Example: IFMEMBER /v /l "MyDomain\Domain Users" Users Everyone
SYNTAXIS:
ipconfig [/allcompartments] [/? | /all |
/renew [adapter] | /release [adapter] |
/renew6 [adapter] | /release6 [adapter] |
/flushdns | /displaydns | /registerdns |
/showclassid adapter |
/setclassid adapter [classid] |
/showclassid6 adapter |
/setclassid6 adapter [classid] ]
waarbij geldt:
adapter Naam van de verbinding
(jokertekens * en ? toegestaan. Zie voorbeeld)
Opties:
/? Deze helptekst weergeven.
/all Volledige configuratie-informatie weergeven.
/release Het IPv4-adres voor de opgegeven adapter vrijgeven.
/release6 Het IPv6-adres voor de opgegeven adapter vrijgeven.
/renew Het IPv4-adres voor de opgegeven adapter vernieuwen.
/renew6 Het IPv6-adres voor de opgegeven adapter vernieuwen.
/flushdns De DNS Resolver-cache leegmaken.
/registerdns Alle DHCP-leases vernieuwen en DNS-namen opnieuw
registreren.
/displaydns De inhoud van de DNS Resolver-cache weergeven.
/showclassid Alle voor de adapter toegestane DHCP-klasse-ID's
weergeven.
/setclassid De DHCP-klasse-ID wijzigen.
/showclassid6 Alle IPv6 DHCP-klasse-ID's weergeven die voor de
adapter zijn toegestaan.
/setclassid6 De IPv6 DHCP-klasse-ID wijzigen.
Standaard wordt alleen het IP-adres, subnetmasker en de standaardgateway voor
elke aan TCP/IP-gebonden adapter weergegeven.
Voor Release en Renew geldt dat als er geen adapternaam is opgegeven, de IP-
adresleases voor alle aan TCP/IP gebonden adapters worden vrijgegeven of
vernieuwd.
Voor Setclassid en Setclassid6 geldt dat als er geen klasse-id is opgegeven
de klasse-id wordt verwijderd.
Voorbeelden:
> ipconfig ... Informatie weergeven
> ipconfig /all ... Gedetailleerde informatie weergeven
> ipconfig /renew ... Alle adapters vernieuwen
> ipconfig /renew EL* ... Elke verbinding waarvan de naam met
EL begint vernieuwen
> ipconfig /release *Con* ... Alle overeenkomende verbindingen
vrijgeven, b.v.
"Local Area Connection 1" of
"Local Area Connection 2"
> ipconfig /allcompartments ... Informatie over alle onderdelen
weergeven
> ipconfig /allcompartments /all ... Gedetailleerde informatie over alle
onderdelen weergeven
Microsoft iSCSI-initiator, versie 6.1 Build 7601
iscsicli
iscsicli AddTarget <Doelnaam> <Doelalias> <Adres van doelportaal>
<Socket van doelportaal> <Doelvlaggen> <Persist>
<Vlaggen voor aanmelden> <Headerverwerking>
<Gegevensverwerking> <Maximum aantal verbindingen>
<Standaardtijd om te wachten>
<Standaardtijd om te bewaren> <Gebruikersnaam> <Wachtwoord>
<Verificatietype> <Aantal toewijzingen> <Doel-LUN>
<Bus besturingssysteem> <Doiscsicli RemoveTarget <doelnaam>
iscsicli AddTargetPortal <Adres van doelportaal> <Socket van doelportaal>
[HBA Name] [Port Number]
<Beveiligingsvlaggen> <Vlaggen voor aanmelden>
<Headerverwerking> <Gegevensverwerking>
<Maximum aantal verbindingen>
<Standaardtijd om te wachten>
<Standaardtijd om te bewaren> <Gebruikersnaam>
<Wachtwoord> <Verificatietype>
iscsicli RemoveTargetPortal <Adres van doelportaal> <Socket van doelportaal>
[HBA Name] [Port Number]
iscsicli RefreshTargetPortal <Adres van doelportaal> <Socket van doelportaal>
[HBA Name] [Port Number]
iscsicli ListTargets [ForceUpdate]
iscsicli ListTargetPortals
iscsicli TargetInfo <doelnaam> [Discovery Mechanism]
iscsicli LoginTarget <Doelnaam> <ReportToPNP> <Adres van doelportaal>
<Socket van doelportaal> <Initiatorinstantie>
<Poortnummer> <Beveiligingsvlaggen>
<Vlaggen voor aanmelden> <Headerverwerking>
<Gegevensverwerking> <Maximum aantal verbindingen>
<Standaardtijd om te wachten>
<Standaardtijd om te bewaren> <Gebruikersnaam>
<Wachtwoord> <Verificatietype> <Sleutel>iscsicli LogoutTarget <Sessie-id>
iscsicli PersistentLoginTarget <Doelnaam> <ReportToPNP> <Adres van doelportaal>
<Socket van doelportaal> <Initiatorinstantie>
<Poortnummer> <Beveiligingsvlaggen>
<Vlaggen voor aanmelden> <Headerverwerking>
<Gegevensverwerking>
<Maximum aantal verbindingen>
<Standaardtijd om te wachten>
<Standaiscsicli ListPersistentTargets
iscsicli RemovePersistentTarget <Naam van initiator> <Doelnaam>
<Poortnummer>
<Adres van doelportaal>
<Socket van doelportaal>
iscsicli AddConnection <Sessie-id> <Initiatorinstantie>
<Poortnummer> <Adres van doelportaal>
<Socket van doelportaal> <Beveiligingsvlaggen>
<Vlaggen voor aanmelden> <Headerverwerking>
<Gegevensverwerking> <Maximum aantal verbindingen>
Standaardtijd om te wachten>
<Standaardtijd om te bewaren> <Gebruikersnaam>
<Wachtwoord> <Verificatietype> <Sleutel>
iscsicli RemoveConnection <Sessie-id> <Verbindings-id>
iscsicli ScsiInquiry <Sessie-id> <LUN> <EvpdCmddt> <PageCode>
iscsicli ReadCapacity <Sessie-id> <LUN>
iscsicli ReportLUNs <Sessie-id>
iscsicli ReportTargetMappings
iscsicli ListInitiators
iscsicli AddiSNSServer <Adres van iSNS-server>
iscsicli RemoveiSNSServer <Adres van iSNS-server>
iscsicli RefreshiSNSServer <Adres van iSNS-server>
iscsicli ListiSNSServers
iscsicli FirewallExemptiSNSServer
iscsicli NodeName <knooppuntnaam>
iscsicli SessionList <sessie-info weergeven>
iscsicli CHAPSecret <CHAP-geheim>
iscsicli TunnelAddr <Naam van initiator> <Poort van initiator> <Doeladres>
<Tunneladres> <Persist>
iscsicli GroupKey <Sleutel> <Persist>
iscsicli BindPersistentVolumes
iscsicli BindPersistentDevices
iscsicli ReportPersistentDevices
iscsicli AddPersistentDevice <Pad naar volume of apparaat>
iscsicli RemovePersistentDevice <Pad naar volume of apparaat>
iscsicli ClearPersistentDevices
iscsicli Ping <Naam van initiator> <Adres> [Request Count] [Request Size]
[Request Timeout]
iscsicli GetPSKey <Naam van initiator> <Poort van initiator> <Id-type> <Id>
iscsicli PSKey <Naam van initiator> <Poort van initiator>
<Beveiligingsvlaggen> <Id-type> <Id> <Sleutel> <persist>
Snelle opdrachten
iscsicli QLoginTarget <Doelnaam> [CHAP Username] [CHAP Password]
iscsicli QAddTarget <Doelnaam> <Adres van doelportaal>
iscsicli QAddTargetPortal <Adres van doelportaal>
[CHAP Username] [CHAP Password]
iscsicli QAddConnection <Sessie-id> <Initiatorinstantie>
<Adres van doelportaal>
[CHAP Username] [CHAP Password]
Doeltoewijzingen:
<Doel-LUN> is de LUN-waarde die door het doel wordt gebruikt om de LUN
zichtbaar te maken. Moet de indeling 0x0123456789abcdef hebben.
<Bus besturingssysteem> is het busnummer dat het besturingssysteem moet
gebruiken om de LUN zichtbaar te maken
<Doel besturingssysteem> is het doelnummer dat het besturingssysteem moet
gebruiken om de LUN zichtbaar te maken
<LUN besturingssysteem> is het LUN-nummer dat het besturingssysteem moet
gebruiken om de LUN zichtbaarType lading-id:
ID_IPV4_ADDR is 1 - indeling van id is 1.2.3.4
ID_FQDN is 2 - indeling van id is computernaam
ID_IPV6_ADDR is 5 - indeling van id is IPv6-adres
Beveiligingsvlaggen:
Tunnelmodus is 0x00000040
Transportmodus is 0x00000020
PFS ingeschakeld is 0x00000010
Agressieve modus is 0x00000008
Hoofdmodus is 0x00000004
IPSEC/IKE ingeschakeld is 0x00000002
Geldige vlaggen is 0x00000001
Vlaggen voor aanmelden:
ISCSI_LOGIN_FLAG_REQUIRE_IPSEC 0x00000001
IPsec is voor de bewerking vereist
ISCSI_LOGIN_FLAG_MULTIPATH_ENABLED 0x00000002
Multipath is voor het doel op deze initiator ingeschakeld
Verificatietype:
ISCSI_NO_AUTH_TYPE = 0,
Geen iSCSI in-band verificatie wordt gebruikt
ISCSI_CHAP_AUTH_TYPE = 1,
Eenrichtings-CHAP ('Doel verifieert initiator' wordt gebruikt)
ISCSI_MUTUAL_CHAP_AUTH_TYPE = 2
Wederzijdse CHAP ('Doel en initiator verifiÙren elkaar' wordt
gebruikt)
Doelvlaggen:
ISCSI_TARGET_FLAG_HIDE_STATIC_TARGET 0x00000002
Als deze vlag is ingesteld, wordt het doel nooit gerapporteerd tenzij
deze ook dynamisch wordt ontdekt.
ISCSI_TARGET_FLAG_MERGE_TARGET_INFORMATION 0x00000004
Als deze vlag is ingesteld, wordt de doorgegeven doelinformatie
samengevoegd met alle doelinformatie die al statisch voor het doel is
geconfigureerd
CHAP-geheimen, CHAP-wachtwoorden en vooraf-gedeelde IPsec-sleutels kunnen als
teksttekenreek of als een reeks van hexadecimale waarden worden opgegeven. De
waarde die op de opdrachtregel wordt opgegeven, wordt altijd gezien als een
tekenreeks, tenzij de eerste twee tekens '0x' zijn, waardoor het als
hexadecimale waarde wordt gezien.
Bijvoorbeeld: 0x12345678 is een geheim van 4 bytes
Alle numerieke waarden worden als decimaal gezien, tenzij deze door '0x'
worden voorafgegaan. Dan wordt de waarde als hexadecimaal gezien
iscsicli kan ook in de opdrachtregel worden uitgevoerd, waarbij de opdrachten
rechtstreeks in de console kunnen worden opgegeven. Voer 'iscicli' zonder
parameters uit als u de opdrachtregelmodus wilt starten
De bewerking is voltooid.
Microsoft (R) Task Scheduler Command Line Utility
Copyright (C) Microsoft Corp 1995-1998. All rights reserved.
This executable compiled as a retail build for the Windows NT Resource Kit.
usage: JT {[options]|[@commandfile]}
options:
@ <file> - parse file
/? [cmd] - display help on [cmd], e.g. /? abj
!<cmd> - don't stop if command returns error
/ABJ - abort task
/CSAGE - convert SAGE tasks to tasks (Win9x only)
/CTJ [<props>] - create trigger in task
/DTJ [<id>] - delete trigger <id> (default 0) from task
/EJ [<n> [T|F]] - edit task page <n>, persist changes T/f
/ENC <id1> <id2> - enumerator clone <id1> from <id2> (see SCE command)
/ENN <id> <n> - enumerate next <n> items (see SCE command)
/ENR <id> - enumerator reset (see SCE command)
/ENS <id> <n> - enumerator skip forward by <n> (see SCE command)
/GC - get credential account name
/GM - get target machine
/ISJQ <file> - test <file> to see if it is a task
/LJ <file> - load task object from <file>
/PJ - print all properties of task
/PRJ [<n>] - print next <n> or today's remaining run times of task
/PSJ [<id>] - print trigger strings of <id> or all in task
/PTJ [<id>] - print trigger props of <id> or all in task
/RJ - run task
/SAC <file> - scheduler activate task (load tasks\<file>)
/SAJ <file> - scheduler add task (save as tasks\<file>)
/SC <acct> <pwd> - set task credentials
/SCE <id> - scheduler create enumerator in slot <id>=0..9
/SD <file> - scheduler delete task (delete tasks\<file>)
/SE [<n>] [P] - scheduler enum tasks <n> at a time, [P]rint
/SJ <props> - set task's properties
/SM [<machine>] - set machine (NULL = local machine if omitted)
/SNJ <file> - scheduler new task (replaces in-memory task object)
/STJ [id] props - set properties of task trigger <id> or 0
/SVJ [<file>] - save task to <file>
For detailed help use: JT /? <command-name>, e.g. JT /? LJ.
De volumenaam van een schijf maken, wijzigen of verwijderen
LABEL [station:][naam]
LABEL [/MP] [volume] [naam]
station: Geeft de stationsletter van een station aan.
naam Geeft de naam van het volume aan.
/MP Geeft aan dat het volume moet worden behandeld als
koppelpunt of als volumenaam.
volume Geeft het koppelpunt, de volumenaam of stationsletter
(gevolgd door een dubbele punt) aan. Als de volumenaam
is opgegeven, is de optie /MP niet nodig.
LODCTR
Hiermee worden registerwaarden van prestatiemeteritems bijgewerkt.
Syntaxis:
LODCTR <Naam van INI-bestand>
INI-FileName is de naam van het initialisatiebestand dat de definities
van de tellernamen bevat, alsmede uitleg over een uitbreidbare
teller-dll.
LODCTR /S:<Naam van back-upbestand>
de huidige perf-registertekenreeksen en -info opslaan in
<Naam van back-upbestand>
LODCTR /R:<Naam van back-upbestand>
de perf-registertekenreeksen en -info terugzetten met behulp van <Naam van back-upbestand>
LODCTR /R
de perf-registertekenreeksen en -info helemaal opnieuw maken op basis
van de huidige registerinstellingen en back-up-INI-bestanden.
LODCTR /T:<Naam van service>
de prestatiemeteritemservice instellen als vertrouwd.
LODCTR /E:<Naam van service>
de prestatiemeteritemservice inschakelen.
LODCTR /D:<Naam van service>
de prestatiemeteritemservice uitschakelen.
LODCTR /Q
LODCTR /Q:<Naam van service>
een query uitvoeren op de prestatiemeteriteùservice-informatie, voor
alle items of voor 1 item.
LODCTR /M:<Metermanifest>
XML-bestand met definitie van provider van Windows Vista-
prestatiemeteritem installeren
in systeemopslag.
Let op: argumenten met spaties in de naam moeten tussen dubbele
aanhalingstekens staan.
Function: Log an user event to EventLog registry. Usage: logevent [-m \\MACHINENAME] [-s Severity] [-c CategoryNumber] [-r Source] [-e EventID] [-t TimeOut] "Event Text" Severity is one of (S)uccess, (I)nformation, (W)arning, (E)rror or (F)ailure. Source is a string (can be quoted) for the event's source. EventID is an integer for the event's Event ID (0-65535). TimeOut is the number of seconds the system waits before exit. Default values: If -s isn't specified, default is "Information". If -c isn't specified, default is 0. If -r isn't specified, default is "User Event". If -e isn't specified, default is 1. If -t isn't specified, default is 60000. Example: logevent -m \\server -s E -c 3 -r "User Event" -e 42 "My message." Note: Names that include space characters must be enclosed in double quotes.
Microsoft © Logman.exe (6.1.7601.17514)
Syntaxis:
LOGMAN [create|query|start|stop|delete|update|import|export] [opties]
Werkwoorden:
create Een nieuwe gegevensverzamelaar maken.
query Eigenschappen van gegevensverzamelaar zoeken.
Als geen naam wordt opgegeven, worden alle
gegevensverzamelaars weergegeven.
start Een bestaande gegevensverzamelaar starten en
de begintijd instellen op handmatig.
stop Een bestaande gegevensverzamelaar stoppen en
de eindtijd instellen op handmatig.
delete Een bestaande gegevensverzamelaar verwijderen.
update De eigenschappen van een bestaande
gegevensverzamelaar bijwerken.
import Een gegevensverzamelaarset uit een
XML-bestand importeren
export Een gegevensverzamelaarset naar een
XML-bestand exporteren.
Bijwoorden:
counter Een gegevensverzamelaar voor items maken.
trace Een gegevensverzamelaar voor tracering maken.
alert Een gegevensverzamelaar voor waarschuwingen
maken.
cfg Een gegevensverzamelaar voor configuraties
maken.
providers Geregistreerde providers weergeven.
Opties (counter):
-c <path [path [...]]> Te verzamelen prestatiemeteritems.
-cf <bestandsnaam> Een bestand met te verzamelen
prestatiemeteritems, één per regel.
-f <bin|bincirc|csv|tsv|sql> De logboekindeling voor de
gegevensverzamelaar. Voor de
SQL-database-indeling moet u de optie -o
gebruiken in de opdrachtregel met de optie
DNS!log. De standaard is binair.
-sc <waarde> Maximum aantal voorbeelden dat met een
gegevensverzamelaar voor prestatiemeteritems
moet worden verzameld.
-si <[[hh:]mm:]ss> Voorbeeldinterval voor gegevensverzamelaars
van prestatiemeteritems.
Opties (trace):
-f <bin|bincirc|csv|tsv|sql> De logboekindeling voor de
gegevensverzamelaar. Voor de
SQL-database-indeling moet u de optie -o
gebruiken in de opdrachtregel met de optie
DNS!log. De standaard is binair.
-mode <trace_mode> De logboekregistratiemodus voor
gebeurtenistraceersessies. Ga voor meer
informatie naar -
http://go.microsoft.com/fwlink/?LinkID=136464
-ct <perf|system|cycle> De klokresolutie die moet worden gebruikt bij
het registreren van het tijdstempel voor elke
gebeurtenis. U kunt gebruikmaken van het
queryprestatiemeteritem, de systeemtijd of de
processorcyclus.
-ln <logger_name> De naam van het logboek voor
gebeurtenistraceersessies.
-ft <[[hh:]mm:]ss> Timer voor het wissen van
gebeurtenistraceersessies.
-[-]p <provider [flags [level]]> Een gebeurtenistraceerprovider die moet
worden ingeschakeld. De termen 'Flags' en
'Keywords' zijn in deze context synoniem.
-pf <bestandsnaam> Een bestand met verschillende
gebeurtenistraceerproviders die moeten worden
ingeschakeld.
-[-]rt De gebeurtenistraceersessie in de real-time
modus uitvoeren.
-[-]ul De gebeurtenistraceersessie in de
gebruikersmodus uitvoeren.
-bs <waarde> De buffergrootte voor de
gebeurtenistraceersessie in kB.
-nb <min max> Het aantal buffers voor de
gebeurtenistraceersessie.
Opties (alert):
-[-]el Gebeurtenislogboekregistratie in- of
uitschakelen.
-th <threshold [threshold [...]]> Items en hun drempelwaarden voor
waarschuwing opgeven.
-[-]rdcs <name> Gegevensverzamelaarset die moet worden
gestart bij waarschuwing.
-[-]tn <task> Taak die moet worden uitgevoerd bij
waarschuwing.
-[-]targ <argument> Taakargumenten.
-si <[[hh:]mm:]ss> Voorbeeldinterval voor gegevensverzamelaars
van prestatiemeteritems.
Opties (cfg):
-[-]ni Query voor netwerkinterface in- of
uitschakelen.
-reg <path [path [...]]> Te verzamelen registerwaarden.
-mgt <query [query [...]]> Te verzamelen WMI-objecten.
-ftc <path [path [...]]> Volledig pad naar de te verzamlen bestanden.
Opties:
-? Contextgevoelige Help weergeven.
-s <computer> De opdracht op de opgegeven externe computer
uitvoeren.
-config <bestandsnaam> Instellingenbestand met opdrachtopties.
[-n] <name> Naam van het doelobject.
-pid <pid> Proces-id.
-xml <bestandsnaam> Naam van het xml-bestand dat moet worden
geïmporteerd of geëxporteerd.
-as De gevraagde bewerking asynchroon uitvoeren.
-[-]u <user [password]> De gebruiker waarvoor de bewerking moet
worden uitgevoerd. Als * voor het wachtwoord
wordt ingevoerd, wordt naar een wachtwoord
gevraagd. Het wachtwoord wordt niet
weergegeven als u het achter de prompt opgeeft.
-m <[start] [stop]> Een handmatige begin- of eindtijd gebruiken
in plaats van een geplande begin- of eindtijd.
-rf <[[hh:]mm:]ss> De gegevensverzamelaar gedurende de opgegeven
tijd uitvoeren.
-b <dd-MM-yyyy HH:mm:ss'> De gegevensverzamelaar op een bepaalde tijd
starten.
-e <dd-MM-yyyy HH:mm:ss'> De gegevensverzamelaar op een bepaalde tijd
beëindigen.
-o <path|dsn!log> Het pad van het uitvoerlogboekbestand of de
DSN en logboeksetnaam in een SQL-database.
Het standaardpad is
%systemdrive%\PerfLogs\Admin.
-[-]r De gegevensverzamelaar dagelijks op de
opgegeven begin- en eindtijden herhalen.
-[-]a Aan een bestaand logboekbestand toevoegen.
-[-]ow Een bestaand logboekbestand overschrijven
-[-]v <nnnnnn|mmddhhmm> Bestandsversiegegevens aan het einde van de
logboeknaam toevoegen.
-[-]rc <task> De opgegeven opdracht uitvoeren wanneer het
logboek wordt gesloten.
-[-]max <waarde> De maximale logboekbestandgrootte in MB of
het aantal records voor SQL-logboeken.
-[-]cnf <[[hh:]mm:]ss> Een nieuw bestand maken wanneer de opgegeven
tijd is verstreken of wanneer de maximale
grootte is overschreden.
-y Alle antwoorden zonder te vragen met ja
beantwoorden.
-fd Alle actieve buffers van een bestaande
gebeurtenistraceersessie leegmaken en de
gegevens naar schijf wegschrijven.
-ets Opdrachten zonder opslaan of plannen
rechtstreeks naar gebeurtenistraceersessies
verzenden.
Opmerking:
Waar [-] staat, wordt bij een extra - de optie geannuleerd.
Bijvoorbeeld: --u heft de optie -u op.
Meer informatie:
Microsoft TechNet - http://go.microsoft.com/fwlink/?LinkID=136332
Voorbeelden:
logman start perf_log
logman update perf_log -si 10 -f csv -v mmddhhmm
logman create counter perf_log -c "\Processor(_Total)\% Processor Time"
logman create counter perf_log -c "\Processor(_Total)\% Processor Time" -max 10 -rf 01:00
logman create trace trace_log -nb 16 256 -bs 64 -o c:\logfile
logman create alert new_alert -th "\Processor(_Total)\% Processor Time>50"
logman create cfg cfg_log -reg "HKEY_LOCAL_MACHINE\SOFTWARE\Microsoft\Windows NT\CurrentVersion\\"
logman create cfg cfg_log -mgt "root\cimv2:SELECT * FROM Win32_OperatingSystem"
logman query providers
logman query providers Microsoft-Windows-Diagnostics-Networking
logman start process_trace -p Microsoft-Windows-Kernel-Process 0x10 win:Informational -ets
logman start usermode_trace -p "Service Control Manager Trace" -ul -ets
logman query usermode_trace -p "Service Control Manager Trace" -ul -ets
logman stop usermode_trace -p "Service Control Manager Trace" -ul -ets
logman start process_trace -p Microsoft-Windows-Kernel-Process -mode newfile -max 1 -o output%d.etl -ets
logman start "NT Kernel Logger" -o log.etl -ets
logman start "NT Kernel Logger" -p "Windows Kernel Trace" (process,thread) -ets
Command-line logoff utility version 1.00.
Copyright Microsoft Corporation 1997. All rights reserved.
LOGOFF [/F] [/N]
Logoff, by default(using no switches), will ask for user confirmation
and prompt to save unsaved data.
/F,/f Forces running processes to close, but will ask for user confirmation.
The user will NOT be asked to save unsaved data.
/N,/n User will be logged-off without confirmation, however the user
will be prompted to save unsaved data.
Cabinet Maker - Lossless Data Compression Tool
MAKECAB [/V[n]] [/D var=value ...] [/L dir] source [destination]
MAKECAB [/V[n]] [/D var=value ...] /F directive_file [...]
source File to compress.
destination File name to give compressed file. If omitted, the
last character of the source file name is replaced
with an underscore (_) and used as the destination.
/F directives A file with MakeCAB directives (may be repeated). Refer to
Microsoft Cabinet SDK for information on directive_file.
/D var=value Defines variable with specified value.
/L dir Location to place destination (default is current directory).
/V[n] Verbosity level (1..3).
BitLocker-stationsversleuteling: configuratieprogrammaversie 6.1.7601
Copyright (C) Microsoft Corporation. Alle rechten voorbehouden.
manage-bde[.exe] -parameter [argumenten]
Beschrijving:
Hiermee wordt BitLocker-stationsversleuteling op schijfvolumes
geconfigureerd.
Parameterlijst:
-status Hiermee wordt informatie weergegeven over volumes met
BitLocker-mogelijkheden.
-on Hiermee wordt het volume versleuteld en BitLocker-beveiliging
ingeschakeld.
-off Hiermee wordt het volume ontsleuteld en wordt
BitLocker-beveiliging uitgeschakeld.
-pause Hiermee wordt versleuteling of ontsleuteling onderbroken.
-resume Hiermee wordt versleuteling of ontsleuteling hervat.
-lock Hiermee blokkeert u de toegang tot gegevens die met BitLocker
zijn versleuteld.
-unlock Hiermee wordt toegang verleend tot gegevens die met BitLocker
zijn versleuteld.
-autounlock Hiermee beheert u de automatische ontgrendeling van
gegevensvolumes.
-protectors Hiermee beheert u de beveiligingsmethoden voor de
versleutelingssleutel.
-tpm Hiermee wordt TPM (Trusted Platform Module) van de computer
geconfigureerd.
-SetIdentifier of -si
Hiermee wordt het veld Id voor een volume geconfigureerd.
-ForceRecovery of -fr
Hiermee forceert u tijdens opnieuw opstarten het herstel van
een besturingssysteem dat met BitLocker is beveiligd.
-changepassword
Hiermee wijzigt u het wachtwoord voor een gegevensvolume.
-changepin Hiermee wordt de pincode voor een volume gewijzigd.
-changekey Hiermee wordt de opstartsleutel voor een volume gewijzigd.
-upgrade Hiermee wordt de BitLocker-versie bijgewerkt.
-ComputerName of -cn
Wordt uitgevoerd op een andere computer. Voorbeelden:
'ComputerX', '127.0.0.1'
-? of /? Hiermee geeft u korte Help-informatie weer. Voorbeeld:
'-ParameterSet -?'
-Help of -h Hiermee geeft u de volledige Help weer. Voorbeeld:
'-ParameterSet -h'
Voorbeelden:
manage-bde -status
manage-bde -on C: -RecoveryPassword -RecoveryKey F:\
manage-bde -unlock E: -RecoveryKey F:\84E151C1...7A62067A512.bek
Een nieuwe map maken.
MKDIR [station:]pad
MD [station:]pad
Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert MKDIR als volgt:
MKDIR maakt alle tussenliggende mappen in het pad, indien nodig.
Bijvoorbeeld: neem aan dat \a niet bestaat, dan is de opdracht:
mkdir \a\b\c\d
hetzelfde als:
mkdir \a
chdir \a
mkdir b
chdir b
mkdir c
chdir c
mkdir d
Dit is wat u moet typen als de extensies zijn uitgeschakeld.
Displays the amount of used and free memory in your system.
MEM [/PROGRAM | /DEBUG | /CLASSIFY]
/PROGRAM or /P Displays status of programs currently loaded in memory.
/DEBUG or /D Displays status of programs, internal drivers, and other
information.
/CLASSIFY or /C Classifies programs by memory usage. Lists the size of
programs, provides a summary of memory in use, and lists
largest memory block available.
Een nieuwe map maken.
MKDIR [station:]pad
MD [station:]pad
Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert MKDIR als volgt:
MKDIR maakt alle tussenliggende mappen in het pad, indien nodig.
Bijvoorbeeld: neem aan dat \a niet bestaat, dan is de opdracht:
mkdir \a\b\c\d
hetzelfde als:
mkdir \a
chdir \a
mkdir b
chdir b
mkdir c
chdir c
mkdir d
Dit is wat u moet typen als de extensies zijn uitgeschakeld.
Hiermee kunt u een symbolische koppeling maken.
MKLINK [[/D] | [/H] | [/J]] Koppeling Doel
/D Een symbolische mapkoppeling maken. Standaardinstelling
is een symbolische bestandskoppeling.
/H Een harde koppeling in plaats van een symbolische
koppeling maken.
/J Een mapsplitsing maken.
Koppeling De naam van de nieuwe symbolische koppeling.
Doel Het pad (relatief of absoluut) waarnaar de nieuwe
koppeling verwijst.
Systeemapparaten configureren.
Seriële poort: MODE COMm[:] [BAUD=b] [PARITY=p] [DATA=d] [STOP=s]
[to=on|off] [xon=on|off] [odsr=on|off]
[octs=on|off] [dtr=on|off|hs]
[rts=on|off|hs|tg] [idsr=on|off]
Apparaatstatus: MODE [apparaat] [/STATUS]
Afdrukken herleiden: MODE LPTn[:]=COMm[:]
Codetabel selecteren: MODE CON[:] CP SELECT=yyy
Status codetabel: MODE CON[:] CP [/STATUS]
Weergavemodus: MODE CON[:] [COLS=c] [LINES=n]
Typematic-ratio: MODE CON[:] [RATE=r DELAY=d]
Uitvoer scherm voor scherm weergeven.
MORE [/E [/C] [/P] [/S] [/Tn] [+n]] < [station:][pad]bestandsnaam
opdrachtnaam | MORE [/E [/C] [/P] [/S] [/Tn] [+n]]
MORE /E [/C] [/P] [/S] [/Tn] [+n] [bestanden]
[station:][pad]bestandsnaam Geeft een bestand op dat scherm voor
scherm moet worden weergegeven.
opdrachtnaam Een opdracht waarvan de
uitvoer wordt weergegeven.
/E Schakelt uitgebreide kenmerken in
/C Wist scherm voordat pagina wordt weergegeven
/P Breidt FormFeedtekens uit
/S Van meerdere witregels wordt één regel gemaakt
/Tn Breidt tabs uit tot n spaties (standaard 8)
U kunt schakelopties opgeven in de omgevingsvariabele
MORE.
+n Geef het eerste bestand weer op regel n
bestanden Lijst van bestanden die moeten worden weergegeven.
Bestanden in de lijst worden door witruimtes gescheiden.
Als uitgebreide kenmerken zijn ingeschakeld, zijn de volgende
extra opdrachten toegestaan:
P n Geeft volgende n regels weer
S n Slaat volgende n regels over
F Geeft volgende bestand weer
Q Stoppen
= Geeft regelnummer weer
? Geeft Help-regel weer
<spatiebalk> Geeft volgende pagina weer
<enter> Geeft volgende regel weer
Maakt, verwijdert of geeft een volumekoppelingspunt weer.
MOUNTVOL [station:]pad volumenaam
MOUNTVOL [station:]pad /D
MOUNTVOL [station:]pad /L
MOUNTVOL [station:]pad /P
MOUNTVOL /R
MOUNTVOL /N
MOUNTVOL /E
pad Bepaalt in welke bestaande NTFS-map het koppelpunt zich
bevindt.
volumenaam Bepaalt de volumenaam die het doel is van het koppelpunt.
/D Verwijdert het volumekoppelpunt uit de opgegeven map.
/L Geeft de naam van het gekoppelde volume weer voor de opgegeven
map.
/P Verwijdert het volumekoppelpunt uit de opgegeven map,
ontkoppelt het volume, en maakt het volume niet-koppelbaar.
U kunt het volume weer koppelbaar maken door een
volumekoppelpunt te maken
/R Verwijdert de volumekoppelpunten van mappen en
registerinstellinegen van volumes die niet meer in het systeem
aanwezig zijn
/N Schakelt het automatisch koppelen van nieuwe volumes uit.
/E Schakelt het automatisch koppelen van nieuwe volumes weer in.
Mogelijke waarden voor de volumenaam bij gebruik van de huidige koppelpunten:
\\?\Volume{e536b8c0-ed40-11e1-9bb9-806e6f6e6963}\
*** Geen koppelpunten ***
\\?\Volume{e536b8c1-ed40-11e1-9bb9-806e6f6e6963}\
C:\
\\?\Volume{e536b8c2-ed40-11e1-9bb9-806e6f6e6963}\
D:\
\\?\Volume{e536b8c5-ed40-11e1-9bb9-806e6f6e6963}\
E:\
Bestanden verplaatsen en bestanden en mappen een nieuwe naam geven. Als u één of meer bestanden wilt verplaatsen: MOVE [/Y | /-Y] [staton:][pad]bestandsnaam1[,...] doel Als u een map een nieuwe naam wilt geven: MOVE [/Y | /-Y] [station:][pad]mapnaam1 mapnaam2 [station:][pad]bestandsnaam1 Bepaalt de locatie en naam van bestand of bestanden die u wilt verplaatsen. doel Bepaalt de nieuwe locatie van het bestand. Doel kan bestaan uit een stationsletter en dubbele punt, een mapnaam of een combinatie hiervan. Als u slechts één bestand verplaatst, kunt u ook een bestandsnaam opgeven als u het bestand een nieuwe naam wilt geven tijdens het verplaatsen. [station:][pad]mapnaam1 Bepaalt de map die u een nieuwe naam wilt geven. mapnaam2 Bepaalt de nieuwe naam van de map. /Y Onderdrukt vragen om bevestiging als u een bestaand doelbestand wilt overschrijven. /-Y Vragen om bevestiging als u een bestaand doelbestand wilt overschrijven. De schakeloptie /Y kan aanwezig zijn in de omgevingsvariabele COPYCMD. Dit kan worden onderdrukt door /-Y op de opdrachtregel. Standaard wordt gevraagd om bevestiging bij overschrijven tenzij de opdracht MOVE wordt uitgevoerd vanuit een batchscript.
Syntaxis: mrinfo [-n?] [-i adres] [-t sec.] [-r pogingen] doel
-n IP-adres in numerieke indeling weergeven
-i adres Adres van lokale interface om query aan te verzenden
-t sec. Time-out in seconden voor IGMP-query's (standaard = 3 sec.)
-r pogingen Aantal extra pogingen om de SNMP-query's te verzenden
(standaard = 0)
-? Help afdrukken
doel Adres of naam van doel
Protocolstatistieken en actieve TCP/IP-verbindingen weergeven die NBT
gebruiken (NetBIOS over TCP/IP).
NBTSTAT [-a Externe naam] [-A IP-adres] [-c] [-n]
[-r] [-R] [-s] [-S] [interval] ]
-a (adapter status) Geeft de naamtabel van de externe computer weer met
de naam ervan
-A (Adapter status) Geeft de naamtabel van de externe computer weer met
het IP-adres ervan.
-c (cache) Geeft de NBT-cache van externe (computer-)namen en
de IP-adressen weer
-n (names) Geeft de lokale NETBIOS-namen weer
-r (resolved) Geeft namen weer die door broadcast zijn omgezet en
WINS
-R (Reload) Wist de tabel met externe cachenamen en laadt deze
opnieuw
-S (Sessions) Geeft sessietabel weer met de doel-IP-adressen
-s (sessions) Geeft sessietabel weer en converteert de
doel-IP-adressen naar computer-NETBIOS-namen
-RR (ReleaseRefresh) Verzendt Naamrelease-pakketten naar WINS en start
daarna Vernieuwen
Externe naam Computernaam van de externe host
IP-adres Decimale weergave (met punten) van het IP-adres.
interval Geeft geselecteerde statistieken steeds opnieuw weer,
met een tussenpauze van interval seconden. Druk op
CTRL+C om het weergeven van statistieken te beëindigen.
De syntaxis van deze opdracht is:
NET
[ ACCOUNTS | COMPUTER | CONFIG | CONTINUE | FILE | GROUP | HELP |
HELPMSG | LOCALGROUP | PAUSE | SESSION | SHARE | START |
STATISTICS | STOP | TIME | USE | USER | VIEW ]
netcfg [-v] [-e] [-winpe] [-l <volledig-pad-naar-INF-van-onderdeel>]
-c <p|s|c> -i <comp-id>
-winpe Hiermee installeert u TCP/IP, NetBIOS en Microsoft Client voor de
Windows Voorinstallatieomgeving
-l Hiermee geeft u de locatie van INF op
-c Hiermee geeft u de klasse op van het onderdeel dat wordt
geïnstalleerd (p == Protocol, s == Service, c == Client)
-i Hiermee geeft u de id van het onderdeel op
De argumenten moeten in de weergegeven volgorde worden doorgegeven.
Voorbeelden:
netcfg -l c:\oemdir\foo.inf -c p -i foo
...Hiermee installeert u het protocol 'foo' met c:\\oemdir\\foo.inf
netcfg -c s -i MS_Server
...Hiermee installeert u de service MS_Server
OF
netcfg [-v] -winpe
Voorbeelden:
netcfg -v -winpe
...Hiermee installeert u TCP/IP, NetBIOS en Microsoft Client voor de
Windows Voorinstallatieomgeving
OF
netcfg [-v] -q <comp-id>
Voorbeeld:
netcfg -q MS_IPX
...Hiermee wordt weergegeven of het onderdeel MS_IPX is geïnstalleerd
OF
netcfg [-v] [-e] -u <comp-id>
Voorbeeld:
netcfg -u MS_IPX
...Hiermee wordt het onderdeel MS_IPX verwijderd
OF
netcfg [-v] -s <a|n>
waarbij
-s\thet type aangeeft van de onderdelen die moeten worden weergegeven
\ta == adapters, n == netonderdelen
Voorbeelden:
netcfg -s n
...Hiermee worden alle geïnstalleerde netonderdelen weergegeven
OF
netcfg [-v] -b <comp-id>
Voorbeelden:
netcfg -b ms_tcpip
...Hiermee worden bindingspaden weergegeven die MS_TCPIP bevatten
Algemene opmerkingen:\n"
-v Uitvoeren in uitgebreide (gedetailleerde) modus
-e Omgevingsvariabelen voor services gebruiken tijdens het installeren en
verwijderen
? Deze Help-informatie weergeven
Syntaxis: NETSH [-a Alias-bestand] [-c Context] [-r Externe computer]
[-u [Domeinnaam\]Gebruikersnaam] [-p Wachtwoord | *]
[Opdracht | -f scriptbestand]
De volgende opdrachten zijn beschikbaar:
Opdrachten in deze context:
? - Een lijst met opdrachten weergeven.
add - Een configuratievermelding aan een lijst met vermeldingen
toevoegen.
advfirewall - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh advfirewall.
bridge - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh bridge.
delete - Een configuratievermelding uit een lijst met vermeldingen
verwijderen.
dhcpclient - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh dhcpclient.
dnsclient - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh dnsclient.
dump - Een configuratiescript weergeven.
exec - Een scriptbestand uitvoeren.
firewall - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh firewall.
help - Een lijst met opdrachten weergeven.
http - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh http.
interface - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh interface.
ipsec - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh ipsec.
lan - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh lan.
mbn - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh mbn.
namespace - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh namespace.
nap - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh nap.
netio - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh netio.
p2p - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh p2p.
ras - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh ras.
rpc - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh rpc.
set - Configuratie-instellingen bijwerken.
show - Gegevens weergeven.
trace - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh trace.
wcn - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh wcn.
wfp - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh wfp.
winhttp - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh winhttp.
winsock - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh winsock.
wlan - Wijzigingen doorvoeren in de context netsh wlan.
De volgende subcontexten zijn beschikbaar:
advfirewall bridge dhcpclient dnsclient firewall http interface ipsec lan mbn namespace nap netio p2p ras rpc trace wcn wfp winhttp winsock wlan
Voor Help-informatie bij een opdracht, typt u de opdracht, gevolgd door een
spatie en vervolgens ?.
Protocolstatistieken en de actieve TCP/IP-netwerkverbindingen weergeven.
NETSTAT [-a] [-b] [-e] [-f] [-n] [-o] [-p proto] [-r] [-s] [-t] [interval]
-a Geeft alle verbindingen en luisterende poorten weer.
-b Hiermee wordt het uitvoerbaar bestand weergegeven dat is
betrokken bij het maken van elke verbinding of poort voor
luisteren. In sommige gevallen worden meerdere onafhankelijke
onderdelen door bekende uitvoerbare bestanden gehost en in
deze gevallen wordt de serie onderdelen die betrokken zijn
bij het maken van de verbinding of poort voor luisteren
opgegeven. In dit geval wordt de naam van het uitvoerbaar
bestand tussen haken [] onderaan weergegeven, daarboven het
onderdeel dat wordt aangeroepen, enzovoort totdat TCP/IP is
bereikt. Deze optie neemt veel tijd in beslag en mislukt
tenzij u de benodigde machtigingen hebt.
-e Ethernet-statistieken weergeven. Dit kan worden
gecombineerd worden met de optie -s.
-f Hiermee worden FQDN-namen voor externe adressen weergegeven.
-n Geeft adressen en poortnummers als getallen weer.
-o Geeft de proces-id weer die bij elke verbinding hoort.
-p proto Geeft de verbindingen voor het protocol weer. proto
kan staan voor: TCP, UDP, TCPv6 of UDPv6. Als deze optie wordt
gebruikt met de optie -s om de statistieken per protocol
weer te geven, kan proto staan voor:
IP, IPv6, ICMP, ICMPv6, TCP, TCPv6, UDP of UDPv6.
-r Geeft de routeringstabel weer.
-s Geeft statistieken per protocol weer. Standaard
worden de statistieken weergegeven voor IP, IPv6, ICMP,
ICMPv6, TCP, TCPv6, UDP en UDPv6; de optie -p kan worden
gebruikt om een specifiek protocol op te geven.
-t Hiermee wordt de offload-status van de huidige verbinding
weergegeven.
interval Geeft de geselecteerde gegevens om de x aantal
seconden weer (x is de intervalwaarde). Druk op
CTRL+C om te stoppen met het weergeven van de
gegevens. Als u geen intervalwaarde opgeeft, worden
de gegevens over de actieve configuratie één keer
weergeven.
Loads country-specific information.
NLSFUNC [[drive:][path]filename]
[drive:][path]filename Specifies the file containing country-specific
information.
Syntaxis: nltest [/OPTIES]
/SERVER:<Servernaam> - Geef <Servernaam> op
/QUERY - Query <Servernaam> netlogon-service
/REPL - Forceer partiële sync op <Servernaam> BDC
/SYNC - Forceer volledige sync op <Servernaam> BDC
/PDC_REPL - Forceer UAS wijzigingsbericht van <Servernaam> PDC
/SC_QUERY:<Domeinnaam> - Query beveiligd kanaal voor <Domein> op
<Servernaam>
/SC_RESET:<Domeinnaam>[\<DcNaam>] - Stel beveiligd kanaal opnieuw in voor
<Domein> op <Servernaam> op <DcNaam>
/SC_VERIFY:<Domeinnaam> - Verifieer beveiligd kanaal voor <Domein> op
<Servernaam>
/SC_CHANGE_PWD:<Domeinnaam> - Wijzig een wachtwoord voor een beveiligd
kanaal voor <Domein> op <Servernaam>
/DCLIST:<Domeinnaam> - Haal lijst op van DC's voor <Domeinnaam>
/DCNAME:<Domeinnaam> - Haal de PDC-naam op voor <Domeinnaam>
/DSGETDC:<Domeinnaam> - Aanroep van DsGetDcName /PDC /DS /DSP /GC /KDC
/TIMESERV /GTIMESERV /WS /NETBIOS /DNS /IP /FORCE /WRITABLE /AVOIDSELF
/LDAPONLY /BACKG /DS_6 /TRY_NEXT_CLOSEST_SITE
/SITE:<Sitenaam> /ACCOUNT:<Accountnaam> /RET_DNS /RET_NETBIOS
/DNSGETDC:<Domeinnaam> - Aanroep van DsGetDcOpen/Next/Close /PDC /GC
/KDC /WRITABLE /LDAPONLY /FORCE /SITESPEC
/DSGETFTI:<Domeinnaam> - Aanroep van DsGetForestTrustInformation
/UPDATE_TDO
/DSGETSITE - Aanroep van DsGetSiteName
/DSGETSITECOV - Aanroep van DsGetDcSiteCoverage
/DSADDRESSTOSITE:[Computernaam] - Aanroep van DsAddressToSiteNamesEx
/ADDRESSES:<Adres1,Adres2,...>
/PARENTDOMAIN - Haal de naam op van het bovenliggende domein van deze
computer
/WHOWILL:<Domein>* <Gebruiker> [<Iteratie>] - Kijk of <Domein> <Gebruiker>
aanmeldt
/FINDUSER:<Gebruiker> - Kijk welk vertrouwd domein <Gebruiker> aanmeldt
/TRANSPORT_NOTIFY - Meld aan netlogon dat er nieuwe overdracht is
/DBFLAG:<Hexvlaggen> - Nieuwe foutopsporingsvlag
/USER:<Gebruikersnaam> - Query gebruikersinfo op <Servernaam>
/TIME:<Hex LSL> <Hex MSL> - Converteer NT GMT-tijd naar ascii
/LOGON_QUERY - Query aantal cumulatieve aanmeldpogingen
/DOMAIN_TRUSTS - Query domeinvertrouwensrelaties op <Servernaam>
/PRIMARY /FOREST /DIRECT_OUT /DIRECT_IN /ALL_TRUSTS /V
/DSREGDNS - Forceer registratie van alle DC-specifieke DNS-records
/DSDEREGDNS:<DnsHostName> - Maak registratie ongedaan van DC-specifieke
DNS-records voor opgegeven DC /DOM:<DnsDomeinnaam>
/DOMGUID:<DomeinGuid> /DSAGUID:<DsaGuid>
/DSQUERYDNS - Query de status van de meest recente update voor alle
DC-specifieke DNS-records
/BDC_QUERY:<Domeinnaam> - Query replicatiestatus van BDC's voor
<Domeinnaam>
/LIST_DELTAS:<Bestandsnaam> - geef de inhoud weer van betreffende
wijzigingslogboekbestand
/CDIGEST:<Bericht> /DOMAIN:<Domeinnaam> - Haal verwerking van client op
/SDIGEST:<Bericht> /RID:<RID in hex> - Haal serververwerking op
/SHUTDOWN:<Reden> [<Seconden>] - Sluit <Servernaam> af vanwege <Reden>
/SHUTDOWN_ABORT - Breek afsluiten van systeem af
Syntaxis:
nslookup [-opt ...] # interactieve modus met behulp van
standaardserver
nslookup [-opt ...] - server # interactieve modus met behulp van
<server>
nslookup [-opt ...] host # host opzoeken met behulp van
standaardserver
nslookup [-opt ...] host server # <host> opzoeken met behulp van
<server>
OPENFILES /parameter [argumenten]
Beschrijving:
Hiermee kunt u instellen dat een administrator bestanden en mappen kan weergeven en verbindingen daarmee kan verbreken
die op een computer zijn geopend.
Parameterlijst:
/Disconnect Hiermee wordt de verbinding met één of meer open
bestanden verbroken.
/Query Lokaal geopende of bestanden in gedeelde mappen
weergeven.
/Local Lokale open bestanden weergeven in- of uitschakelen.
/? Dit helpbericht weergeven.
Voorbeelden:
OPENFILES /Disconnect /?
OPENFILES /Query /?
OPENFILES /Local /?
Een zoekpad voor uitvoerbare bestanden weergeven of instellen. PATH [[station:]pad[;...][;%PATH%] PATH ; Typ PATH ; om alle zoekpadinstellingen te wissen en cmd.exe alleen in de actieve map te laten zoeken. Typ PATH zonder parameters om het actieve pad weer te geven. Het opnemen van %PATH% in de nieuwe padinstelling leidt ertoe dat het oude pad wordt toegevoegd aan de nieuwe instelling.
Syntaxis: pathping [-g hostlijst] [-h maximum aantal hops] [-i adres] [-n]
[-p periode] [-q aantal query's] [-w time-out]
[-4] [-6] doelnaam
Opties:
-g hostlijst Losse bronroute langs hostlijst
-h maximum aantal hops Maximum aantal hops om te zoeken naar doel
-i adres Opgegeven bronadres gebruiken
-n Adressen niet omzetten in hostnamen
-p periode Wachttijd tussen pings (in milliseconden)
-q aantal query's Aantal query's per hop
-w time-out Time-out voor elk antwoord (in milliseconden)
-4 Forceren met IPv4
-6 Forceren met IPv6
De uitvoering van een batchbestand uitstellen en de volgende melding weergeven: Druk op een toets om verder te gaan . . .
Syntaxis: ping [-t] [-a] [-n aantal] [-l grootte] [-f] [-i TTL] [-v TOS]
[-r aantal] [-s aantal] [[-j hostlijst] | [-k hostlijst]]
[-w time-out] [-R] [-S srcaddr] [-4] [-6] bestemmingsnaam
Opties:
-t De opgegeven host pingen totdat het pingen wordt
afgebroken.
Typ CTRL-Break om de statistieken te zien en door te gaan.
Typ CTRL-C om te stoppen.
-a Adressen in hostnamen omzetten.
-n aantal Aantal te verzenden echo-aanvragen.
-l grootte Grootte van de verzendbuffer.
-f Vlag met het kenmerk Niet fragmenteren instellen
(alleen IPv4).
-i TTL Time to live (tijd).
-v TOS Servicetype (alleen IPv4. Deze vlag is alleen voor
achterwaartse compatibiliteit. Het instellen hiervan heeft
geen invloed op de TOS in de ip-header).
-r aantal Route opslaan voor aantal hops (alleen IPv4).
-s aantal Tijd weergeven voor aantal hops (alleen IPv4).
-j hostlijst Niet-strikte bronroute langs lijst met hosts (alleen IPv4).
-k hostlijst Strikte bronroute langs lijst met hosts (alleen IPv4).
-w time-out Time-out in milliseconden voor ieder antwoord.
-R Gebruik routeringsheader om de omgekeerde route ook te
testen.
-S srcaddr Te gebruiken bronadres (alleen IPv6).
-4 Gebruik van IPv4 afdwingen.
-6 Gebruik van IPv6 afdwingen.
Microsoft PnP-hulpprogramma Syntaxis: ------ pnputil.exe [-f | -i] [ -? | -a | -d | -e ] <Naam van INF-bestand> Voorbeelden: pnputil.exe -a a:\usbcam\USBCAM.INF -> Pakket, opgegeven door USBCAM.INF, toevoegen pnputil.exe -a c:\drivers\*.inf -> Alle pakketten in c:\drivers\ toevoegen pnputil.exe -i -a a:\usbcam\USBCAM.INF -> Stuurprogrammapakket toevoegen en installeren pnputil.exe -e -> Alle pakketten van derden inventariseren pnputil.exe -d oem0.inf -> Pakket oem0.inf verwijderen pnputil.exe -f -d oem0.inf -> Pakket oem0.inf geforceerd verwijderen pnputil.exe -? -> Deze help weergeven
Schakelt naar de map die is opgeslagen met de opdracht PUSHD. POPD Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, zal de opdracht POPD elke tijdelijke stationsletter verwijderen die is gemaakt met PUSHD als u met POPD dat station van de pushed-mapstack verwijdert.
Displays the state of TCP and UDP ports.
PortQry Usage:
PORTQRY -n server [-p protocol] [-e || -r || -o endpoint(s)]
[-l logfile] [-s] [-i] [-q]
Where:
-n [server] IP address or name of server to query
-p [protocol] TCP or UDP or BOTH (default is TCP)
-e [endpoint] single port to query (valid range: 1-65535)
-r [end point range] range of ports to query (start:end)
-o [end point order] range of ports to query in an order (x,y,z)
-l [logfile] name of log file to create
-s 'slow link delay' waits longer for UDP replies from remote systems
-i by-passes default IP address-to-name lookup
ignored unless an IP address is specified after -n
-q 'quiet' operation runs with no output
returns 0 if port is listening
returns 1 if port is not listening
returns 2 if port is listening or filtered
Notes:
PortQry runs on Windows 2000 and later
Defaults: TCP, port 80, no log file, slow link delay off
Hit Ctrl-c to terminate prematurely
examples:
portqry -n myserver.com -e 25
portqry -n 10.0.0.1 -e 53 -p UDP -i
portqry -n host1.dev.reskit.com -r 21:445
portqry -n 10.0.0.1 -o 25,445,1024 -p both
POWERCFG <opties voor opdrachtregel>
Beschrijving:
Met dit opdrachtregelhulpprogramma kunnen gebruikers de
energie-instellingen voor een systeem beheren.
Parameterlijst:
-LIST, -L Geeft alle energiebeheerschema's voor de huidige gebruiker weer.
Syntaxis: POWERCFG -LIST
-QUERY, -Q Geeft de inhoud van het opgegeven energiebeheerschema weer.
Syntaxis: POWERCFG -QUERY <SCHEMA_GUID> <SUB_GUID>
<SCHEMA_GUID> (optioneel), bepaalt dat de GUID van het energie-
schema wordt weergegeven. Kan worden verkregen
via powercfg -l.
<SUB_GUID> (optioneel), bepaalt dat de GUID van de subgroep
wordt weergegeven. Hiervoor moet SCHEME_GUID
zijn opgegeven.
Als zowel SCHEME_GUID als SUB_GUID niet zijn opgegeven, worden
de instellingen voor het actieve energieschema van de huidige
gebruiker weergegeven.
Als SUB_GUID niet is opgegeven, worden alle instellingen voor
het opgegeven energieschema weergegeven.
-CHANGE, -X Wijzigt de waarde van een instelling in het actieve
energiebeheerschema.
Syntaxis: POWERCFG -X <INSTELLING> <WAARDE>
<INSTELLING> is een van de volgende opties:
-monitor-timeout-ac <minuten>
-monitor-timeout-dc <minuten>
-disk-timeout-ac <minuten>
-disk-timeout-dc <minuten>
-standby-timeout-ac <minuten>
-standby-timeout-dc <minuten>
-hibernate-timeout-ac <minuten>
-hibernate-timeout-dc <minuten>
Voorbeeld:
POWERCFG -Change -monitor-timeout-ac 5
Hiermee wordt de time-outwaarde van een niet actief beeldscherm
op 5 minuten ingesteld, indien op netstroom.
-CHANGENAME Hiermee wordt de naam van een energieschema en optioneel de
beschrijving ervan gewijzigd.
Syntaxis: POWERCFG -CHANGENAME <GUID> <naam> <schemabeschrijving>
Als de beschrijving wordt weggelaten, wordt alleen de naam
gewijzigd.
-DUPLICATESCHEME
Het opgegeven energieschema dupliceren. De GUID als
resultaat hiervan wordt weergegeven.
Syntaxis: POWERCFG -DUPLICATESCHEME <GUID> <doel-GUID>
<GUID> is een schema-GUID die wordt verkregen via powercfg -l.
Als <doel-GUID> wordt weggelaten, wordt een nieuwe GUID
voor het gedupliceerde schema gemaakt.
-DELETE, -D Het energieschema met de opgegeven GUID verwijderen.
Syntaxis: POWERCFG -DELETE <GUID>
<GUID> wordt verkregen via schakeloptie LIST.
-DELETESETTING
Hiermee wordt een energie-instelling verwijderd.
Syntaxis: POWERCFG -DELETESETTING <SUB_GUID> <INSTELLING_GUID>
<SUB_GUID> Bepaalt de GUID van de subgroep.
<INSTELLING_GUID> Bepaalt de GUID van de energie-instelling.
-SETACTIVE, -S
Het opgegeven energieschema op de computer activeren.
Syntaxis: POWERCFG -SETACTIVE <SCHEMA_GUID>
<SCHEMA_GUID> Bepaalt de GUID van het schema.
-GETACTIVESCHEME
Het huidige actieve energieschema ophalen.
Syntaxis: POWERCFG -GETACTIVESCHEME
-SETACVALUEINDEX
Een waarde instellen voor een bepaalde energie-instelling
als het systeem op wisselstroom werkt.
Syntaxis: POWERCFG -SETACVALUEINDEX <SCHEMA_GUID> <SUB_GUID>
<INSTELLING_GUID> <Instellingsindex>
<SCHEMA_GUID> Bepaalt een GUID voor een energiebeheerschema
en kan worden verkregen via 'PowerCfg /L'.
<SUB_GUID> Bepaalt een subgroep van de energie-instelling-
GUID en kan worden verkregen via 'PowerCfg /Q'.
<INSTELLING_GUID> Bepaalt een afzonderlijke energie-instelling-
GUID en kan worden verkregen via 'PowerCfg /Q'.
<Instellingsindex> Bepaalt op welke waarde uit de lijst deze
energie-instelling wordt ingesteld.
Voorbeeld:
POWERCFG -SetAcValueIndex <GUID> <GUID> <GUID> 5
De wisselstroomwaarde voor de energie-instelling op de
vijfde waarde in de lijst met mogelijke waarden instellen.
-SETDCVALUEINDEX
Een waarde instellen voor een bepaalde energie-instelling
als het systeem op gelijkstroom werkt.
Syntaxis: POWERCFG -SETDCVALUEINDEX <SCHEMA_GUID> <SUB_GUID>
<INSTELLING_GUID> <Instellingsindex>
<SCHEMA_GUID> Bepaalt een GUID voor een energiebeheerschema
en kan worden verkregen via 'PowerCfg /L'.
<SUB_GUID> Bepaalt een subgroep van de energie-instelling-
GUID en kan worden verkregen via 'PowerCfg /Q'.
<INSTELLING_GUID> Bepaalt een afzonderlijke energie-instelling-
GUID en kan worden verkregen via 'PowerCfg /Q'.
<Instellingsindex> Bepaalt op welke waarde uit de lijst deze
energie-instelling wordt ingesteld.
Voorbeeld:
POWERCFG -SetDcValueIndex <GUID> <GUID> <GUID> 5
De gelijkstroomwaarde voor de energie-instelling op de
vijfde waarde in de lijst met mogelijke waarden instellen.
-HIBERNATE, -H
Sluimerstand in- of uitschakelen. Time-out voor sluimerstand
is ondersteund op alle systemen.
Gebruik: POWERCFG -H <ON|OFF>
POWERCFG -H -Size <Percentage>
-Size Hiermee wordt de gewenste grootte van het sluimerstand-
bestand opgegeven als percentage van het totale geheugen.
De standaardgrootte kan niet kleiner dan 50 zijn. Met
deze schakeloptie wordt het sluimerstandbestand ook
automatisch ingeschakeld.
-AVAILABLESLEEPSTATES, -A
De op het systeem beschikbare slaapstanden.
Redenen geven waarom slaapstanden niet beschikbaar zijn.
-DEVICEQUERY
Retourneert een lijst met apparaten die aan de opgegeven
criteria voldoet.
Syntaxis: POWERCFG -DEVICEQUERY <queryvlaggen>
<queryvlaggen> Bepaalt een van de volgende criteria:
wake_from_S1_supported Retourneer alle apparaten die inschakelen
na een lichte slaapstand ondersteunen.
wake_from_S2_supported Retourneer alle apparaten die inschakelen
na een diepe slaapstand ondersteunen.
wake_from_S3_supported Retourneer alle apparaten die inschakelen
na de diepste slaapstand ondersteunen.
wake_from_any Retourneer alle apparaten die inschakelen
na elk type slaapstand ondersteunen.
S1_supported Lijst met apparaten die lichte
slaapstand ondersteunen
S2_supported Lijst met apparaten die diepe
slaapstand ondersteunen
S3_supported Lijst met apparaten die diepste
slaapstand ondersteunen
S4_supported Lijst met apparaten die sluimerstand
ondersteunen.
wake_programmable Lijst met apparaten weergeven die door
de gebruiker kunnen worden
geconfigureerd voor het inschakelen van
het systeem na een slaapstand.
wake_armed Lijst met apparaten weergeven die zijn
geconfigureerd voor het inschakelen van
het systeem na elk type slaapstand.
all_devices Retourneert alle apparaten die in het
systeem aanwezig zijn.
all_devices_verbose Retourneert uitgebreide lijst met
apparaten.
Voorbeeld:
POWERCFG -DEVICEQUERY wake_armed
-DEVICEENABLEWAKE
Het apparaat kan de computer in een slaapstand laten komen.
Syntaxis: POWERCFG -DEVICEENABLEWAKE <apparaatnaam>
<apparaatnaam> Bepaalt een apparaat dat is verkregen via
'PowerCfg -DEVICEQUERY wake_programmable'.
Voorbeeld:
POWERCFG -DEVICEENABLEWAKE
Microsoft USB IntelliMouse Explorer
-DEVICEDISABLEWAKE <apparaatnaam> Het apparaat kan het systeem niet uit de
Het apparaat kan de computer niet uit slaapstand laten komen
Syntaxis: POWERCFG -DEVICEDISABLEWAKE
<apparaatnaam> Bepaalt een apparaat dat is verkregen via
'PowerCfg -DEVICEQUERY wake_armed'.
-IMPORT Importeert alle energie-instellingen uit het opgegeven bestand.
Syntaxis: POWERCFG -IMPORT <bestandsnaam> <GUID>
<bestandsnaam> Een volledig pad naar een bestand dat is
gegenereerd via parameter 'PowerCfg -EXPORT'.
<GUID> (optioneel) De instellingen worden in een energie-
beheerschema met deze GUID geladen. Indien niet
opgegeven, wordt met powercfg een nieuwe GUID
gemaakt, die vervolgens zal worden gebruikt.
Voorbeeld:
POWERCFG -IMPORT c:\scheme.pow
-EXPORT Exporteert het energieschema met de opgegeven GUID naar het
opgegeven bestand.
Syntaxis: POWERCFG -EXPORT <bestandsnaam> <GUID>
<bestandsnaam> Een volledig pad naar een doelbestand.
<GUID> Bepaalt een GUID voor een energiebeheerschema en kan
worden verkregen via 'PowerCfg /L'.
Voorbeeld:
POWERCFG -EXPORT c:\scheme.pow
381b4222-f694-41f0-9685-ff5bb260df2e
-LASTWAKE Geeft informatie over waarom de computer uit de laatste
slaapstand is gekomen
-HELP, -? Geeft informatie weer over parameters op opdrachtregel.
-ALIASES De aliassen en bijbehorende GUID's weergeven.
De gebruiker kan deze aliassen gebruiken in plaats van elke
GUID op de opdrachtregel.
-SETSECURITYDESCRIPTOR
Een security descriptor instellen die bij een energie-instelling,
energiebeheerschema of actie hoort.
Syntaxis: POWERCFG -SETSECURITYDESCRIPTOR <GUID|ACTIE> <SDDL>
<GUID> Bepaalt een GUID voor een energiebeheerschema of
energie-instelling.
<ACTIE> Kan een van deze tekenreeksen zijn:
ActionSetActive, ActionCreate, ActionDefault
<SDDL> Geeft een geldige security descriptor in SDDL-
indeling op. Met POWERCFG -GETSECURITYDESCRIPTOR
krijgt u een voorbeeld van een SDDL-tekenreeks.
-GETSECURITYDESCRIPTOR
Een security descriptor verkrijgen die bij een energie-
instelling, energiebeheerschema of actie hoort.
Syntaxis: POWERCFG -GETSECURITYDESCRIPTOR <GUID|ACTIE>
<GUID> Bepaalt een GUID voor een energiebeheerschema of
energie-instelling.
<ACTIE> Kan een van deze tekenreeksen zijn:
ActionSetActive, ActionCreate, ActionDefault
-REQUESTS
Hiermee kunt u energieaanvragen van toepassingen en
stuurprogramma's inventariseren.
Met energieaanvragen wordt voorkomen dat de computer het
beeldscherm automatisch uitschakelt of de slaapstand voor laag
energieverbruik instelt.
-REQUESTSOVERRIDE
Hiermee stelt u een energieaanvraag in voor een proces, service,
of stuurprogramma. Als er geen parameters zijn opgegeven, wordt
met deze opdracht de huidige lijst met vervangende
energieaanvragen weergegeven.
Syntaxis: POWERCFG -REQUESTSOVERRIDE <TYPE_AANROEPER> <NAAM>
<AANVRAAG>
<TYPE_AANROEPER> Hiermee kunt u een van de volgende aanroeper-
typen opgeven: PROCESS, SERVICE, DRIVER. U kunt deze lijst verkrijgen door de opdracht POWERCFG
-REQUESTS op te geven.
<NAAM> Hiermee geeft u de naam van de aanroeper op.
Dit is de naam die wordt geretourneerd wanneer
de opdracht POWERCFG -REQUESTS wordt gebruikt.
<AANVRAAG> Hiermee kunt u een of meer van de volgende
typen energieaanvragen opgeven: Display, System, Awaymode.
Voorbeeld:
POWERCFG -REQUESTSOVERRIDE PROCESS wmplayer.exe Display
System
-ENERGY
Het systeem analyseren op algemene problemen met
energiezuinigheid en resterende accutijd.
De opdracht ENERGY moet worden gebruikt als de computer niet
actief is en er geen programma's of documenten geopend zijn.
Met de opdracht ENERGY wordt een HTML-rapportbestand
gegenereerd in het huidige pad. Voor de opdracht ENERGY worden
de volgende optionele parameters ondersteund:
Syntaxis: POWERCFG -ENERGY [-OUTPUT <FILENAME>] [-XML]
[-DURATION: <SECONDEN>]
POWERCFG -ENERGY -TRACE [-D: <BESTANDSPAD>]
[-DURATION: <SECONDEN>]
-OUTPUT: <BESTANDSNAAM> - Geef het pad en de bestandsnaam op
voor het HTML-bestand met het
energierapport.
-XML - Het rapportbestand opmaken in XML.
-TRACE - Het systeemgedrag vastleggen en geen
analyse uitvoeren. De traceringsbestanden
gegenereerd in het huidige pad tenzij de
parameter -D is opgegeven.
-D: <BESTANDSPAD> - De map voor de traceringsgegevens opgeven.
Kan alleen worden gebruikt met de
parameter -TRACE.
-DURATION: <SECONDEN> - Het aantal seconden opgeven dat het
systeemgedrag moet worden geobserveerd. De
standaardwaarde is 60 seconden.
-WAKETIMERS
Actieve activeringstimers inventariseren. Als deze optie
is ingeschakeld, wordt het systeem bij het verlopen van een
activeringstimer uit de slaap- of sluimerstand gehaald.
Een tekstbestand afdrukken. PRINT [/D:apparaat] [[station:][pad]bestandsnaam[...]] /D:apparaat Een afdrukapparaat.
De opdrachtprompt cmd.exe wijzigen.
PROMPT [tekst]
tekst Bepaalt een nieuwe prompt.
De prompt kan uit gewone tekens en uit de volgende codes bestaan:
$A & (en-teken)
$B | (sluissymbool)
$C ( (Haakje openen)
$D Huidige datum
$E Escape-teken (ASCII-code 27)
$F ) (Haakje sluiten)
$G > ('groter dan'-teken)
$H Backspace (wist voorgaand teken)
$L < ('kleiner dan'-teken)
$N Huidig station
$P Huidig station en pad
$Q = ('is gelijk'-teken)
$S (spatie)
$T Huidige tijd
$V Windows-versienummer
$_ Naar begin volgende regel
$$ $ (dollarteken)
Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, ondersteunt de opdracht
PROMPT de volgende extra indelingstekens:
$+ nul of meer plustekens (+), afhankelijk van de diepte van de
PUSHD-mapstack. Een teken voor elk niveau dat wordt
gepushed.
$M Geeft de externe naam weer die is gekoppeld aan de huidige
stationsletter of de lege tekenreeks als het huidige station
geen netwerkstation is.
PsExec v1.98 - Execute processes remotely
Copyright (C) 2001-2010 Mark Russinovich
Sysinternals - www.sysinternals.com
PsExec executes a program on a remote system, where remotely executed console
applications execute interactively.
Usage: psexec [\\computer[,computer2[,...] | @file]][-u user [-p psswd][-n s][-l][-s|-e][-x][-i [session]][-c [-f|-v]][-w directory][-d][-<priority>][-a n,n,...] cmd [arguments]
-a Separate processors on which the application can run with
commas where 1 is the lowest numbered CPU. For example,
to run the application on CPU 2 and CPU 4, enter:
"-a 2,4"
-c Copy the specified program to the remote system for
execution. If you omit this option the application
must be in the system path on the remote system.
-d Don't wait for process to terminate (non-interactive).
-e Does not load the specified account's profile.
-f Copy the specified program even if the file already
exists on the remote system.
-i Run the program so that it interacts with the desktop of the
specified session on the remote system. If no session is
specified the process runs in the console session.
-h If the target system is Vista or higher, has the process
run with the account's elevated token, if available.
-l Run process as limited user (strips the Administrators group
and allows only privileges assigned to the Users group).
On Windows Vista the process runs with Low Integrity.
-n Specifies timeout in seconds connecting to remote computers.
-p Specifies optional password for user name. If you omit this
you will be prompted to enter a hidden password.
-s Run the remote process in the System account.
-u Specifies optional user name for login to remote
computer.
-v Copy the specified file only if it has a higher version number
or is newer on than the one on the remote system.
-w Set the working directory of the process (relative to
remote computer).
-x Display the UI on the Winlogon secure desktop (local system
only).
-priority Specifies -low, -belownormal, -abovenormal, -high or
-realtime to run the process at a different priority. Use
-background to run at low memory and I/O priority on Vista.
computer Direct PsExec to run the application on the remote
computer or computers specified. If you omit the computer
name PsExec runs the application on the local system,
and if you specify a wildcard (\\*), PsExec runs the
command on all computers in the current domain.
@file PsExec will execute the command on each of the computers listed
in the file.
program Name of application to execute.
arguments Arguments to pass (note that file paths must be
absolute paths on the target system).
You can enclose applications that have spaces in their name with
quotation marks e.g. psexec \\marklap "c:\long name app.exe".
Input is only passed to the remote system when you press the enter
key, and typing Ctrl-C terminates the remote process.
If you omit a user name the process will run in the context of your
account on the remote system, but will not have access to network
resources (because it is impersonating). Specify a valid user name
in the Domain\User syntax if the remote process requires access
to network resources or to run in a different account. Note that
the password is transmitted in clear text to the remote system.
Error codes returned by PsExec are specific to the applications you
execute, not PsExec.
psfile v1.02 - psfile
Copyright © 2001 Mark Russinovich
Sysinternals
PsFile lists or closes files opened remotely.
Usage: PSFILE [\\RemoteComputer [-u Username [-p Password]]] [[Id | path] [-c]]
-u Specifies optional user name for login to
remote computer.
-p Specifies password for user name.
Id Id of file to print information for or close.
Path Full or partial path of files to match.
-c Closes file identified by file Id.
Omitting a file identifier has PsFile list all files opened remotely.
PsGetSid v1.44 - Translates SIDs to names and vice versa
Copyright (C) 1999-2008 Mark Russinovich
Sysinternals - www.sysinternals.com
Usage: PSGETSID [\\computer[,computer2[,...] | @file] [-u Username [-p Password]]] [account | SID]
-u Specifies optional user name for login to
remote computer.
-p Specifies optional password for user name. If you omit this
you will be prompted to enter a hidden password.
account PsGetSid will report the SID for the specified user account
rather than the computer.
SID PsGetSid will report the account for the specified SID.
computer Direct PsGetSid to perform the command on the remote
computer or computers specified. If you omit the computer
name PsGetSid runs the command on the local system,
and if you specify a wildcard (\\*), PsGetSid runs the
command on all computers in the current domain.
@file PsGetSid will execute the command on each of the computers listed
in the file.
PsInfo v1.77 - Local and remote system information viewer
Copyright (C) 2001-2009 Mark Russinovich
Sysinternals - www.sysinternals.com
PsInfo returns information about a local or remote Windows NT/2000/XP system.
Usage: psinfo [-h] [-s] [-d] [-c [-t delimiter]] [filter] [\\computer[,computer[,..]]|@file [-u Username [-p Password]]]
-u Specifies optional user name for login to
remote computer.
-p Specifies password for user name.
-h Show installed hotfixes.
-s Show installed software.
-d Show disk volume information.
-c Print in CSV format
-t The default delimiter for the -c option is a comma,
but can be overriden with the specified character. Use
"\t" to specify tab.
filter Psinfo will only show data for the field matching the filter.
e.g. "psinfo service" lists only the service pack field.
computer Direct PsInfo to perform the command on the remote
computer or computers specified. If you omit the computer
name PsInfo runs the command on the local system,
and if you specify a wildcard (\\*), PsInfo runs the
command on all computers in the current domain.
@file PsInfo will run against the computers listed in the file
specified.
PsKill v1.15 - Terminates processes on local or remote systems
Copyright (C) 1999-2012 Mark Russinovich
Sysinternals - www.sysinternals.com
Usage: pskill [-t] [\\computer [-u username [-p password]]] <process ID | name>
-t Kill the process and its descendants.
-u Specifies optional user name for login to
remote computer.
-p Specifies optional password for user name. If you omit this
you will be prompted to enter a hidden password.
pslist v1.3 - Sysinternals PsList
Copyright (C) 2000-2012 Mark Russinovich
Sysinternals - www.sysinternals.com
Usage: PSLIST [-d][-m][-x][-t][-s [n] [-r n] [\\computer [-u username][-p password][name|pid]
-d Show thread detail.
-m Show memory detail.
-x Show processes, memory information and threads.
-t Show process tree.
-s [n] Run in task-manager mode, for optional seconds specified.
Press Escape to abort.
-r n Task-manager mode refresh rate in seconds (default is 1).
\\computer Specifies remote computer.
-u Optional user name for remote login.
-p Optional password for remote login. If you don't present
on the command line pslist will prompt you for it if necessary.
name Show information about processes that begin with the name
specified.
-e Exact match the process name.
pid Show information about specified process.
All memory values are displayed in KB.
Abbreviation key:
Pri Priority
Thd Number of Threads
Hnd Number of Handles
VM Virtual Memory
WS Working Set
Priv Private Virtual Memory
Priv Pk Private Virtual Memory Peak
Faults Page Faults
NonP Non-Paged Pool
Page Paged Pool
Cswtch Context Switches
PsLoggedon v1.34 - See who's logged on
Copyright (C) 2000-2010 Mark Russinovich
Sysinternals - www.sysinternals.com
Usage: PSLOGGEDON [-l] [-x] [\\computername]
or PSLOGGEDON [username]
-l Show only local logons
-x Don't show logon times
PsLoglist v2.71 - local and remote event log viewer
Copyright (C) 2000-2009 Mark Russinovich
Sysinternals - www.sysinternals.com
PsLogList dumps event logs on a local or remote NT system.
Usage: psloglist [\\computer[,computer2[,...] | @file] [-u username [-p password]]] [-s [-t delimiter]] [-m #|-n #|-d #|-h #|-w][-c][-x][-r][-a mm/dd/yy][-b mm/dd/yy] [-f filter] [-i ID,[ID,...]] | -e ID,[ID,...]] [-o event source[,event source[,...]]] [-q event source[,event source[,...]]] [[-g|-l] event log file] <event log>
@file Psloglist will execute the command on each of the computers
listed in the file.
-a Dump records timestamped after specified date.
-b Dump records timestamped before specified date.
-c Clear event log after displaying.
-d Only display records from previous n days.
-e Exclude events with the specified ID or IDs (up to 10).
-f Filter event types, using starting letter
(e.g. "-f we" to filter warnings and errors).
-g Export an event log as an evt file.
-h Only display records from previous n hours.
-i Show only events with the specified ID or IDs (up to 10).
-l Dump the contents of the specified saved event log file.
-m Only display records from previous n minutes.
-n Only display n most recent records.
-o Show only records from the specified event source or sources
(e.g. "-o cdrom"). Append '*' to specify substring match.
-p Specifies password for user name.
-q Omit records from the specified event source or sources
(e.g. "-q cdrom").
Append '*' to specify substring match.
-r Dump log from least recent to most recent.
-s Records are listed on one line each with delimited
fields, which is convenient for string searches.
-t The default delimiter for the -s option is a comma,
but can be overriden with the specified character. Use "\t"
to specify tab.
-u Specifies optional user name for login to
remote computer.
-w Wait for new events, dumping them as they generate (local system
only.)
-x Dump extended data.
-z List event logs registered on specified system.
eventlog Specifies event log to dump. Default is system. If the
-l switch is present then the event log name specifies
how to interpret the event log file.
PsPasswd v1.22 - Local and remote password changer
Copyright (C) 2003-2004 Mark Russinovich
Sysinternals - www.sysinternals.com
PsPasswd changes passwords on a local or remote system.
Usage: pspasswd [\\[computer[,computer,[,...]|Domain]|@file] [-u Username [-p Password]]] Username [NewPassword]
computer Direct PsPasswd to perform the command on the remote
computer or computers specified. If you omit the computer
name PsPasswd runs the command on the local system,
and if you specify a wildcard (\\*), PsPasswd runs the
command on all computers in the current domain.
@file PsPasswd will change the password on the computers listed
in the file.
-u Specifies optional user name for login to remote
computer.
-p Specifies optional password for user name. If you omit this
you will be prompted to enter a hidden password.
Username Specifies name of account for password change.
NewPassword New password. If ommitted a NULL password is applied.
PsService v2.24 - Service information and configuration utility Copyright (C) 2001-2010 Mark Russinovich Sysinternals - www.sysinternals.com PsService lists or controls services on a local or remote system. Usage: PSSERVICE [\\Computer [-u Username [-p Password]]] <cmd> <optns> Cmd is one of the following: query Queries the status of a service config Queries the configuration setconfig Sets the configuration start Starts a service stop Stops a service restart Stops and then restarts a service pause Pauses a service cont Continues a paused service depend Enumerates the services that depend on the one specified find Searches for an instance of a service on the network security Reports the security permissions assigned to a service Use the username and password to log into the remote computer in cases where your account does not have permissions to perform the action you specify. Omitting a command queries the active services on the specified computer. Enter -? for help on a particular command.
PsShutdown v2.52 - Shutdown, logoff and power manage local and remote systems
Copyright (C) 1999-2006 Mark Russinovich
Sysinternals - www.sysinternals.com
usage:
psshutdown -s|-r|-h|-d|-k|-a|-l|-o [-f] [-c] [-t [nn|h:m]] [-v nn] [-e [u|p]:xx:yy] [-m "message"] [-u Username [-p password]] [-n s] [\\computer[,computer[,...]|@file]
-a Abort a shutdown (only possible while countdown is in progress)
-c Allow the shutdown to be aborted by the interactive user
-d Suspend the computer
-e Shutdown reason code (available on Windows XP and higher).
Specify 'u' for unplanned and 'p' for planned
shutdown reason codes.
xx is the major reason code (must be less than 256)
yy is the minor reason code (must be less than 65536)
-f Forces running applications to close
-h Hibernate the computer
-k Poweroff the computer (reboot if poweroff is not supported)
-l Lock the computer
-m Message to display to logged on users
-n Specifies timeout in seconds connecting to remote computers
-o Logoff the console user
-p Specifies optional password for user name. If you omit this
you will be prompted to enter a hidden password.
-r Reboot after shutdown
-s Shutdown without poweroff
-t Specifies countdown in seconds until shutdown (default is 20) or
the time of shutdown (in 24 hour notation)
-u Specifies optional user name for login to remote
computer.
-v Display message for the specified number of seconds before
the shutdown. If you omit this parameter the shutdown
notification dialog displays and specifying a value of 0
omits the dialog.
computer Shutdown the computer or computers specified
@file Shutdown the computers listed in the file specified
Reasons defined on this computer (U = unplanned, P = planned):
Type Major Minor Title
U 0 0 Overige (niet gepland)
P 0 0 Overige (gepland)
U 1 1 Hardware: onderhoud (niet gepland)
P 1 1 Hardware: onderhoud (gepland)
U 1 2 Hardware: installatie (niet gepland)
P 1 2 Hardware: installatie (gepland)
U 2 2 Besturingssysteem: herstel (gepland)
P 2 2 Besturingssysteem: herstel (gepland)
P 2 3 Besturingssysteem: upgrade (gepland)
U 2 4 Besturingssysteem: nieuwe configuratie (niet gepland)
P 2 4 Besturingssysteem: nieuwe configuratie (gepland)
P 2 16 Besturingssysteem: servicepack (gepland)
U 2 17 Besturingssysteem: hotfix (niet gepland)
P 2 17 Besturingssysteem: hotfix (gepland)
U 2 18 Besturingssysteem: beveiligingsfix (niet gepland)
P 2 18 Besturingssysteem: beveiligingsfix (gepland)
U 4 1 Toepassing: onderhoud (niet gepland)
P 4 1 Toepassing: onderhoud (gepland)
P 4 2 Toepassing: installatie (gepland)
U 4 5 Toepassing: reageert niet
U 4 6 Toepassing: instabiel
U 5 19 Beveiligingsprobleem
P 5 19 Beveiligingsprobleem
U 5 20 Netwerkverbindingen verbroken (niet gepland)
P 7 0 Afsluiten met oudere API
PsSuspend v1.06 - Process Suspender
Copyright © 2001-2003 Mark Russinovich
Sysinternals
PsSuspend suspends or resumes processes on a local or remote NT system.
Usage: pssuspend [-r] [\\RemoteComputer [-u Username [-p Password]]] <process Id or name>
-r Resume.
-u Specifies optional user name for login to
remote computer.
-p Specifies optional password for user name. If you omit this
you will be prompted to enter a hidden password.
Slaat de actieve map op voor gebruik met de opdracht POPD en schakelt vervolgens naar de opgegeven map. PUSHD [pad | ..] pad Geeft aan welke map de actieve map moet worden. Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, accepteert de opdracht PUSHD ook netwerkpaden, naast een normale stationsletter en pad. Als een netwerkpad wordt opgegeven, wordt een tijdelijke stationsletter gemaakt die wijst naar de opgegeven netwerkbron waarna aan het huidige station en de huidige map de nieuw gedefinieerde stationsletter wordt toegewezen. Bij het toewijzen van tijdelijke stationsletters wordt gezocht naar de eerste ongebruikte stationsletter beginnende bij de Z:.
Syntaxis:
RASDIAL vermelding [gebruikersnaam [wachtwoord|*]] [/DOMAIN:domein]
[/PHONE:telefoonnummer] [/CALLBACK:terugbelnummer]
[/PHONEBOOK:telefoonlijstbestand] [/PREFIXSUFFIX]
RASDIAL [vermelding] /DISCONNECT
RASDIAL
Raadpleeg 'http://go.microsoft.com/fwlink/?LinkId=104288'
voor informatie over onlineprivacy.
Een map verwijderen.
RMDIR [/S] [/Q] [station:]pad
RD [/S] [/Q] [station:]pad
/S Verwijdert naast alle mappen en bestanden in de opgegeven
map ook de map zelf. Deze schakeloptie wordt gebruikt
voor het verwijderen van een mapstructuur.
/Q Stille modus, niet om bevestiging vragen bij het verwijderen van
mapstructuur met /S
Hiermee wordt de Windows Herstelomgeving (WinRE) geconfigureerd.
REAGENTC.EXE [opties]
Hierbij kunnen de volgende bewerkingen worden opgegeven:
/setreimage /path <mapnaam> [/target <mapnaam>] [/bootkey <scancode>]
Hiermee wordt de locatie ingesteld van de WinRE-installatiekopie die door de gebruiker is verschaft.
Met de optionele schakeloptie /target wordt het pad naar de locatie
met de Windows-installatie opgegeven.
Met de schakeloptie /bootkey wordt de scancode voor een
OEM-specifieke startknop opgegeven.
/setosimage [/path <mapnaam> [/target <mapnaam>]] [/customtool]
Met /path wordt de locatie ingesteld van de Setup-bestanden van
het besturingssysteem die door de gebruiker zijn verschaft.
Met de optionele schakeloptie /customtool wordt aangegeven dat een replicatiehulpprogramma in WinRE
is opgegeven.
/info [/target <mapnaam>]
Geeft informatie over de WinRE-configuratie weer.
Met de optionele schakeloptie /target wordt het pad naar de locatie
met de Windows-installatie opgegeven.
/enable
WinRE inschakelen voor automatische failover en automatisch
herstel.
/disable
WinRE uitschakelen voor automatische failover en automatisch
herstel.
/boottore
De BCD configureren zodat deze in de WinRE Herstelomgeving opstart.
REAGENTC.EXE: De bewerking is uitgevoerd
Leesbare informatie van een beschadigde of onbruikbare schijf herstellen. RECOVER [station:][pad]bestandsnaam Raadpleeg Windows Help voordat u de opdracht RECOVER gebruikt.
REG Bewerking [parameterlijst]
Bewerking [ QUERY | ADD | DELETE | COPY |
SAVE | LOAD | UNLOAD | RESTORE |
COMPARE | EXPORT | IMPORT | FLAGS ]
Retourwaarde: (behalve bij REG COMPARE)
0 - geslaagd
1 - mislukt
Typ onderstaande opdracht voor help bij een specifieke bewerking:
REG <bewerking> /?
Voorbeelden:
REG QUERY /?
REG ADD /?
REG DELETE /?
REG COPY /?
REG SAVE /?
REG RESTORE /?
REG LOAD /?
REG UNLOAD /?
REG COMPARE /?
REG EXPORT /?
REG IMPORT /?
REG FLAGS /?
usage: REGINI [-m \\machinename | -h hivefile hiveroot]
[-i n] [-o outputWidth]
[-b] textFiles...
where: -m specifies a remote Windows NT machine whose registry is to be manipulated.
-h specifies a specify local hive to manipulate.
-i n specifies the display indentation multiple. Default is 4
-o outputWidth specifies how wide the output is to be. By default the
outputWidth is set to the width of the console window if standard
output has not been redirected to a file. In the latter case, an
outputWidth of 240 is used.
-b specifies that REGINI should be backward compatible with older
versions of REGINI that did not strictly enforce line continuations
and quoted strings Specifically, REG_BINARY, REG_RESOURCE_LIST and
REG_RESOURCE_REQUIREMENTS_LIST data types did not need line
continuations after the first number that gave the size of the data.
It just kept looking on following lines until it found enough data
values to equal the data length or hit invalid input. Quoted
strings were only allowed in REG_MULTI_SZ. They could not be
specified around key or value names, or around values for REG_SZ or
REG_EXPAND_SZ Finally, the old REGINI did not support the semicolon
as an end of line comment character.
textFiles is one or more ANSI or Unicode text files with registry data.
Some general rules are:
Semicolon character is an end-of-line comment character, provided it
is the first non-blank character on a line
Backslash character is a line continuation character. All
characters from the backslash up to but not including the first
non-blank character of the next line are ignored. If there is more
than one space before the line continuation character, it is
replaced by a single space.
Indentation is used to indicate the tree structure of registry keys
The REGDMP program uses indentation in multiples of 4. You may use
hard tab characters for indentation, but embedded hard tab
characters are converted to a single space regardless of their
position
Values should come before child keys, as they are associated with
the previous key at or above the value's indentation level.
For key names, leading and trailing space characters are ignored and
not included in the key name, unless the key name is surrounded by
quotes. Imbedded spaces are part of a key name.
Key names can be followed by an Access Control List (ACL) which is a
series of decimal numbers, separated by spaces, bracketed by a
square brackets (e.g. [8 4 17]). The valid numbers and their
meanings are:
1 - Administrators Full Access
2 - Administrators Read Access
3 - Administrators Read and Write Access
4 - Administrators Read, Write and Delete Access
5 - Creator Full Access
6 - Creator Read and Write Access
7 - World Full Access
8 - World Read Access
9 - World Read and Write Access
10 - World Read, Write and Delete Access
11 - Power Users Full Access
12 - Power Users Read and Write Access
13 - Power Users Read, Write and Delete Access
14 - System Operators Full Access
15 - System Operators Read and Write Access
16 - System Operators Read, Write and Delete Access
17 - System Full Access
18 - System Read and Write Access
19 - System Read Access
20 - Administrators Read, Write and Execute Access
21 - Interactive User Full Access
22 - Interactive User Read and Write Access
23 - Interactive User Read, Write and Delete Access
If there is an equal sign on the same line as a left square bracket
then the equal sign takes precedence, and the line is treated as a
registry value. If the text between the square brackets is the
string DELETE with no spaces, then REGINI will delete the key and
any values and keys under it.
For registry values, the syntax is:
value Name = type data
Leading spaces, spaces on either side of the equal sign and spaces
between the type keyword and data are ignored, unless the value name
is surrounded by quotes. If the text to the right of the equal sign
is the string DELETE, then REGINI will delete the value.
The value name may be left off or be specified by an at-sign
character which is the same thing, namely the empty value name. So
the following two lines are identical:
= type data
@ = type data
This syntax means that you can't create a value with leading or
trailing spaces, an equal sign or an at-sign in the value name,
unless you put the name in quotes.
Valid value types and format of data that follows are:
REG_SZ text
REG_EXPAND_SZ text
REG_MULTI_SZ "string1" "str""ing2" ...
REG_DATE mm/dd/yyyy HH:MM DayOfWeek
REG_DWORD numberDWORD
REG_BINARY numberOfBytes numberDWORD(s)...
REG_NONE (same format as REG_BINARY)
REG_RESOURCE_LIST (same format as REG_BINARY)
REG_RESOURCE_REQUIREMENTS (same format as REG_BINARY)
REG_RESOURCE_REQUIREMENTS_LIST (same format as REG_BINARY)
REG_FULL_RESOURCE_DESCRIPTOR (same format as REG_BINARY)
REG_QWORD numberQWORD
REG_MULTISZ_FILE fileName
REG_BINARYFILE fileName
If no value type is specified, default is REG_SZ
For REG_SZ and REG_EXPAND_SZ, if you want leading or trailing spaces
in the value text, surround the text with quotes. The value text
can contain any number of imbedded quotes, and REGINI will ignore
them, as it only looks at the first and last character for quote
characters.
For REG_MULTI_SZ, each component string is surrounded by quotes. If
you want an imbedded quote character, then double quote it, as in
string2 above.
For REG_BINARY, the value data consists of one or more numbers The
default base for numbers is decimal. Hexidecimal may be specified
by using 0x prefix. The first number is the number of data bytes,
excluding the first number. After the first number must come enough
numbers to fill the value. Each number represents one DWORD or 4
bytes. So if the first number was 0x5 you would need two more
numbers after that to fill the 5 bytes. The high order 3 bytes
of the second DWORD would be ignored.
Whenever specifying a registry path, either on the command line
or in an input file, the following prefix strings can be used:
HKEY_LOCAL_MACHINE
HKEY_USERS
HKEY_CURRENT_USER
USER:
Each of these strings can stand alone as the key name or be followed
a backslash and a subkey path.
Registers CIM Provider into system Usage: Register-CimProvider.exe -Namespace <NamespaceName> -ProviderName <ProviderName> -Path <ProviderDllPath> [-Impersonation <True or False>] [-Decoupled <SDDL>] [-HostingModel <HostingModel>] [-Localize <locale>] [-NoAutorecover] [-SupportWQL] [-GenerateUnregistration] [-ForceUpdate] [-Verbose] -Namespace <NamespaceName> Specifies the target namespace of the provider. -ProviderName <ProviderName> Specifies the provider name. -Path <ProviderDllPath> Specifies the provider binary path. -Impersonation <True or False> Specifies foldidentity of decoupled provider, by default is True. -Decoupled <SDDL> Registers provider as decoupled and specifies the security descriptor that determines the set of users that can successfully register the provider. -HostingModel <HostingModel> Specifies the HostingModel of coupled provider. -Localize <locale> Localizes the provider with resource of specified locale. -NoAutorecover Doesn't autorecover the provider. -SupportWQL Passes the query expression to the filter. -GenerateUnregistration Generate the uninstall mof for the registration, which is disabled by default. -ForceUpdate Force update the class if it exists in the system. -Verbose Outputs registration log.
Microsoft © Relog.exe (6.1.7601.17514)
Met Relog maakt u nieuwe prestatielogboeken van gegevens in bestaande
prestatielogboeken door de steekproeffrequentie te wijzigen en/of de
bestandsindeling te converteren. Deze opdracht biedt ondersteuning voor alle
indelingen van prestatielogboeken, inclusief gecomprimeerde logboeken van
Windows NT 4.0.
Syntaxis:
RELOG <bestandsnaam [bestandsnaam ...]> [opties]
Parameters:
<bestandsnaam [bestandsnaam ...]> Nieuw in logboek vast te leggen prestatiebestand.
Opties:
-? Contextgevoelige Help weergeven.
-a Uitvoer aan het bestaand binair bestand toevoegen.
-c <path [path ...]> De items die uit het invoerlogboek moeten worden gefilterd.
-cf <bestandsnaam> Een bestand met de prestatiemeteritems die uit het invoerlogboek moeten worden gefilterd. Standaard zijn dit alle items in het
oorspronkelijke logboekbestand.
-f <CSV|TSV|BIN|SQL> Indeling uitvoerbestand.
-t <waarde> Alleen elke zoveelste record naar het uitvoerbestand wegschrijven. Standaard wordt elke record weggeschreven.
-o Pad naar uitvoerbestand of SQL-database.
-b <dd-MM-yyyy HH:mm:ss'> De begintijd voor de eerste record die naar het uitvoerbestand wordt weggeschreven.
-e <dd-MM-yyyy HH:mm:ss'> De eindtijd voor de laatste record die naar het uitvoerbestand wordt weggeschreven.
-config <bestandsnaam> Instellingenbestand met opdrachtopties.
-q De prestatiemeteritems in het invoerbestand weergeven.
-y Alle antwoorden zonder te vragen met ja beantwoorden.
Voorbeelden:
relog logfile.csv -c "\Processor(_Total)\% Processor Time" -o logfile.blg
relog logfile.blg -cf counters.txt -f bin
relog logfile.blg -f csv -o logfile.csv -t 2
relog logfile.blg -q -o counters.txt
Commentaar opnemen in een batchbestand of in het bestand CONFIG.SYS. REM [commentaar]
De naam van een bestand of bestanden wijzigen. RENAME [station:][pad]bestandsnaam1 bestandsnaam2 REN [station:][pad]bestandsnaam1 bestandsnaam2 Opmerking: u kunt geen nieuw station of pad opgeven voor uw doelbestand.
De naam van een bestand of bestanden wijzigen. RENAME [station:][pad]bestandsnaam1 bestandsnaam2 REN [station:][pad]bestandsnaam1 bestandsnaam2 Opmerking: u kunt geen nieuw station of pad opgeven voor uw doelbestand.
Bestanden vervangen.
REPLACE [station1:][pad1]best.naam [station2:][pad2] [/A] [/P] [/R] [/W]
REPLACE [station1:][pad1]best.naam [station2:][pad2] [/P] [/R] [/S] [/W] [/U]
[station1:][pad1]bestandsnaam
Bronbestand(en).
[station2:][pad2] De map waarin de bestanden moeten worden geplaatst.
/A Voegt nieuwe bestanden toe aan de doelmap.
Kan niet worden gebruikt met schakelopties /S en /U.
/P Vraagt om bevestiging voordat een doelbestand wordt
vervangen of een bronbestand wordt toegevoegd.
/R Vervangt naast onbeveiligde bestanden ook alleen-
lezenbestanden.
/S Vervangt bestanden in alle submappen van de doelmap.
Kan niet worden gebruikt met schakeloptie /A.
/W Wacht totdat u een diskette in het station plaatst.
/U Vervangt alleen bestanden die ouder zijn dan bron-
bestanden. Kan niet worden gebruikt met schakeloptie /A.
Een map verwijderen.
RMDIR [/S] [/Q] [station:]pad
RD [/S] [/Q] [station:]pad
/S Verwijdert naast alle mappen en bestanden in de opgegeven
map ook de map zelf. Deze schakeloptie wordt gebruikt
voor het verwijderen van een mapstructuur.
/Q Stille modus, niet om bevestiging vragen bij het verwijderen van
mapstructuur met /S
-------------------------------------------------------------------------------
ROBOCOPY :: Robuust bestanden kopiëren in Windows
-------------------------------------------------------------------------------
Gestart: Sat Nov 02 18:22:55 2013
Syntaxis :: ROBOCOPY bron doel [bestand [bestand]...] [opties]
bron :: Bronmap (station:\pad of \\server\share\pad).
doel :: Doelmap (station:\pad of \\server\share\pad).
bestand :: Te kopiëren bestand(en) (namen/jokertekens: standaardinstelling is "*.*").
::
:: Opties voor kopiëren:
::
/S :: Onderliggende mappen, die niet leeg zijn, kopiëren.
/E :: Onderliggende mappen, inclusief lege mappen, kopiëren.
/LEV:n :: Alleen de bovenste n niveaus van de bronmapstructuur kopiëren.
/Z :: Bestanden in opnieuw startbare modus kopiëren.
/B :: Bestanden in back-upmodus kopiëren.
/ZB :: Opnieuw startbare modus gebruiken; gebruik back-upmodus als toegang is geweigerd.
/EFSRAW :: Alle versleutelde bestanden in EFS RAW-modus kopiëren.
/COPY:vlag(gen):: Wat moet worden gekopieerd voor bestanden (standaardinstelling is /COPY:DAT).
(vlaggen : D=gegevens, A=kenmerken, T=tijdstempels).
(S=beveiliging=NTFS-ACL's, O=eigenaar-info, U=controle-info).
/DCOPY:T :: Tijdstempels van map kopiëren.
/SEC :: Bestanden met beveiliging kopiëren (gelijk aan /COPY:DATS).
/COPYALL :: Alle bestandsinformatie kopiëren (gelijk aan /COPY:DATSOU).
/NOCOPY :: Geen bestandsinformatie kopiëren (handig met /PURGE).
/SECFIX :: Bestandsbeveiliging voor alle bestanden, inclusief overgeslagen bestanden, herstellen.
/TIMFIX :: Bestandstijden voor alle bestanden, inclusief overgeslagen bestanden, herstellen.
/PURGE :: Doelbestanden en/of -mappen die niet meer in bron bestaan, verwijderen.
/MIR :: Een mapstructuur spiegelen (gelijk aan /E én /PURGE).
/MOV :: Bestanden verplaatsen (uit bron verwijderen na het kopiëren).
/MOVE :: Bestanden en mappen verplaatsen (uit bron verwijderen na het kopiëren).
/A+:[RASHCNET] :: De gegeven kenmerken aan de gekopieerde bestanden toevoegen.
/A-:[RASHCNET] :: De gegeven kenmerken van de gekopieerde bestanden verwijderen.
/CREATE :: Alleen mapstructuur en bestanden met lengte nul maken.
/FAT :: Doelbestanden alleen met 8.3 FAT-bestandsnamen maken.
/256 :: Ondersteuning voor zeer lange paden (> 256 tekens) uitschakelen.
/MON:n :: Bron controleren; opnieuw uitvoeren als meer dan n wijzigingen worden gevonden.
/MOT:m :: Bron controleren; opnieuw uitvoeren over m minuten, indien gewijzigd.
/RH:uumm-uumm :: Uren voor uitvoeren; de tijden wanneer nieuwe kopieën mogen worden gestart.
/PF :: Uren voor uitvoeren controleren per bestand (niet per controle).
/IPG:n :: Ruimte tussen pakketten (in ms) om bandbreedte op langzame verbindingen vrij te maken.
/SL :: symbolische koppelingen kopiëren vanuit het doel.
/MT[:n] :: Multithreaded exemplaren maken met n threads (standaard 8).
n moet minstens 1 zijn en mag niet groter zijn dan 128.
Deze optie is incompatibel met de opties /IPG en /EFSRAW.
Uitvoer omleiden met behulp van optie /LOG voor betere prestaties.
::
:: Opties voor bestandsselectie:
::
/A :: Alleen bestanden met het kenmerk Archief kopiëren.
/M :: Alleen bestanden met het kenmerk Archief kopiëren en het kenmerk opnieuw instellen.
/IA:[RASHCNETO] :: Alleen bestanden met de opgegeven kenmerken opnemen.
/XA:[RASHCNETO] :: Bestanden met de opgegeven kenmerken uitsluiten.
/XF best. [best.] :: Bestanden met overeenkomende namen/paden/jokertekens uitsluiten.
/XD mappen [mappen]:: Mappen met overeenkomende namen/paden uitsluiten.
/XC :: Gewijzigde bestanden uitsluiten.
/XN :: Nieuwere bestanden uitsluiten.
/XO :: Oudere bestanden uitsluiten.
/XX :: Extra bestanden en mappen uitsluiten.
/XL :: Alleenstaande bestanden en mappen uitsluiten.
/IS :: Dezelfde bestanden opnemen.
/IT :: Gewijzigde bestanden opnemen.
/MAX:n :: Maximale bestandsgrootte - bestanden groter dan n bytes uitsluiten.
/MIN:n :: Minimale bestandsgrootte - bestanden kleiner dan n bytes uitsluiten.
/MAXAGE:n :: Maximale bestandsleeftijd - bestanden ouder dan n dagen (of datum) uitsluiten.
/MINAGE:n :: Minimale bestandsleeftijd - bestanden nieuwer dan n dagen (of datum) uitsluiten.
/MAXLAD:n :: Maximale datum van laatste toegang - bestanden die niet zijn gebruikt sinds n uitsluiten.
/MINLAD:n :: Minimale datum van laatste toegang - bestanden die zijn gebruikt sinds n uitsluiten.
(Als n groter dan 1900 is, is n = n dagen, anders is n = JJJJMMDD datum).
/XJ :: Koppelingspunten uitsluiten (normaal standaard opgenomen).
/FFT :: FAT-bestandstijden aannemen (gegranuleerdheid van 2 seconden).
/DST :: Compenseren voor tijdsverschillen vanwege zomertijd.
/XJD :: Koppelingspunten voor mappen uitsluiten.
/XJF :: Koppelingspunten voor bestanden uitsluiten.
::
:: Opties voor opnieuw proberen:
::
/R:n :: Aantal nieuwe pogingen voor mislukte kopieën: standaardinstelling is 1 miljoen.
/W:n :: Tijd tussen nieuwe pogingen: standaardinstelling is 30 seconden.
/REG :: /R:n en /W:n als standaardinstellingen in het register opslaan.
/TBD :: Wachten totdat sharenamen zijn opgegeven (fout voor opnieuw proberen 67).
::
:: Opties voor logboekregistratie:
::
/L :: Alleen weergeven; geen bestanden kopiëren, verwijderen of een tijdstempel geven.
/X :: Alle extra, en niet alleen de geselecteerde, bestanden rapporteren.
/V :: Uitgebreide uitvoer, met weergave van overgeslagen bestanden.
/TS :: Tijdstempels van de bronbestanden in de uitvoer opnemen.
/FP :: Volledige padnaam van bestanden in de uitvoer opnemen.
/BYTES :: Grootte als bytes afdrukken.
/NS :: Geen grootte - bestandsgroottes niet in logboek registreren.
/NC :: Geen klasse - bestandsklassen niet in logboek registreren.
/NFL :: Geen bestandslijst - bestandsnamen niet in logboek registreren.
/NDL :: Geen mappenlijst - mapnamen niet in logboek registreren.
/NP :: Geen voortgang - percentage gekopieerd niet weergeven.
/ETA :: Geschatte tijd van aankomst van gekopieerde bestanden weergeven.
/LOG:bestand :: Status in logboekbestand registreren (bestaand logboek overschrijven).
/LOG+:bestand :: Status in logboekbestand registreren (aan bestaand logboek toevoegen).
/UNILOG:bestand :: Status als UNICODE in het logboekbestand registreren (bestaand logboek overschrijven).
/UNILOG+:bestand :: Status als UNICODE in logboekbestand registreren (aan bestaand logboek toevoegen).
/TEE :: Uitvoer naar consolevenster én logboekbestand.
/NJH :: Geen header voor taak.
/NJS :: Geen samenvatting van taak.
/UNICODE :: Status als UNICODE uitvoeren.
::
:: Opties voor taak:
::
/JOB:taaknaam :: Parameters uit opgegeven taakbestand overnemen.
/SAVE:taaknaam :: Parameters in opgegeven taakbestand opslaan.
/QUIT :: Afsluiten na verwerken van opdrachtregel (om de parameters te bekijken).
/NOSD :: Geen bronmap opgegeven.
/NODD :: Geen doelmap opgegeven.
/IF :: De volgende bestanden opnemen.
Netwerkrouteringstabellen manipuleren.
ROUTE [-f] [-p] [-4|-6] opdracht [bestemming]
[MASK netmasker] [gateway] [METRIC metric] [IF interface]
-f Wist alle gatewayvermeldingen uit de routeringtabellen.
Als deze optie wordt gebruikt met een van de opdrachten worden
de tabellen leeggemaakt voordat de opdracht wordt uitgevoerd.
-p Als deze optie samen met de opdracht ADD wordt gebruikt,
wordt de route permanent gemaakt, dat wil zeggen: de route
wordt niet verloren tijdens het herstarten van het systeem.
Standaard blijven routes namelijk niet behouden als het
systeem opnieuw wordt opgestart. Niet geldig voor alle andere
opdrachten, die altijd de specifieke permanente routes
beïnvloeden. Deze optie wordt niet ondersteund in Windows 95.
-4 IPv4 gebruiken.
-6 IPv6 gebruiken.
opdracht Eén van vier mogelijke opdrachten:
PRINT Geeft een route weer
ADD Voegt een route toe
DELETE Verwijdert een route
CHANGE Wijzigt een bestaande route
Doel Bepaalt de host.
MASK Bepaalt dat de volgende parameter de waarde voor netmasker is.
netmask Bepaalt een subnetmaskerwaarde voor deze routevermelding. Als
de waarde niet is opgegeven, wordt 255.255.255.255 gebruikt.
gateway Bepaalt de gateway.
interface Het interfacenummer voor de opgegeven route.
METRIC Bepaalt de metric (kosten) naar het doel.
Alle symbolische namen die voor bestemming worden gebruikt, worden opgezocht
in het netwerkdatabasebestand NETWORKS. De symbolische namen voor de gateway
worden opgezocht in het hostnamen-databasebestand HOSTS.
Als de opdracht PRINT of DELETE is, kunnen jokertekens worden gebruikt
(*) voor de parameters bestemming en gateway. U kunt ook eventueel de
gateway-parameter weglaten.
Als de parameter bestemming een * of ? bevat, wordt deze behandeld als een
shell-patroon en worden alleen overeenkomende routes weergegeven.
Het teken * staat voor een willekeurige tekenreeks en ? voor een willekeurig
teken. Bijvoorbeeld: 157.*.1, 157.*, 127.*, *224*.
De overeenkomsten in patronen worden alleen toegestaan voor de opdracht PRINT.
Diagnostische gegevens:
Een ongeldige MASK zal een foutbericht genereren. Een MASK is ongeldig
wanneer (BESTEMMING & MASK) != BESTEMMING.
Voorbeeld> route ADD 157.0.0.0 MASK 155.0.0.0 157.55.80.1 IF 1
Deze opdracht zal de volgende foutmelding geven:
Kan niet toevoegen aan de route: de opgegeven parameter voor
de mask is ongeldig.
(Bestemming & Mask) != Bestemming.
Voorbeelden:
> route PRINT
> route PRINT -4
> route PRINT -6
> route PRINT 157* .... alleen adressen met 157* afdrukken
> route ADD 157.0.0.0 MASK 255.0.0.0 157.55.80.1 METRIC 3 IF 2
bestemmingˆ ˆmasker ˆgateway metricˆ ˆ
Interfaceˆ
Als IF niet is opgegeven, probeert de opdracht de beste interface voor
een opgegeven gateway te vinden.
> route ADD 3ffe::/32 3ffe::1
> route CHANGE 157.0.0.0 MASK 255.0.0.0 157.55.80.5 METRIC 2 IF 2
CHANGE wordt gebruikt voor het aanpassen van alleen de gateway en/of
metric.
> route DELETE 157.0.0.0
> route DELETE 3ffe::/32
Syntaxis:
rpcping [-t <protocolvolgorde>] [-s <serveradres>] [-e <eindpunt>
|-f <interface-UUID>[,MajorVer]] [-O <Interfaceobject-UUID]
[-i <#_iteraties>] [-u <id van beveiligingspakket>]
[-a <verificatieniveau>] [-N <principal naam van server>]
[-I <verificatie-id>] [-C <mogelijkheden>] [-T <id-tracering>]
[-M <imitatietype>] [-S <server-sid>] [-P <id voor proxyverificatie>]
[-F <RPCHTTP-vlaggen>] [-H <RPC/HTTP-verificatieschema's>]
[-o <bindingsopties>] [-B <servercertificaatonderwerp>]
[-b] [-E] [-q] [-c] [-A <id voor HTTP-proxyverificatie>]
[-U <schema's voor HTTP-proxyverificatie>]
[-r <interval_van_rapportresultaten> [-v <uitgebreid_niveau>] [-d]
Hiermee kunt u een server via RPC pingen. Deze opties zijn mogelijk:
-t <protocolvolgorde> - Te gebruiken protocolvolgorde. Dit kan een van de
standaard RPC-protocolvolgordes zijn - ncacn_ip_tcp, ncacn_np, ncacn_http,
etc. Als dit niet wordt opgegeven, wordt als standaard ncacn_ip_tcp
gebruikt.
-s <serveradres> - Het adres van de server. Als dit niet wordt opgegeven,
wordt de lokale computer gepingd. Bijvoorbeeld: server, server.com,
157.59.244.141
-e <eindpunt> - Het eindpunt dat moet worden gepingd. Als geen eindpunt
wordt opgegeven, wordt de eindpunttoewijzing op de doelcomputer gepingd.
Deze optie kan niet worden gebruikt met optie Interface (-f).
-o <bindingsopties> - De bindingsopties voor RPC Ping. Raadpleeg MSDN
voor meer informatie (RpcStringBindingCompose en RPC over HTTP).
-f <interface-UUID>[,MajorVer] - De interface die moet worden gepingd. Deze
optie is niet worden gebruikt met de Eindpunt (-e) optie. De interface
wordt opgegeven als UUID. Als MajorVer niet wordt opgegeven, wordt versie
1 van de interface gezocht. Als de interface wordt opgegeven, zal rpcping
de eindpunttoewijzing op de doelcomputer vragen om het eindpunt van de
opgegeven interface. De eindpunttoewijzing wordt gevraagd met de opties
die op de opdrachtregel worden opgegeven.
-O <Object UUID> - De object-UUID, als de interface er een heeft
geregistreerd.
-i <#_iteraties> - Aantal aanroepen. Standaard is 1. Deze optie is handig
voor het meten van de verbindingsvertraging als meerdere iteraties worden
opgegeven.
-u <id van beveiligingspakket> - Het beveiligingspakket (beveiligingsprovider)
dat RPC zal gebruiken om de aanroep te doen. Het beveiligingspakket is een
nummer of naam. Als een nummer wordt gebruikt, is dit hetzelfde nummer als
in de API RpcBindingSetAuthInfoEx. De onderstaande tabel geeft de namen
en nummers weer. De namen kunnen hoofd- of kleine letters hebben:
Negotiate - 9, of nego, snego of negotiate
NTLM - 10 of NTLM
SChannel - 14 of SChannel
Kerberos - 16 of Kerberos
Kernel - 20 of Kernel
Als u deze optie opgeeft, dient u het verificatieniveau in te stellen op
iets anders dan 'geen'. Er is geen standaardinstelling voor deze optie.
Als de optie niet wordt opgegeven, zal RPC geen beveiliging gebruiken
tijdens het pingen.
-a <verificatieniveau> - Het verificatieniveau dat moet worden gebruikt.
Mogelijke waarden zijn connect, call, pkt, integrity en privacy. Als
deze optie wordt opgegeven, dient de id van het beveiligingspakket (-u)
ook te worden opgegeven. Er is een standaardinstelling voor deze optie.
Als deze optie niet wordt opgegeven, zal RPC geen beveiliging gebruiken
tijdens het pingen.
-N <principal naam van server> - Dit is de principal naam van een server.
Dezelfde semantiek moet worden gebruikt als het argument ServerPrincName
naar RpcBindingSetAuthInfoEx. Raadpleeg MSDN voor meer informatie over
RpcBidningSetAuthInfoEx. Dit veld kan alleen worden gebruikt als zowel
het verificatieniveau als beveiligingspakket zijn geselecteerd.
-I <verificatie-id> - Hiermee kunt u een andere id opgeven om een verbinding
met de server maken. De id heeft de indeling gebruiker,domein,wachtwoord.
Als de gebruikersnaam, het domein of het wachtwoord speciale tekens
bevatten die door de shell kunnen worden verwerkt, dient u de id in
dubbele aanhalingstekens op te geven. U kunt * als wachtwoord opgeven,
waardoor u wordt gevraagd om het wachtwoord op te geven, zonder dit op
het scherm weer te geven. Als dit veld niet wordt opgegeven, wordt de id
van de aangemelde gebruiker gebruikt. Dit veld kan alleen worden gebruikt
als zowel het verificatieniveau en beveiligingspakket zijn geselecteerd.
-C <mogelijkheden> - Een hexadecimaal bitmasker van vlaggen. Het heeft
dezelfde mening als het veld Capabilities (Mogelijkheden) in de structuur
RPC_SECURITY_QOS, zoals beschreven in MSDN. Dit veld kan alleen worden
gebruikt als zowel het verificatieniveau als beveiligingspakket zijn
geselecteerd.
-T <id-tracering> - Deze kan statisch of dynamisch zijn. Als dit niet wordt
opgegeven, wordt dynamisch standaard gebruikt. Dit veld kan alleen worden
gebruikt als zowel het verificatieniveau als beveiligingspakket zijn
geselecteerd.
-M <imitatietype> - Dit kan een van de volgende opties zijn: anonymous,
identify, impersonate of delegate. Standaardinstelling is impersonate.
Dit veld kan alleen worden gebruikt als zowel het verificatieniveau als
beveiligingspakket zijn geselecteerd.
-S <server-sid> - De verwachte SID van de server. Raadpleeg het veld Sid
in de structuur RPC_SECURITY_QOS in MSDN. Voor deze optie is
Windows Server 2003 of nieuwer vereist. Dit veld kan alleen worden
gebruikt als zowel het verificatieniveau als beveiligingspakket zijn
geselecteerd.
-P <id voor proxyverificatie> - Dit is de id die moet worden gebruikt voor
verificatie bij de RPC/HTTP-proxy. Deze id heeft dezelfde indeling als
de optie -I. U dient ook de velden beveiligingspakket (-u),
verificatieniveau (-a) en verificatieschema's (-H) op te geven om deze
optie te kunnen gebruiken.
-F <RPCHTTP-vlaggen> - De vlaggen die moeten worden doorgegevn voor RPC/HTTP-
voorzijdeverificatie. De vlaggen kunnen als nummers of namen worden
opgegeven. De vlaggen die momenteel worden herkend zijn:
SSL gebruiken - 1 of ssl of use_ssl
Eerste verificatieschema gebruiken - 2 of first of use_first
Raadpleeg het veld Flags (vlaggen) in RPC_HTTP_TRANSPORT_CREDENTIALS
voor meer informatie. U dient ook de velden beveiligingspakket (-u) en
verificatieniveau (-a) op te geven om deze optie te kunnen gebruiken.
-H <RPC/HTTP-verificatieschema's> - De verificatieschema's die moeten worden
gebruikt voor RPC/HTTP-voorzijdeverificatie. Deze optie is een lijst met
numerike waarden of namen, gescheiden door komma's. Bijvoorbeeld: Basic,
NTLM. Herkende waarden zijn:
Basic - 1 of Basic
NTLM - 2 of NTLM
Certificaat - 65536 of Cert
(namen kunnen in kleine of hoofdletters worden geschreven)
U dient ook de velden beveiligingspakket (-u) en verificatieniveau (-a)
op te geven om deze optie te kunnen gebruiken.
-B <servercertificaatonderwerp> - Het servercertificaatonderwerp. Raadpleeg
voor meer informatie het veld ServerCertificateSubject in de structuur
RPC_HTTP_TRANSPORT_CREDENTIALS in MSDN. U dient SSL te gebruiken voor
deze optie. U dient ook de velden beveiligingspakket (-u) en
verificatieniveau (-a) op te geven om deze optie te kunnen gebruiken.
-b - Hiermee wordt het servercertificaatonderwerp opgehaald uit het
certificaat dat door de server wordt verzonden, en vervolgens op het
scherm afgedrukt of in een logboekbestand opgeslagen. Deze optie is
alleen geldig als de opties Alleen proxy-echo (-E) en SSL gebruiken zijn
opgegeven. U dient ook de velden beveiligingspakket (-u) en
verificatieniveau (-a) op te geven om deze optie te kunnen gebruiken.
-R - Hiermee wordt de HTTP-proxy opgegeven. De waarde 'none' betekent dat geen
HTTP-proxy wordt gebruikt, maar de RPC-proxy rechtstreeks wordt
geprobeerd. De waarde 'default' betekent dat de IE-instellingen voor de
clientcomputer worden gebruikt. Elke andere waarde wordt gezien als een
expliciete HTTP-proxy. Als u deze vlag niet opgeeft, wordt de
standaardwaarde (het controleren van de IE-instellingen) gebruikt. Deze
vlag is alleen geldig als de vlag -E (Alleen echo) is ingeschakeld.
-E - Hiermee wordt de ping beperkt tot de RPC/HTTP-proxy. De ping bereikt de
server niet. Deze optie is handig als u probeert te bepalen of de
RPC/HTTP-proxy bereikbaar is. U dient ook de velden beveiligingspakket
(-u) en verificatieniveau (-a) op te geven als u deze optie wilt
gebruiken. Gebruik de vlag -R als u een HTTP-proxy wilt opgeven. Als een
HTTP-proxy in de vlag -o is opgegeven, wordt deze optie genegeerd.
-q - stille modus. Hiermee wordt niets gevraagd, behalve wachtwoorden. 'J'
wordt als antwoord op alle vragen gegeven. Wees voorzichtig met deze
optie.
-c - Smartcardcertificaat gebruiken. De gebruiker wordt gevraagd om een
smartcard te selecteren.
-A <id voor HTTP-proxyverificatie> - Hiermee wordt de id opgegeven voor
verificatie bij de HTTP-proxy. Dezelfde indeling als de optie -I. U
dient ook de velden verificatieschema's (-U), beveiligingspakket (-u)
en verificatieniveau (-a) op te geven als u deze optie wilt gebruiken.
-U <schema's voor HTTP-proxyverificatie> - De verificatieschema's die moeten
worden gebruikt voor HTTP-proxyverificatie. Deze optie is een lijst met
numerieke waardes of namen, gescheiden door komma's. Bijvoorbeeld: Basic,
NTLM. Herkende waardes zijn:
Basic - 1 of Basic
NTLM - 2 of NTLM
(Namen kunnen met kleine of hoofdletters worden opgegeven)
U dient u de velden beveiligingspakket (-u) en verificatieniveau (-a) op
te geven als u deze optie wilt gebruiken.
-r <interval_van_rapportresultaten> - als meerdere iteraties zijn opgegeven,
worden met deze optie de huidige uitvoeringsstatistieken periodiek
weergegeven, in plaats van na de laatste aanroep. De rapportinterval wordt
in seconden opgegeven, en de standaardwaarde is 15.
-v <uitgebreid_niveau> - hiermee wordt bepaald hoe uitgebreid de uitvoer moet
zijn. Standaardwaarde is 1. 2 en 3 bieden meer uitvoer van rpcping.
-d - Diagnostische gebruikersinterface voor RPC-netwerken starten
Bijvoorbeeld: proberen uit te vinden of de Exchange-server, waarmee verbinding
wordt gemaakt via RPC/HTTP, bereikbaar is:
rpcping -t ncacn_http -s Exchange-server -o RpcProxy=voorzijdeproxy
-P "gebruikersnaam,domein,*" -H Basic -u NTLM -a connect -F 3
Geef het wachtwoord op als u hierom wordt gevraagd. Exchange-server is de
naam van de Exchange-server, voorzijdeproxy is de naam van de proxy,
gebruikersnaam en domein is de gebruikersnaam en het domein zoals u dit in
Outlook opgeeft. De andere parameters vragen rpcping om de Exchange-server te
pingen, op dezelfde manier als Outlook met een typisch profiel verbinding zou
maken.
-p - Vragen om referenties als de verificatie mislukt.
FOUT: onbekende opdracht
BESCHRIJVING:
SC is een opdrachtregelprogramma dat wordt gebruikt voor communicatie
met Servicebeheer en services.
Syntaxis:
sc <server> [opdracht] [servicenaam] <optie1> <optie2>...
De optie <server> heeft de notatie '\\Servernaam'
Als u meer hulp wilt bij opdrachten, typt u: 'sc [opdracht]'
Opdrachten:
query-----------De status van een service opvragen of
de status van typen services inventariseren.
queryex---------De uitgebreide status van een service opvragen of
de status van typen services inventariseren.
start-----------Een service starten.
pause-----------De besturingsopdracht PAUSE naar een service sturen.
interrogate-----De besturingsopdracht INTERROGATE naar een service
sturen.
continue--------De besturingsopdracht CONTINUE naar een service
sturen.
stop------------De aanvraag STOP naar een service sturen.
config----------De configuratie van een service wijzigen
(definitief).
description-----De beschrijving van een service wijzigen.
failure---------De acties van de service bij een fout wijzigen.
failureflag-----De foutacties-vlag van een service wijzigen.
sidtype---------Het service- SID -type van een service wijzigen.
privs-----------De vereiste bevoegdheden van een service wijzigen.
qc--------------De configuratiegegevens van een service opvragen.
qdescription----De beschrijving van een service opvragen.
qfailure--------De acties van een service bij een fout opvragen.
qfailureflag----De foutactie-vlag van een service opvragen.
qsidtype--------Het service- SID -type van een service opvragen.
qprivs----------De vereiste bevoegdheden van een service opvragen.
qtriggerinfo----De activeringsparameters van een service opvragen.
qpreferrednode--Het NUMA -voorkeursknooppunt van een service opvragen.
delete----------Een service verwijderen (uit het register).
create----------Een service maken (toevoegen aan het register).
control---------Een besturingselement naar een service sturen.
sdshow----------De security descriptor van een service bekijken.
sdset-----------De security descriptor van een service instellen.
showsid---------De service- SID die bij een arbitraire naam hoort,
weergeven.
triggerinfo----De activeringsparameters van een service configureren.
preferrednode--Het NUMA -voorkeursknooppunt van een service instellen.
GetDisplayName--De weergavenaam ( DisplayName ) van een service ophalen.
GetKeyName------De sleutelnaam van de service (ServiceKeyName) ophalen.
EnumDepend------De serviceafhankelijkheden inventariseren.
Bij de volgende opdrachten hoeft u geen servicenaam op te geven:
sc <server> <opdracht> <optie>
boot------------(ok | bad) Aangeven of de laatste opstartactie moet
worden opgeslagen als de laatst bekende juiste
opstartconfiguratie.
Lock------------De servicedatabase vergrendelen.
QueryLock-------De vergrendelingsstatus (LockStatus) van de SCManager-database
opvragen.
Voorbeeld:
sc start MijnService
Wilt u Help-informatie weergeven voor de QUERY - en QUERYEX -opdrachten?
[ y | n ]:
SCHTASKS /parameter [argumenten]
Beschrijving:
Hiermee kan een administrator geplande taken op een lokaal of extern
systeem maken, verwijderen, opvragen, uitvoeren en beëindigen.
Parameterlijst:
/Create Nieuwe geplande taak maken.
/Delete Geplande taken verwijderen.
/Query Alle geplande taken weergeven.
/Change Eigenschappen van een geplande taak wijzigen.
/Run De geplande taak op aanvraag uitvoeren.
/End Huidige taak die wordt uitgevoerd stoppen.
/ShowSid De beveilings-id weergeven die overeenkomt met de naam
van een geplande taak.
/? Dit helpbericht weergeven.
Examples:
SCHTASKS
SCHTASKS /?
SCHTASKS /Run /?
SCHTASKS /End /?
SCHTASKS /Create /?
SCHTASKS /Delete /?
SCHTASKS /Query /?
SCHTASKS /Change /?
SCHTASKS /ShowSid /?
Syntaxis: SDBINST [-?] [-q] [-u] [-g] [-p] [-n[:WIN32|WIN64]] myfile.sdb | {guid} |
'naam'
-? Deze Help-tekst weergeven.
-p SDBs met patches toestaan.
-q Stille modus: waarschuwingen worden automatisch geaccepteerd.
-u Installatie ongedaan maken.
-g {guid} - GUID van bestand (alleen installatie ongedaan maken).
-n 'naam' - Interne naam van bestand (alleen installatie ongedaan maken).
De syntaxis van deze opdracht is: secedit [/configure | /analyze | /import | /export | /validate | /generaterollback]
CMD.EXE omgevingsvariabelen instellen, verwijderen of weergeven.
SET [variabele=[tekenreeks]]
variabele De naam van de omgevingsvariabele.
tekenreeks Een reeks tekens die u aan de variabele wilt toewijzen.
SET zonder parameters geeft de huidige omgevingsvariabelen weer.
Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert de opdracht SET
als volgt:
Als de opdracht SET wordt aangeroepen met alleen een variabele-naam,
zal deze de waarde weergeven van alle variabelen waarvan het voorvoegsel
overeenkomt met de naam die is gegeven aan de opdracht SET. Bijvoorbeeld:
SET P
geeft alle variabelen weer die beginnen met de letter P.
De opdracht SET stelt het ERRORLEVEL in op 1 als de variabele-naam
niet wordt gevonden in de actieve omgeving.
Als u de opdracht SET gebruikt, kunt u een is-gelijkteken (=) niet
gebruiken in de naam van een variabele.
Twee nieuwe schakelopties zijn toegevoegd aan de opdracht SET:
SET /A expressie
SET /P variabele=[promptString]
Schakeloptie /A bepaalt dat de tekenreeks rechts van het is-gelijkteken een
numerieke expressie is die wordt geëvalueerd. De expressie-evaluator is
vrij eenvoudig en ondersteunt de volgende bewerkingen, in aflopende volgorde
van voorrang:
() - groepering
* / % - rekenkundige operators
+ - - rekenkundige operators
<< >> - logische verschuiving
& - And per bit
ˆ - Uitsluitende Or per bit
| - Or per bit
= *= /= %= += -= - toewijzing
&= ˆ= |= <<= >>=
, - expressie-scheidingsteken
Als u een van de logische of modulus-operators gebruikt, dient u de
expressietekenreeks tussen aanhalingstekens te zetten. Alle niet-numerieke
tekenreeksen in de expressie worden behandeld als omgevingsvariabele-namen
waarvan de waarden worden omgezet naar nummers voordat ze worden gebruikt.
Als een omgevingsvariabele-naam is opgegeven, maar niet in de actieve
omgeving is gedefinieerd, wordt de waarde nul gebruikt. Hierdoor kunt u
rekenen met omgevingsvariabele-waarden zonder alle %-tekens te hoeven
typen om de waarden op te halen. Als /A wordt uitgevoerd vanaf de
opdrachtregel buiten het opdrachtscript om, wordt de laatste waarde van
de expressie weergegeven. De toewijzingsoperator vereist een
omgevingsvariabele-naam links van de toewijzingsoperator. Numerieke
waarden zijn decimale getallen, tenzij ze worden voorafgegaan door 0x voor
hexadecimale getallen en 0 voor octale getallen. Dus 0x12 is hetzelfde als
18 of 022. Opmerking: de octale notatie kan verwarrend zijn: 08 en 09 zijn
geen geldige getallen omdat 8 en 9 geen geldige octale cijfers zijn.
De schakeloptie /P biedt u de mogelijkheid om de waarde van een variabele
in te stellen op een regel van opgegeven invoer door de gebruiker. De
opgegeven promptString wordt weergegeven voordat de invoerregel wordt
gelezen. De promptString kan leeg zijn.
Vervanging van omgevingsvariabelen is als volgt verbeterd:
%PATH:str1=str2%
zal de omgevingsvariabele PATH uitbreiden, waarbij elke 'str1' in het
uitgebreide resultaat wordt vervangen door 'str2'. 'Str2' kan een lege
tekenreeks zijn om alle voorkomende 'str1'-tekenreeksen te verwijderen uit
de uitgebreide uitvoer. 'str1' kan beginnen met een sterretje, zodat deze
tekenreeks overeenkomt met alles vanaf het begin van de uitgebreide uitvoer
tot de eerste keer dat het resterende gedeelte van str1 voorkomt.
U kunt ook subtekenreeksen opgeven voor een uitbreiding.
%PATH:~10,5%
zal de omgevingsvariabele PATH uitbreiden en dan alleen de eerste 5
tekens gebruiken die beginnen op het elfde teken (offset 10) van het
uitgebreide resultaat. Als de lengte niet wordt opgegeven, wordt de
rest van de variabele-waarde als standaard gebruikt. Als een van de
cijfers (offset of lengte) negatief is, is het nummer dat wordt gebruikt
de lengte van de waarde van de omgevingsvariabele, toegevoegd aan de
opgegeven offset of lengte.
%PATH:~-10%
zal de laatste 10 tekens van de variabele PATH ophalen.
%PATH:~0,-2%
zal alles behalve de laatste twee tekens van de variabele PATH ophalen.
Ten slotte is ondersteuning voor vertraagde uitbreiding van
omgevingsvariabele toegevoegd. Ondersteuning hiervoor is standaard
altijd uitgeschakeld, maar kan worden ingeschakeld/uitgeschakeld via
opdrachtregelparameter /V bij CMD.EXE. Zie hiervoor CMD /?
Vertraagde uitbreiding van omgevingsvariabele is handig voor het omzeilen
van beperkingen van de huidige uitbreiding die optreedt als een regel
tekst wordt gelezen, en niet als deze regel wordt uitgevoerd. Het volgende
voorbeeld geeft het probleem met directe variabele-uitbreiding weer:
set VAR=ervoor
if "%VAR%" == "ervoor" (
set VAR=erna;
if "%VAR%" == "erna" @echo Het werkt als u dit ziet
)
Bovenstaand voorbeeld zal het bericht nooit laten zien omdat %VAR% in
BEIDE IF-opdrachten wordt vervangen als de eerste IF-opdracht wordt gelezen,
omdat deze logisch gezien de inhoud van de IF insluit, wat een samengestelde
opdracht is. Dus de IF binnen de samengestelde opdracht vergelijkt in
werkelijkheid 'voorheen' met 'erna', wat nooit gelijk zal zijn. Ook het
volgende voorbeeld zal niet als verwacht werken:
set LIST=
for %i in (*) do set LIST=%LIST% %i
echo %LIST%
Hiermee wordt GEEN lijst met bestanden in de actieve map samengesteld,
maar wordt alleen de variabele LIST ingesteld op het laatste gevonden
bestand. Ook hier komt dat omdat de %LIST% slechts één keer wordt
uitgebreid als de FOR-opdracht wordt gelezen, en op dat moment is de
variabele LIST leeg. Dus de eigenlijke FOR-lus die wordt uitgevoerd, is:
for %i in (*) do set LIST= %i
waarmee alleen LIST wordt ingesteld op het laatste gevonden bestand.
Met vertraagde uitbreiding van omgevingsvariabele kunt u een ander
teken (het uitroepteken) gebruiken om omgevingsvariabelen uit te breiden
tijdens uitvoering. Als vertraagde uitbreiding van variabelen is
ingeschakeld, kunnen bovenstaande voorbeelden als volgt worden herschreven
om te werken zoals bedoeld:
set VAR=ervoor
if "%VAR%" == "ervoor" (
set VAR=erna
if "!VAR!" == "erna" @echo Het werkt als u dit ziet
)
set LIST=
for %i in (*) do set LIST=!LIST! %i
echo %LIST%
Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, zijn er verschillende
dynamische omgevingsvariabelen die kunnen worden uitgebreid maar die
niet voorkomen in de lijst met variabelen, zoals weergegeven
door SET. Deze variabele-waarden worden elke keer dynamisch berekend
als de variabele wordt uitgebreid. Als de gebruiker expliciet een
variabele definieert met een van deze namen, zal die definitie de
onderstaande dynamische variabelen negeren:
%CD% - uitbreiden naar de actieve maptekenreeks.
%DATE% - uitbreiden naar huidige datum met dezelfde indeling als de opdracht
DATE.
%TIME% - uitbreiden naar huidige tijd met dezelfde indeling als de opdracht
TIME.
%RANDOM% - uitbreiden naar een willekeurig decimaal getal tussen 0 en 32767.
%ERRORLEVEL% - uitbreiden naar de actieve ERRORLEVEL-waarde.
%CMDEXTVERSION% - uitbreiden naar het actieve versienummer van
opdracht-pocessorextensies.
%CMDCMDLINE% - uitbreiden naar de oorspronkelijke opdrachtregel die
de Opdrachtprocessor heeft aangeroepen.
%HIGHESTNUMANODENUMBER% - uitbreiden naar het hoogste NUMA-knooppuntnummer
op deze computer.
Begint lokalisatie van omgevingswijzigingen in een batchbestand.
Omgevingswijzigingen die zijn gemaakt nadat SETLOCAL is uitgegeven, zijn
alleen geldig binnen het batchbestand. Als het einde van een batchscript
is bereikt, wordt een ENDLOCAL uitgevoerd voor alle resterende SETLOCAL-
opdrachten die zijn uitgegeven door het batchscript.
SETLOCAL
Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert SETLOCAL als volgt:
Batchopdracht SETLOCAL accepteert nu optionele argumenten:
ENABLEEXTENSIONS / DISABLEEXTENSIONS
schakelt opdrachtprocessorextensies in of uit. Deze
argumenten hebben een hogere prioriteit dan de schakelopties
CMD /E:ON of /E:OFF.
Zie CMD /? voor details.
ENABLEDELAYEDEXPANSION / DISABLEDELAYEDEXPANSION
schakelt vertraagde uitbreiding van omgevingsvariabele
in of uit. Deze argumenten hebben een hogere prioriteit dan de
schakelopties CMD /V:ON of /V:OFF.
Zie CMD /? voor details.
Deze wijzigingen blijven van toepassing tot de overeenkomende opdracht
ENDLOCAL, ongeacht de instelling ervan vóór de opdracht SETLOCAL.
Opdracht SETLOCAL zal de waarde ERRORLEVEL instellen als hieraan een
argument is gegeven. Het zal nul zijn als een van de twee geldige argumenten
is gegeven en één indien dit niet het geval is. U kunt dit in batchscripts
gebruiken om te bepalen of de extensies beschikbaar zijn, via de volgende
methode:
VERIFY OTHER 2>nul
SETLOCAL ENABLEEXTENSIONS
IF ERRORLEVEL 1 echo Kan extensies niet inschakelen
Dit zal werken omdat SETLOCAL bij oude versies van CMD.EXE de waarde
ERRORLEVEL NIET instelt. De opdracht VERIFY met een ongeldig argument
initialiseert de waarde ERRORLEVEL op een waarde niet-nul.
Sets the version number that MS-DOS reports to a program.
Display current version table: SETVER [drive:path]
Add entry: SETVER [drive:path] filename n.nn
Delete entry: SETVER [drive:path] filename /DELETE [/QUIET]
[drive:path] Specifies location of the SETVER.EXE file.
filename Specifies the filename of the program.
n.nn Specifies the MS-DOS version to be reported to the program.
/DELETE or /D Deletes the version-table entry for the specified program.
/QUIET Hides the message typically displayed during deletion of
version-table entry.
SetX kan op drie manieren werken:
Syntaxis 1:
SETX [/S computer [/U [domein\]gebruiker [/P [wachtwoord]]]] var waarde [/M]
Syntaxis 2:
SETX [/S computer [/U [domein\]gebruiker [/P [wachtwoord]]]]
var /K registerpad [/M]
Syntaxis 3:
SETX [/S computer [/U [domein\]gebruiker [/P [wachtwoord]]]]
/F bestand {var {/A x,y | /R x,y tekenreeks}[/M] | /X}
[/D beperkingen]
Beschrijving:
Hiermee worden omgevingsvariabelen in de gebruikers- of
systeemomgeving gemaakt of gewijzigd. Kan variabelen instellen
op basis van argumenten, registersleutels of bestandsinvoer.
Parameterlijst:
/S computer Het systeem waarmee verbinding wordt gemaakt
/U [domein\]gebruiker
Bepaalt de gebruikerscontext waarin de
opdracht moet worden uitgevoerd.
/P [wachtwoord] Het wachtwoord voor de opgegeven gebruikers-
context. Vraagt om invoer indien overgeslagen.
var De omgevingsvariabele die wordt ingesteld.
waarde De waarde die wordt toegewezen aan de
omgevingsvariabele.
/K regpath Geeft aan dat de variabele is gebaseerd op
informatie in een registersleutel.
Het pad dient in de volgende indeling te worden
opgegeven onderdeel\sleutel\...\waarde.
HKEY_LOCAL_MACHINE\System\CurrentControlSet\
Control\TimeZoneInformation\StandardName.
/F bestand Geeft de bestandsnaam aan van het tekstbestand dat
dient te worden gebruikt.
/A x,y Hiermee worden absolute bestandscoördinaten
(regel X, item Y) als zoekparameters opgegeven
voor zoeken in het bestand.
/R x,y string Hiermee worden relatieve bestandscoördinaten
t.o.v. 'string' als zoekparameters opgegeven
/M Geeft aan dat de variabele moet worden ingesteld
in de systeemomgeving (HKEY_LOCAL_MACHINE)
De standaardinstelling is de variabele in
de HKEY_CURRENT_USER-
omgeving.
/X Geeft de bestandsinhoud met x,y-coördinaten weer.
/D delimiters Hiermee worden extra delimiters zoals ','
of '\' opgegeven. De ingebouwde delimiters zijn
spatie, tab, regeleinde, en linefeed. Elk
ASCII-teken kan als een extra delimiter worden
gebruikt. Het maximum aantal delimiters,
inclusief de ingebouwde, is 15.
/? Dit helpbericht weergeven.
Opmerkingen:
1) SETX schrijft variabelen naar de hoofdomgeving in het register.
2) Op een lokaal systeem zijn variabelen die met dit hulp-
programma worden gemaakt of aangepast, beschikbaar in
het huidige opdrachtpromptvenster.
3) Op een extern systeem zijn variabelen die met dit hulpprogramma
worden gemaakt of gewijzigd beschikbaar bij de volgende
aanmelding.
4) Geldige gegevenstypes voor de registersleutel zijn REG_DWORD,
REG_EXPAND_SZ,
REG_SZ, REG_MULTI_SZ.
5) Ondersteunde onderdelen: HKEY_LOCAL_MACHINE (HKLM),
HKEY_CURRENT_USER (HKCU).
6) Markeringen zijn hoofdlettergevoelig.
7) REG_DWORD-waarden worden in decimalen uit het register
opgehaald.
Voorbeelden:
SETX MACHINE COMPAQ
SETX MACHINE "COMPAQ COMPUTER" /M
SETX MYPATH "%PATH%"
SETX MYPATH ~PAD~
SETX /S computer /U gebruiker /P wachtwoord MACHINE COMPAQ
SETX /S computer /U gebruiker /P wachtwoord MYPATH ˆ%PATHˆ%
SETX TZONE /K HKEY_LOCAL_MACHINE\System\CurrentControlSet\
Control\TimeZoneInformation\StandardName
SETX BUILD /K "HKEY_LOCAL_MACHINE\Software\Microsoft\Windows
NT\CurrentVersion\CurrentBuildNumber" /M
SETX /S computer /U gebruiker /P wachtwoord TZONE /K HKEY_LOCAL_MACHINE\
System\CurrentControlSet\Control\TimeZoneInformation\
StandardName
SETX /S computer /U gebruiker /P wachtwoord BUILD /K
"HKEY_LOCAL_MACHINE\Software\Microsoft\Windows NT\
CurrentVersion\CurrentBuildNumber" /M
SETX /F ipconfig.out /X
SETX IPADDR /F ipconfig.out /A 5,11
SETX OCTET1 /F ipconfig.out /A 5,3 /D "#$*."
SETX IPGATEWAY /F ipconfig.out /R 0,7 Gateway
SETX /S computer /U gebruiker /P wachtwoord /F c:\ipconfig.out /X
Microsoft (R) Windows (R) Broncontrole, versie 6.0
Copyright (c) 2006 Microsoft Corporation. Alle rechten voorbehouden.
Hiermee wordt de integriteit van alle beveiligde systeembestanden
gecontroleerd en worden ongeldige versies vervangen door geldige Microsoft-
versies.
SFC [/SCANNOW] [/VERIFYONLY] [/SCANFILE=<bestand>] [/VERIFYFILE=<bestand>]
[/OFFWINDIR=<offline Windows-map> /OFFBOOTDIR=<offline opstartmap>]
/SCANNOW De integriteit van alle beveiligde systeembestanden
controleren, en de bestanden met problemen indien mogelijk
herstellen.
/VERIFYONLY De integriteit van alle beveiligde systeembestanden
controleren. Geen herstelbewerkingen worden uitgevoerd.
/SCANFILE De integriteit van het bestand waarnaar wordt verwezen
controleren, en dit bestand herstellen als problemen zijn
gevonden. Geef volledig pad <bestand> op.
/VERIFYFILE De integriteit van het bestand met volledig pad <bestand>
controleren. Geen herstelbewerking wordt uitgevoerd.
/OFFBOOTDIR De locatie van de offline opstartmap, voor offline herstellen,
opgeven.
/OFFWINDIR De locatie vna de offline Windows-map, voor offline
herstellen, opgeven.
Voorbeelden:
sfc /SCANNOW
sfc /VERIFYFILE=c:\windows\system32\kernel32.dll
sfc /SCANFILE=d:\windows\system32\kernel32.dll /OFFBOOTDIR=d:\
/OFFWINDIR=d:\windows
svc /VERIFYONLY
Wijzigt de positie van een vervangbare parameter in een batchbestand.
SHIFT [/n]
Als opdrachtextensies worden ingeschakeld, ondersteunt de opdracht
SHIFT de schakeloptie /n, waardoor de opdracht begint met het
verplaatsen vanaf het x-de argument, waarbij x een waarde van
0 t/m 8 is. Bijvoorbeeld:
SHIFT /2
verplaatst %3 naar %2, %4 naar %3 etc, waarbij %0 en %1 niet
worden beïnvloed.
shortcut: [-? -h -f -c -r -s] [[-t] target [[-n] name]] [-d working directory]
[-a Arguments] [-i Iconfile] [-x Icon index] [-u {all|[natdix]}]
[-l logfile]
-? -h This help
-f Force overwrite of an existing short cut
-c Change existing shortcut
-s Make shortcut non tracking (Stupid)
-r Resolve broken shortcut
-t target Specifies the target of the shortcut
-n name Specifies the file name of the shortcut file
-d directory Specifies the directory name to start the application in
-a arguments Specifies the arguments passed when the shortcut is used
-i iconfile Specifiles the file the icon is in
-x index Specifies the index into the icon file
-u [spec] Dumps the contents of a shortcut. 'all' is the same as 'natdix'
but the letters of 'natdix' can be specified to display specific
fields in the shortcut (repeats allowed, and order followed)
-l logfile record error messages in specified file
Syntaxis: SHUTDOWN [/i | /l | /s | /r | /g | /a | /p | /h | /e] [/f]
[/m \\computer][/t xxx][/d [p|u:]xx:yy [/c "opmerking"]]
No args Help weergeven. Dit komt overeen met de schakeloptie /?.
/? Help weergeven. Dit komt overeen met het weglaten van
alle schakelopties.
/i De grafische gebruikersinterface weergeven.
Dit moet de eerste schakeloptie zijn.
/l Afmelden. Deze schakeloptie kan niet samen met de
opties /m en /d worden gebruikt.
/s De computer afsluiten.
/r De computer afsluiten en opnieuw opstarten.
/g Computer afsluiten en opnieuw opstarten. Start geregistreerde
toepassingen opnieuw nadat de computer opnieuw is opgestart.
/a Afsluiten van de computer afbreken.
Dit kan alleen tijdens de time-out worden gebruikt.
/p De lokale computer zonder time-out of waarschuwing afsmluiten.
Kan samen met de opties /d en /f worden gebruikt.
/h De lokale computer in de sluimerstand zetten.
Kan samen met /f worden gebruikt.
/e Geef een reden op voor de onverwachte afsluiting van de computer.
/m \\computer Geef de doelcomputer op.
/t xxx Stelt de time-outperiode voor afsluiten op xxx seconden in.
Het geldige bereik ligt tussen 0 en 315360000 met een standaardwaarde van 30.
Als de time-outperiode groter is dan 0, wordt de parameter /f
geïmpliceerd.
/c "commentaar" Geef aan waarom de computer opnieuw wordt gestart of afgesloten.
Maximaal 512 tekens toegestaan.
/f Hiermee kunt u actieve toepassingen geforceerd sluiten zonder de gebruikers te waarschuwen.
De parameter /f wordt geïmpliceerd wanneer een grotere waarde dan 0
voor de parameter /t wordt opgegeven.
/d [p|u:]xx:yy Geef aan waarom de computer opnieuw wordt gestart of
afgesloten.
'p' geeft aan dat het opnieuw starten of afsluiten is gepland.
'u' geeft aan dat de reden door de gebruiker is opgegeven.
Als 'p' noch 'u' wordt weergegeven, is het opnieuw starten of afsluiten
niet gepland.
xx is de primaire redencode (positief geheel getal kleiner dan 256).
yy is de secundaire redencode (positief geheel getal kleiner dan 65.536).
Redenen op deze computer:
Type: E = verwacht, U = onverwacht, P = gepland, C = opgegeven door gebruiker.
Hoog en laag geven de ernst van de gebeurtenissen aan.
De cijfers in de kolommen geven het aantal gebeurtenissen aan.
Type Hoog Laag Titel
U 0 0 Overige (niet gepland)
E 0 0 Overige (niet gepland)
E P 0 0 Overige (gepland)
U 0 5 Andere fout: systeem reageert niet
E 1 1 Hardware: onderhoud (niet gepland)
E P 1 1 Hardware: onderhoud (gepland)
E 1 2 Hardware: installatie (niet gepland)
E P 1 2 Hardware: installatie (gepland)
E 2 2 Besturingssysteem: herstel (gepland)
E P 2 2 Besturingssysteem: herstel (gepland)
P 2 3 Besturingssysteem: upgrade (gepland)
E 2 4 Besturingssysteem: nieuwe configuratie (niet gepland)
E P 2 4 Besturingssysteem: nieuwe configuratie (gepland)
P 2 16 Besturingssysteem: servicepack (gepland)
2 17 Besturingssysteem: hotfix (niet gepland)
P 2 17 Besturingssysteem: hotfix (gepland)
2 18 Besturingssysteem: beveiligingsfix (niet gepland)
P 2 18 Besturingssysteem: beveiligingsfix (gepland)
E 4 1 Toepassing: onderhoud (niet gepland)
E P 4 1 Toepassing: onderhoud (gepland)
E P 4 2 Toepassing: installatie (gepland)
E 4 5 Toepassing: reageert niet
E 4 6 Toepassing: instabiel
U 5 15 Systeemfout: stopfout
U 5 19 Beveiligingsprobleem
E 5 19 Beveiligingsprobleem
E P 5 19 Beveiligingsprobleem
E 5 20 Netwerkverbindingen verbroken (niet gepland)
U 6 11 Stroomstoring: snoer niet aangesloten
U 6 12 Stroomstoring: omgeving
P 7 0 Afsluiten met oudere API
---------------------------------------------------------------
SOON : Command Scheduling Utility : by kevina@microsoft.com
---------------------------------------------------------------
Usage : SOON [\\computername] [delay] [/INTERACTIVE] "command"
or : SOON /D [/L:n] [/R:n] [/I:{ON|OFF}]
delay : the number of seconds from now when the scheduled job should start.
/D : modify Default settings and/or display their current values.
/L : set LocalDelay - default delay for Local jobs - initially 5 seconds.
/R : set RemoteDelay - default delay for Remote jobs - initially 15 seconds.
/I : set InteractiveAlways option - initially OFF.
SOON schedules a job to run in the near future, a number of seconds from now.
SOON closely resembles the AT command because SOON simply runs a suitable AT
command. For a details of the other arguments run "AT /?" without the quotes.
Examples : SOON CMD /C C:\JOBS\BATCH.CMD
SOON 10 CMD /C C:\JOBS\BATCH.CMD
SOON \\SERVER 60 /C \JOBS\BATCH.CMD
SOON \\SERVER /INTERACTIVE CMD /C C:\JOBS\BATCH.CMD
SOON /d /l:2 /r:30 /i:on
Current Settings : InteractiveAlways = OFF
LocalDelay (seconds) = 5
RemoteDelay (seconds) = 15
SORT [/R] [/+n] [/M kB] [/L landinstelling] [/REC record-bytes]
[[station1:][pad1]bestandsnaam1] [/T [station2:][pad2]]
[/O [station3:][pad3]bestandsnaam3]
/+n Bepaalt het tekennummer, n, waarmee elke
vergelijking begint. /+3 geeft aan dat elke
vergelijking moet beginnen bij het derde teken
op elke regel. Regels met minder dan n tekens
worden ingevoegd voor andere regels. Standaard
beginnen vergelijkingen bij het eerste teken
op elke regel.
/L[OCALE] landinstelling Onderdrukt de standaardlandinstelling voor
het systeem met de opgegeven landinstelling. De
landinstelling ""C"" geeft de snelste
invoegvolgorde en is momenteel de enige optie.
Het sorteren is niet hoofdlettergevoelig.
/M[EMORY] kilobytes Bepaalt de hoeveelheid hoofdgeheugen die wordt
gebruikt voor het sorteren, in kilobytes. De
hoeveelheid geheugen is minimaal 160 kB. Als
de hoeveelheid geheugen wordt opgegeven, wordt
precies die hoeveelheid gebruikt voor het
sorteren, ongeacht hoeveel hoofdgeheugen
beschikbaar is.
De beste prestaties worden gewoonlijk bereikt
door geen hoeveelheid geheugen op te geven.
Standaard gebeurt het sorteren in één keer
(zonder tijdelijk bestand) als het sorteren
binnen de standaardhoeveelheid geheugen
kan. Anders gebeurt het sorteren in twee
keer (waarbij de gedeeltelijk gesorteerde
gegevens worden opgeslagen in een tijdelijk
bestand) zodat de hoeveelheid gebruikt
geheugen gelijk is voor het sorteren en
samenvoegen. De standaardhoeveelheid geheugen
is 90% van het beschikbare hoofdgeheugen
als zowel de invoer als uitvoer bestanden
zijn, en 45% in alle andere gevallen.
/REC[ORD_MAXIMUM] tekens Bepaalt het maximum aantal tekens in een
record (standaard is 4096, maximum is 65535)
/R[EVERSE] Keert de sorteervolgorde om (sorteert van Z
naar A en van 9 naar 0).
[station:][pad1]
bestandsnaam1 Bepaalt welk bestand wordt gesorteerd. Als dit
niet wordt opgegeven, wordt de standaardinvoer
gesorteerd. Het opgeven van het invoerbestand
is sneller dan het herleiden van hetzelfde
bestand als standaardinvoer.
/T[EMPORARY]
[station2:][pad2] Bepaalt het pad van de map die de tijdelijke
opslag van het sorteren bevat, als de gegevens
niet passen in het hoofdgeheugen. Standaard
wordt de tijdelijke map van het systeem
gebruikt.
/O[UTPUT]
[station3:][pad3]
bestandsnaam3 Bepaalt het bestand waarin de gesorteerde
invoer wordt opgeslagen. Indien niet
opgegeven, worden de gegevens opgeslagen in
de standaarduitvoer. Het opgeven van het
uitvoerbestand is sneller dan het herleiden
van de standaarduitvoer naar hetzelfde
bestand.
Een apart venster starten om een opgegeven programma of opdracht uit te
voeren.
START ['titel'] [/D pad] [/I] [/MIN] [/MAX] [/SEPARATE | /SHARED]
[/LOW | /NORMAL | /HIGH | /REALTIME | /ABOVENORMAL | /BELOWNORMAL]
[/NODE <NUMA-knooppunt>] [/AFFINITY <hex. affiniteitsmasker>] [/WAIT]
[/B] [opdracht/programma] [parameters]
'titel' Titel om weer te geven in titelbalk van venster.
pad Startmap
B Toepassing starten zonder een nieuw venster te maken. De
toepassing reageert niet op ˆC. Als het verwerken van ˆC
niet wordt ingeschakeld, kan de toepassing alleen met
ˆBreak worden onderbroken.
I De nieuwe omgeving wordt de oorspronkelijke omgeving die
is doorgegeven aan cmd.exe en niet de actieve omgeving.
MIN Venster geminimaliseerd starten.
MAX Venster gemaximaliseerd starten.
SEPARATE 16-bits Windows-programma starten in eigen geheugenruimte.
SHARED 16-bits Windows-programma starten in gedeelde geheugenruimte.
LOW Toepassing starten in prioriteitsklasse IDLE.
NORMAL Toepassing starten in prioriteitsklasse NORMAL.
HIGH Toepassing starten in prioriteitsklasse HIGH.
REALTIME Toepassing starten in prioriteitsklasse REALTIME.
ABOVENORMAL Toepassing starten in prioriteitsklasse ABOVENORMAL.
BELOWNORMAL Toepassing starten in prioriteitsklasse BELOWNORMAL.
NODE Het voorkeurs-NUMA-knooppunt (Non-Uniform Memory Architecture)
opgeven als een decimaal geheel getal.
AFFINITY De nieuwe toepassing heeft het opgegeven
processoraffiniteitsmasker, opgegeven als hexadecimaal getal
De uitvoering van het proces is beperkt tot deze processors.
Het affiniteitsmasker wordt anders geïnterpreteerd als
/AFFINITY en /NODE worden gecombineerd. Geef het
affiniteitsmasker op alsof het processormasker van het
NUMA-knooppunt naar rechts is verschoven zodat bij bit nul
wordt gestart. De uitvoering van het proces is beperkt tot
processors die zowel voor het opgegeven affiniteitsmasker als
voor het NUMA-knooppunt worden gebruikt. Als er geen
processors zijn die gemeenschappelijk worden gebruikt, is de
uitvoering van het proces beperkt tot het opgegeven
NUMA-knooppunt.
WAIT Toepassing starten en wachten totdat de toepassing wordt
beëindigd.
opdracht/programma
Als het een interne cmd-opdracht of een batchbestand is,
wordt de opdrachtprocessor uitgevoerd met optie /K voor
cmd.exe. Dit houdt in dat het venster openblijft nadat
de opdracht is uitgevoerd.
Als het geen interne cmd-opdracht of batchbestand is, is
het een programma en zal het worden uitgevoerd als een
toepassing in een venster of als een consoletoepassing.
parameters Dit zijn de parameters die worden doorgegeven aan de
opdracht of aan het programma.
Opmerking: de opties SEPARATE and SHARES worden niet ondersteund op 64-bits
platformen.
Als u /NODE opgeeft, kunt u processen maken waarvoor geheugen-
locality in NUMA-systemen kan worden gebruikt. Voor twee processen die veel
met elkaar communiceren via gedeeld geheugen kunt u bijvoorbeeld instellen
dat ze gebruik moeten maken van hetzelfde voorkeurs-NUMA-knooppunt. Op deze
manier zorgt u ervoor dat het geheugen minder afwijkingen bevat. Via de
processen wordt geheugen indien mogelijk vanuit hetzelfde NUMA-knooppunt
toegewezen. Daarnaast kunnen de processen ook worden uitgevoerd op
processors buiten het opgegeven knooppunt.
start /NODE 1 application1.exe
start /NODE 1 application2.exe
U kunt deze twee processen verder beperken zodat ze alleen op bepaalde
processors binnen hetzelfde NUMA-knooppunt kunnen worden uitgevoerd. In het
volgende voorbeeld wordt application1 uitgevoerd op de laagste twee processors
van het knooppunt, terwijl application2 op de volgende twee processors van het
knooppunt wordt uitgevoerd. In dit voorbeeld wordt ervan uitgegaan dat het
opgegeven knooppunt over minimaal vier logische processors beschikt. Houd er
rekening mee dat het knooppuntnummer kan worden gewijzigd in een willekeurig
geldig knooppuntnummer voor de desbetreffende computer zonder dat hiervoor
het affiniteitsmasker hoeft te worden aangepast.
start /NODE 1 /AFFINITY 0x3 application1.exe
start /NODE 1 /AFFINITY 0xc application2.exe
Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert het extern aanroepen
van opdrachten via de opdrachtregel of de opdracht START als volgt:
Niet-uitvoerbare bestanden kunnen worden aangeroepen via hun bestands-
koppeling door alleen maar de bestandsnaam te typen als een opdracht
(b.v. WORD.DOC zal de toepassing starten die is gekoppeld aan bestands-
extensie .DOC). Zie de opdrachten ASSOC en FTYPE voor het maken van deze
koppelingen binnen een opdrachtscript.
Als een 32-bits GUI-toepassing wordt uitgevoerd, wacht CMD.EXE niet op
beëindiging van de toepassing voordat wordt teruggekeerd naar de opdracht-
prompt. Dit nieuwe gedrag treedt NIET op als de toepassing wordt uitgevoerd
vanuit een opdrachtscript.
Als een opdrachtregel wordt uitgevoerd die begint met de tekenreeks 'CMD '
zonder extensie of pad-qualifier, wordt 'CMD' vervangen door de waarde van
de variabele COMSPEC. Dit voorkomt dat CMD.EXE wordt opgepikt uit de
actieve map.
Als een opdrachtregel wordt uitgevoerd waarvan het eerste gedeelte GEEN
extensie bevat, gebruikt CMD.EXE de waarde van omgevingsvariabele PATHEXT
om te bepalen naar welke extensies moet worden gezocht en in welke
volgorde. De standaardwaarde voor PATHEXT is:
.COM;.EXE;.BAT;.CMD
Opmerking: de syntaxis is gelijk aan variabele PATH, waarbij puntkomma's
de onderdelen scheiden.
Als bij het zoeken naar een uitvoerbaar bestand geen overeenkomende extensie
wordt gevonden, wordt gekeken of de naam overeenkomt met een mapnaam. Als dat
het geval is, wordt de Verkenner op dat pad gestart door de opdracht START.
Als het gebeurt vanaf een opdrachtregel, is dit hetzelfde als het typen van
CD /D naar dat pad.
SubInAcl version 5.2.3790.1180
USAGE
-----
Usage :
SubInAcl [/option...] /object_type object_name [[/action[=parameter]...]
/options :
/outputlog=FileName /errorlog=FileName
/noverbose /verbose (default)
/notestmode (default) /testmode
/alternatesamserver=SamServer /offlinesam=FileName
/stringreplaceonoutput=string1=string2
/expandenvironmentsymbols (default) /noexpandenvironmentsymbols
/statistic (default) /nostatistic
/dumpcachedsids=FileName /separator=character
/applyonly=[dacl,sacl,owner,group]
/nocrossreparsepoint (default) /crossreparsepoint
/object_type :
/service /keyreg /subkeyreg
/file /subdirectories[=directoriesonly|filesonly]
/clustershare /kernelobject /metabase
/printer /onlyfile /process
/share /samobject
/action :
/display[=dacl|sacl|owner|primarygroup|sdsize|sddl] (default)
/setowner=owner
/replace=[DomainName\]OldAccount=[DomainName\]New_Account
/accountmigration=[DomainName\]OldAccount=[DomainName\]New_Account
/changedomain=OldDomainName=NewDomainName[=MappingFile[=Both]]
/migratetodomain=SourceDomain=DestDomain=[MappingFile[=Both]]
/findsid=[DomainName\]Account[=stop|continue]
/suppresssid=[DomainName\]Account
/confirm
/ifchangecontinue
/cleandeletedsidsfrom=DomainName[=dacl|sacl|owner|primarygroup|all]
/testmode
/accesscheck=[DomainName\]Username
/setprimarygroup=[DomainName\]Group
/grant=[DomainName\]Username[=Access]
/deny=[DomainName\]Username[=Access]
/sgrant=[DomainName\]Username[=Access]
/sdeny=[DomainName\]Username[=Access]
/sallowdeny==[DomainName\]Username[=Access]
/revoke=[DomainName\]Username
/perm
/audit
/compactsecuritydescriptor
/pathexclude=pattern
/objectexclude=pattern
/sddl=sddl_string
/objectcopysecurity=object_path
/pathcopysecurity=path_container
Usage : SubInAcl [/option...] /playfile file_name
Usage : SubInAcl /help [keyword]
SubInAcl /help /full
keyword can be :
features usage syntax sids view_mode test_mode object_type
domain_migration server_migration substitution_features editing_features
- or -
any [/option] [/action] [/object_type]
SYNTAX
------
describe SubInAcl syntax
The SubInAcl syntax is analog to the UNIX find tool.
For each object, SubInAcl :
1. retrieves the security descriptor of the object
2. applies the /action(s). The /actions are executed in the order of
the command line
3. If :
- the security descriptor has been modified and
- the /testmode switch has not been specified
the changes are applied to the object
For instance :
- SubInAcl /outputlog=result.txt /subdirectories \\Server\c$\temp\*.*
/grant=Dom\John=F /noverbose /display
For each file below \\Server\c$\temp, SubInAcl will
- open the file
- grant full control for dom\john
- display the security setting in noverbose mode
- save the security descriptor.
All outputs will be saved in result.txt
You can specify as many /actions as you wish. You must specify at least 3
characters for each action.
The command line is not case-sensitive
Ex: SubInAcl /file c:\temp\*.txt /replace=John=Smith /display
for each *.txt file will - replace John with Smith
- display the whole security descriptor
- apply the changes if any
SubInAcl error messages are sent to the Standard error.
You can use the /output switch to save both outputs
and errors in the same file.
FEATURES
--------
describes SubInAcl main features
SubInAcl was designed to help administrators to manage security on
various objects.
It provides :
- a unified way to manipulate security for different kinds of objects
(files, registry keys, services, printer,...)
- a console tool that allows to write scripts to automate
security tasks
- some features that help administrators to modify security if some
changes occur in their organization:
- user, group deletions (/suppresssid, /cleandeletedsidsfrom )
- user, group migrations (/replace , /accountmigration)
- domain, server migration (/changedomain, /migratetodomain)
...
- security descriptor editing features :
- owner ( /setowner )
- primary group ( /setprimarygroup )
- permissions ( /grant , /deny , /revoke )
- audit ( /sgrant, /sdeny, /sallowdeny)
- access to remote objects
- save and restore permissions (/playfile , /outputlog , /display )
You need SeBackupPrivilege SeRestorePrivilege
SeSecurityPrivilege SeTakeOwnershipPrivilege
SeChangeNotifyPrivilege privileges (locally or remotely) to run this tool
Type SubInAcl /help to get extended help
SIDS
----
sids : explain how SubInAcl retrieves and translates SIDs
The security descriptor references users and groupswith a SID (Security
Identifier). A SID can be expressed in one of the following form:
+ DomainName\Account (ex: DOM\Administrators )
+ StandaloneServer\Group
+ Account ( see LookupAccount API )
+ s-1-x-x-x-x . x is expressed in decimal
(ex: S-1-5-21-56248481-1302087933-1644394174-1001)
Warning : In that case, no check is done to verify the existence
of this SID.
SubInAcl maintains a local cache of SIDs to minimize SID to "Human Name"
translation network cost.
SubInAcl queries the server where the ressource object is located to
translate or retrieve SIDs. If needed, you can specify another SAM
server to translate SIDs (see /alternatesamserver).
If you try to replace SIDs and the originated domain or server is not online,
you can provide a file containing the needed SIDs (see /offlinesam).
You can dump the local cache of SIDs in a file (see /dumpcachedsids).
VIEW_MODE
---------
/noverbose /verbose
SubInAcl can be used in a quiet mode (/noverbose) or a in verbose mode
(/verbose , /Noverbose )
You can specify these switches either :
- for the entire comand line :
SubInAcl /noverbose /file *.dat /display
- after a specific action :
SubInacl /file *.dat /display /noverbose /display
TEST_MODE
---------
/testmode /notestmode (default)
If /testmode is specified, the changes will not be reflected to the object
security descriptor. This option is useful to test the validity of a comand.
Ex : SubInacl /subdirec \\server\share\*.* /changedomain=DOMA=DOMB
/ifchangecontinue /noverbose /display /testmode
For each file modified this comand displays the modified security
descriptor. But these changes will not physically apply to the files
OBJECT_TYPE
-----------
/file /subdirectories /onlyfile /keyreg /subkeyreg /service /share /clustershare /printer
/kernelobject /metabase /process /samobject
SubInAcl can work with various objects:
- Files :
/file
/subdirectories
/onlyfile
- Registry keys :
/keyreg
/subkeyreg
- Services :
/service
- Shares :
/share
/clustershare
- Printer :
/printer
- Kernel named objects :
/kernelobject
- IIS adminidstration rights :
/metabase
// - Process :
/process
- Sam :
/SamObject
The actions are valid for all objects
Most of them support the enumeration with the * character
DOMAIN_MIGRATION
----------------
explain how to migrate security between domain SIDs
The main purpose of SubInAcl is to help administrators to migrate user(s)
if the domain architecture has changed.
For instance, the user John has moved and is now member of the DOMB domain.
You can reflect this change with :
SubInAcl /subdirec \\server\share\*.* /replace=OldDomain\John=DOMB\John
N.B: A trust relationship must be enabled between the domain of server and
OldDomain and NEWDOMAIN
N.B: If a trust relationship cannot be enabled, you can use the
/alternatesamserver=Server. Server should be the name of Domain Controller
Server
Sample :
You have worked with a unique domain.
You want to migrate a BDC named MIGRCONTROL with all the files and the
users utilized on a new domain
1. Reinstall the BDC as PDC to the NEWDOMAIN (without erasing the files)
2. Create the users on NEWDOMAIN
3. Create a "trusted relationship" with OLDDOMAIN
4. Run SubInAcl /noverbose /subdirectories x:\*.*
/changedomain=OLDDOMAIN=NEWDOMAIN
5. Verify the changes with SubInAcl /noverbose /subdirectories x:\*.*
Sample :
You have worked with a standalone server named SERVER in a workgroup
environment. You want to move this server (including users) to a domain DOM.
1. Move SERVER to the domain DOM
2. Create the users in the DOM domain
3. SubInAcl /noverbose /subdirectories \\server\share
/changedomain=SERVER=DOM
See /changedomain /migratedomain /replace actions
SERVER_MIGRATION
----------------
explain how to migrate SIDs when objects are moved from one server to another one
Migrating file system from one local server to another local server is not
a trivial task. SubInAcl Version 2.2 has been enhanced to help this migration
process.
To migrate file system files from one local server and to preserve security,
you can perform the following steps:
1. use scopy to copy files and ACLs on destination server
2. create local groups on the destination server
3. Use /changedomain or /changedomain with the /alternatesamserver option :
By default SubInAcl queries the server where the objects are located to
retrieve SIDS. This server is not aware of the SIDs valid on another
standalone server
To address this issue, you can use the /alternatesamserver option to ask
SubInAcl to to use the alternamesamserver server if a SID resolution is
not successfull on the initial server.
Sample :
SubInAcl /alternatesamserver=SourceServer /subdirect
\\DestServer\Share\*.*
/migratedomain=SourceServer=DestServer
See /alternatesamserver /migratedomain /offlinesam
EDITING_FEATURES
----------------
how to edit parts of the security descriptor
SubInAcl allows to modify each part of a a security descriptor :
- owner
see /owner=SID or /setowner=SID
- primary group
see /setprimarygroup=GroupSID
- system ACL (SubInAcl name = Audit ACL) with Access Control Entries
(SubInAcl name= AAce = Audit ACE)
see /audit /sgrant /sdeny /sallowdeny
- discretionnary ACL (SubInAcl name = Perm ACL ) with Access Control Entries
(SubInAcl name= PAce = Perm ACE)
see /perm /pace=xxx /revoke=SID /grant=SID=Access /deny=SID=access
/sgrant=SID=Access /sdeny=SID=access
/sallowdeny=SID=access- or the full security descriptor
see /sddl=sddl_string
/SERVICE
--------
/service service_name
manipulate service
- \\ServerName\Messenger
- \\ServerName\M*
- Messenger
N.B: /driver can be used also.
/driver * will display all driversm
/service * will display all services
/KEYREG
-------
/keyreg registry_key
manipulate registry keys
- HKEY_CURRENT_USER\Software
- HKEY_CURRENT_USER\Software\*Version
- \\Srv\HKEY_LOCAL_MACHINE\KeyPath
/SUBKEYREG
----------
/subkeyreg registry_key
manipulate registry keys and subkeys
- HKEY_CURRENT_USER\Software
- HKEY_CURRENT_USER\Software\*Version
- \\Srv\HKEY_LOCAL_MACHINE\KeyPath
/FILE
-----
/file filename
manipulate files
N.B: SubInAcl is not supported on DFS volumes
- *.obj
- c:\temp\*.obj
- \\servername\share\*.exe
- c:\
/file=directoriesonly will apply parameters on directories only
/file=filesonly will apply parameters on files only
/SUBDIRECTORIES
---------------
/subdirectories file_path
manipulate files in specified directory and all subdirectories
- c:\temp\*.obj : work with all obj files
- c:\temp\test : work with all test files below the c:\temp directory
- c:\temp\test\*.* : work with all files below temp\test
- c:\temp\test\ : work with all files below temp\test
/subdirectories=directoriesonly will apply parameters on directories only
/subdirectories=filesonly will apply parameters on files only
/ONLYFILE
---------
/onlyfile file_name
open a file without using the FindFilexxx mechanism.
Can be used to access named pipes or mailslot
- \\.\pipe\pipename
/SAMOBJECT
----------
/samobject samobject
allow to access ACL associated to SAM objects(users,localgroup,globalgroup).
Can be used to allow a localgroup(alias) created by a power users on a member
to be updated by another power users member
- \\samserver\localgroup
- \\samserver\*users*
- *group*
- Subinacl /samobject \\sams\testgroup /grant=poweruser1=f
/SHARE
------
/share file_share_name
access a network file share.
- \\server\share
- \\server\test*
/CLUSTERSHARE
-------------
/clustershare \\clustername\fileshareresource
access a cluster file share resource.
- \\clustername\FileShare_Resource_Name
- \\clustername\s*
/KERNELOBJECT
-------------
/kernelobject kernel_object_name
access a named kernel object.
Can be used to view mutex, sections, events objects
/PROCESS
--------
/process pid_or_executable_pattern
access a process object.
- notepad.* or pid_in_decimal
/METABASE
----------
/metabase metabase_path
access to IIS metabase AdminACL metabase property
Note that this property can only be used with these Metabase paths
/LM/MSFTPSVC , /LM/MSFTPSVC/n , /LM/W3SVC , /LM/W3SVC/
This object doesn't support enumeration.
- SubInAcl /metabase \\ServerName\LM\W3SVC /grant=administrator=F
/PRINTER
---------
/printer printername
access to printer
- \\server\printer1
- \\server\*
/DISPLAY
--------
/display[=dacl|sacl|owner|primarygroup|sdsize|sddl]
display the security descriptor
You can also view part of the security descriptor. /display=dacl will
display the discretionary acl. /display=sddl will display the security
using the Win32 SDDL security descriptor string format (see Platform SDK)
The /noverbose display can be used to reapply the security descriptor
(see /playfile)
/PLAYFILE
---------
/playfile playfile
The /playfile feature allows SubInacl to run in a batch mode.
The format of the playfile command file is :
+ object_type object_name
/action[=parameter]...
/action[=parameter]...
+object_type object_name
/action[=parameter]...
SubInacl /playfile=playfile.txt with
With playfile :
+subdirec *.txt
/grant=everyone=R
+service RkillSrv
/display
will give the same result than
SubInAcl /subdirectories *.txt /grant=everyone=R
SubInAcl /service RkillSrv /display
One typical usage of the playfile feature is to allow to reapply security settings
saved previously because the output format of the noverbose /display is a playfile
compatible format:
1.a) SubInAcl /noverbose /outputlog=d:\SubInaclSave.txt /subdirectories c:\*.* /display
This command saves all security settings for the files on C: drive.
Sids will be saved in the Domain\user string format
The /display option in a noverbose mode uses an output playfile compatible format
or
1.b) SubInAcl /error=d:\Err.txt /outputlog=d:\SubInaclSave.txt /subdirectories c:\*.* /display=sddl
This command saves all security settings using the Win32 SDDL format.
Sids will be saved in the S-1-x-x form. This will not require SubInacl to translate Sids
This may minimize the elapsed time and resource usage
2) SubInAcl /playfile d:\SubInaclSave.txt
This command will reapply the previously saved settings.
One other advantage of using a playfile is to improve performance and save network
bandwidth because SubInacl maintains a local cache of SIDs.
For instance if you issue :
SubInacl /subdirectories c:\*.* /migrate=domain1=domain2
And
SubInacl /subdirectories d:\*.* /migrate=domain1=domain2
Batching these commands will reduce the network usage bandwidth and improve
performance because SID TO HUMAN NAME resolution process will be reduced.
/OUTPUTLOG
----------
/outputlog=filename
all outputs will be send in filename. You need to use /errlog switch to
redirect all errors in a different file
/ERRORLOG
---------
/errorlog=filename.txt
all errors will be send in the filename.txt
/ALTERNATESAMSERVER
-------------------
/alternatesamserver=Server
SubInAcl queries the Server where the object is located to lookup Sids.
Under some circumstances , you may need ( see server_migration or
domain_migration) to retrieve Sids from another server. If a Sid resolution is
unsuccessful, this option allows SubInAcl to query the alternamesamserver.
/OFFLINESAM
-----------
/offlinesam=FileName
By default, SubInAcl queries the Server where the object is located to lookup
Sids.Under some circumstances (migration where the source server is offline
or if a domain is no longer available, want to avoid network round trip
for SIDs retrievals), you may allow SubInAcl.exe to retrieve SIDs from
the FileName file.
File format is :
__cachefileonly__=s-1-9-cacheonly
domain\simon=S-1-5-21-1190502449-1716722630-1654032285-1105
nat\julien=S-1-5-21-1060284298-436374069-1708537768-1005
where domain\simon and nat\julien can be a domain account or server account.
With the __cachefileonly__ line in the file, SubInAcl.exe will not query
SAM Server(s) anymore. All needed SIDs should be found in the SAM
cache file
/DUMPCACHEDSIDS
---------------
/dumpcachedsids=FileName
At the end of the subinacl execution,
you can dump the contents of the local cache Sids in a file.
This file can later be used for future SubInacl execution (see .
/offlinesam) to speed up the Sids resolution process)
/SETOWNER
---------
/setowner=SID
will change the owner of the object
/owner=SID or /setowner=SID
owner = DomainName\Administrators will retrieve the Administrators Sid on
the server where the object is (see Win32 SDK LookupAccountName function).
/REPLACE
--------
/replace=DomainName\OldAccount=DomainName\New_Account
replace all ACEs (Audit and Permissions) in the object
Ex: /replace=DOM_MARKETING\ChairMan=NEWDOM\NewChairMan will replace
all ACEs containing DOM_MARKETING\ChairMan with NewChairMan SID
retrieves from NEWDOM domain
Warning: if DomainName\New_Account has already an ACE, ACE replacement is
skipped
/ACCOUNTMIGRATION
-----------------
/accountmigration=DomainName\OldAccount=DomainName\New_Account
(see /replace)
will :
- replace owner or primary group if one of them is DomainName\OldAccount.
- duplicate ACE(s) with reference to DomainName\OldAccount for New_Account
Ex: /accountmigration=DOM_MARKETING\ChairMan=NEWDOM\NewChairMan will
duplicate all ACEs containing DOM_MARKETING\ChairMan with NewChairMan SID
retrieves from NEWDOM domain
Warning : if DomainName\New_Account has already an ACE, ACE replacement is
skipped
/CLEANDELETEDSIDSFROM
---------------------
/cleandeletedsidsfrom=domain[=dacl|sacl|owner|primarygroup|all]
delete all ACEs containing deleted (no valid) Sids from DomainName
You can specify which part of the security descriptor will be scanned
(default=all)
If the owner is deleted, new owner will be the Administrators group.
If the primary group is deleted, new primary group will be the Users group.
/CHANGEDOMAIN
-------------
/changedomain=OldDomainName=NewDomainName[=MappingFile[=Both]]
replace all ACEs with a Sid from OldDomainName
with the equivalent Sid found in NewSamServer
Ex: /changedomain=DOM_MARKETING=NEWDOMAIN
replace all ACEs containing DOM_MARKETING\ChairMan SID
with the ChairMan's SID retrieved on NEWDOMAIN computer
The NEWDOMAIN must have a trusted relationship with the server
containing the object
If you want to explicitly specify the users affected , you can specify a
mapping file. The MappingFile file will allow you to specify the list of
users affected and the name of the replacing user in the NewDomain
Below a sample of a MappingFile
simon=julien
administrator=administrator
OldDomainName\Simon will be replaced by NewDomainName\Julien and
OldDomainName\Administrator will be replaced with
NewDomainName\Administrator
If you use /changedomain=OldDomainName=NewDomainName=MappingFile notation
,only users defined in this file will be migrated.
If you use /changedomain=OldDomainName=NewDomainName=MappingFile=Both,
the mapping file will be examined first to determine if a mapping user
exist. If not, SubInacl will try to find the equivalent user in the
NewDomainName
/MIGRATETODOMAIN
----------------
/migratetodomain=FromDomainName=ToDomainName[=MappingFile[=Both]]
same behavior than /changedomain except that news ACEs will added instead
of replacing
Ex: /migratetodomain=DOM1=DOM2
each ace with DOM1\User will be duplicated with DOM2\User
(If DOM2\User exists)
If during the migration there was a serious oversight
you can instruct the user to log back onto DOM1.
N.B: Owner and Primary Group are migrated to DOM2
/FINDSID
--------
/findsid=DomainName\Account[=stop|continue]
display the object name containing a reference to DomainName\Account
in the security descriptor
stop - if Account is found, next parameters will be skipped
and changes will not be applied
- if Account is not found, next parameter will be executed
continue - if Account found, next parameters will be executed
- if Account not found, next parameters will be skipped
and changes will not be applied
/SUPPRESSSID
------------
/suppresssid=DomainName\Account
suppress all ACES containing the DomainName\Account SID.
If the object's owner is DomainName\Account, the owner is set to
Everyone's SID.
/PERM
-----
/perm
suppress all existing permissions aces (PACEs)
/AUDIT
------
/audit
suppress all existing auditing aces (AACEs)
/IFCHANGECONTINUE
-----------------
/ifchangecontinue
continue to process the next actions only if some changes have been
made in the previous actions
/TESTMODE
---------
/testmode
changes will not be applied to the object. This allows to test the
modifications
/ACCESSCHECK
------------
/accesscheck=Domain\Username
display the access granted to the Domain\Username. The password will
be asked. This option requires the SeTcbName privilege (Act as Part
of the Operating System). This option cannot be used with remote object.
Note : the access is checked with the NETWORK security identified
granted to the Domain\UserName
/SETPRIMARYGROUP
----------------
/setprimarygroup=[DomainName\]Group
change the primary group
/DENY
-----
/deny=[DomainName\]User[=Access]
add a denied Permission Ace for the specified User (or group)
If Access is not specified, all accesses will be denied.
File:
F : Full Control
C : Change
R : Read
P : Change Permissions
O : Take Ownership
X : eXecute
E : Read eXecute
W : Write
D : Delete
ClusterShare:
F : Full Control
R : Read
C : Change
Printer:
F : Full Control
M : Manage Documents
P : Print
-- Press Return To Continue ---- KeyReg:
F : Full Control
R : Read
A : ReAd Control
Q : Query Value
S : Set Value
C : Create SubKey
E : Enumerate Subkeys
Y : NotifY
L : Create Link
D : Delete
W : Write DAC
O : Write Owner
Service:
F : Full Control
R : Generic Read
W : Generic Write
X : Generic eXecute
L : Read controL
Q : Query Service Configuration
S : Query Service Status
E : Enumerate Dependent Services
C : Service Change Configuration
T : Start Service
O : Stop Service
P : Pause/Continue Service
I : Interrogate Service
U : Service User-Defined Control Commands
Share:
F : Full Control
R : Read
C : Change
Metabase:
F : Full Control
R : Read - MD_ACR_READ
W : Write - MD_ACR_WRITE
I : Restricted Write - MD_ACR_RESTRICTED_WRITE
U : Unsecure props read - MD_ACR_UNSECURE_PROPS_READ
E : Enum keys- MD_ACR_ENUM_KEYS
D : write Dac- MD_ACR_WRITE_DAC
Process:
F : Full Control
R : Read
W : Write
X : eXecute
SamObject:
F : Full Control
W : Write
R : Read
X : Execute
/REVOKE
-------
/revoke=[DomainName\]User
suppress all Permission Ace(s) for the specified User (or group)
/GRANT
------
/grant=[DomainName\]User[=Access]
will add a Permission Ace for the user.
if Access is not specified, the Full Control access will be granted.
File:
F : Full Control
C : Change
R : Read
P : Change Permissions
O : Take Ownership
X : eXecute
E : Read eXecute
W : Write
D : Delete
ClusterShare:
F : Full Control
R : Read
C : Change
Printer:
F : Full Control
M : Manage Documents
P : Print
KeyReg:
F : Full Control
R : Read
A : ReAd Control
Q : Query Value
S : Set Value
C : Create SubKey
E : Enumerate Subkeys
Y : NotifY
L : Create Link
D : Delete
W : Write DAC
O : Write Owner
Service:
F : Full Control
R : Generic Read
W : Generic Write
X : Generic eXecute
L : Read controL
Q : Query Service Configuration
S : Query Service Status
E : Enumerate Dependent Services
C : Service Change Configuration
T : Start Service
O : Stop Service
P : Pause/Continue Service
I : Interrogate Service
U : Service User-Defined Control Commands
Share:
F : Full Control
R : Read
C : Change
Metabase:
F : Full Control
R : Read - MD_ACR_READ
W : Write - MD_ACR_WRITE
I : Restricted Write - MD_ACR_RESTRICTED_WRITE
U : Unsecure props read - MD_ACR_UNSECURE_PROPS_READ
E : Enum keys- MD_ACR_ENUM_KEYS
D : write Dac- MD_ACR_WRITE_DAC
Process:
F : Full Control
R : Read
W : Write
X : eXecute
SamObject:
F : Full Control
W : Write
R : Read
X : Execute
/SALLOWDENY
-----------
/sallowdeny=[DomainName\]User[=Access]
will add an Allow/Failed Audit Ace for the user and remove all existing
Audit Ace for this user(or group).
if Access is not specified, the Full Control access mask will be used.
Ex: SubInacl /file c:\windows\explorer.exe /sallowdeny=everyone=R
will set the audit for everyone's successful and failed access
/SGRANT
-------
/sgrant=[DomainName\]User[=Access]
will add a Successfull (Allow) Audit Ace for the user and remove all existing
Audit Ace for this user(or group).
if Access is not specified, the Full Control access mask will be used.
Ex: SubInacl /file c:\windows\explorer.exe /sgrant=everyone=R
will set the audit for everyone's successful access
File:
F : Full Control
C : Change
R : Read
P : Change Permissions
O : Take Ownership
X : eXecute
E : Read eXecute
W : Write
D : Delete
ClusterShare:
F : Full Control
R : Read
C : Change
Printer:
F : Full Control
M : Manage Documents
P : Print
KeyReg:
F : Full Control
R : Read
A : ReAd Control
Q : Query Value
S : Set Value
C : Create SubKey
E : Enumerate Subkeys
Y : NotifY
L : Create Link
D : Delete
W : Write DAC
O : Write Owner
Service:
F : Full Control
R : Generic Read
W : Generic Write
X : Generic eXecute
L : Read controL
Q : Query Service Configuration
S : Query Service Status
E : Enumerate Dependent Services
C : Service Change Configuration
T : Start Service
O : Stop Service
P : Pause/Continue Service
I : Interrogate Service
U : Service User-Defined Control Commands
Share:
F : Full Control
R : Read
C : Change
Metabase:
F : Full Control
R : Read - MD_ACR_READ
W : Write - MD_ACR_WRITE
I : Restricted Write - MD_ACR_RESTRICTED_WRITE
U : Unsecure props read - MD_ACR_UNSECURE_PROPS_READ
E : Enum keys- MD_ACR_ENUM_KEYS
D : write Dac- MD_ACR_WRITE_DAC
Process:
F : Full Control
R : Read
W : Write
X : eXecute
SamObject:
F : Full Control
W : Write
R : Read
X : Execute
/SDENY
------
/sdeny=[DomainName\]User[=Access]
will add a Failed Audit Ace for the user and remove all existing
Audit Ace for this user(or group).
if Access is not specified, the Full Control access mask will be used.
File:
F : Full Control
C : Change
R : Read
P : Change Permissions
O : Take Ownership
X : eXecute
E : Read eXecute
W : Write
D : Delete
ClusterShare:
F : Full Control
R : Read
C : Change
Printer:
F : Full Control
M : Manage Documents
P : Print
KeyReg:
F : Full Control
R : Read
A : ReAd Control
Q : Query Value
S : Set Value
C : Create SubKey
E : Enumerate Subkeys
Y : NotifY
L : Create Link
D : Delete
W : Write DAC
O : Write Owner
Service:
F : Full Control
R : Generic Read
W : Generic Write
X : Generic eXecute
L : Read controL
Q : Query Service Configuration
S : Query Service Status
E : Enumerate Dependent Services
C : Service Change Configuration
T : Start Service
O : Stop Service
P : Pause/Continue Service
I : Interrogate Service
U : Service User-Defined Control Commands
Share:
F : Full Control
R : Read
C : Change
Metabase:
F : Full Control
R : Read - MD_ACR_READ
W : Write - MD_ACR_WRITE
I : Restricted Write - MD_ACR_RESTRICTED_WRITE
U : Unsecure props read - MD_ACR_UNSECURE_PROPS_READ
E : Enum keys- MD_ACR_ENUM_KEYS
D : write Dac- MD_ACR_WRITE_DAC
Process:
F : Full Control
R : Read
W : Write
X : eXecute
SamObject:
F : Full Control
W : Write
R : Read
X : Execute
/OBJECTEXCLUDE
--------------
/objectexclude=pattern
all objects matching the pattern string will be skipped (eXcluded).
The only wildcard valid is *. It can be used everywhere in the string.
Pattern may be a name ( *Name.exe ) or a path ( *dir\subdir\*ToExclude* ).
/PATHEXCLUDE
------------
/pathexclude=pattern
all containers matching the pattern string will not be enumerated.
See /objectexclude
N.B: the Actions specified will not be applied to the container too.
/STATISTIC
----------
/statistic
will display statistics when processing is finished.
/CROSSREPARSEPOINT
------------------
/crossreparsepoint
When processing a file system path, SubInacl will enumerate
file and directories below a reparsepoint except if /nocrossreparsepoint.
is specified.
/STRINGREPLACEONOUTPUT
----------------------
/stringreplaceonoutput=string1=string2
All occurrences of string1 will be replaced by string2 in subinacl output.
/SDDL
-----
/sddl=sddl_string
specify the Security descriptor for the object using the Win32 security
descriptor definition language (SDDL)
/APPLYONLY
----------
/applyonly=dacl,sacl,owner,group
Some subinacl options may change parts (owner,group,dacl,sacl) of the security descriptor.
You may restrict the change to some parts of the security descriptor only .
For instance /applyonly=dacl,sacl,owner will not modify the primary group field
/PATHCOPYSECURITY
-----------------
/pathcopysecurity=path_container
SubInacl will reset the security descriptor for the object with the same named object
in the container path.
Ex: - SubInacl /file c:\temp\*.txt /pathcopysecurity=d:\test
will replace the security (acls,owner,primarygroup) for c:\temp\1.txt with the security
retrieved from d:\test\1.txt (if this file exists)
-SubInacl /service Messenger /pathcopysecurity=\\Server
will update the security on the service Messenger with the security existing on the remote
messenger service
/OBJECTCOPYSECURITY
-------------------
/objectcopysecurity=object_path
SubInacl will reset the security descriptor with the object object_path
in the container path.
Ex: - SubInacl /file c:\temp\*.txt /objectcopysecurity=d:\test\mask.txt
will replace the security (acls,owner,primarygroup) for all txt files
in c: emp with the security retrieved on d:\test\amsk.txt
will update the security on the service Messenger with the security existing on the remote
messenger service
Een pad aan een stationsletter koppelen.
SUBST [station1: [station2:]pad]
SUBST station1: /D
station1: Bepaalt het virtuele station waaraan u een pad
wilt toewijzen.
[station2:]pad Bepaalt het fysieke station en pad waaraan u een
virtueel station wilt toewijzen.
/D Verwijdert een gekoppeld (virtueel) station.
Als u een lijst met huidige virtuele stations wilt weergeven,
typt u SUBST zonder parameters.
Hulpprogramma voor WinSxs-tracering
Syntaxis: SxsTrace [Opties]
Opties:
Trace -logfile:bestandsnaam [-nostop]
Tracering voor sxs inschakelen.
Traceringslogboek opgeslagen in 'bestandsnaam'.
Als -nostop is opgegeven, wordt niet gevraagd om het traceren
te stoppen.
Parse -logfile:bestandsnaam -outfile:Geparseerd_bestand
[-filter:Toepassingsnaam]
Het onbewerkte traceerbestand omzetten in een leesbare indeling en
het resultaat in Geparseerd_bestand opslaan.
Gebruik de optie -filter als u de uitvoer wilt filteren.
Stoptrace
Het traceren stoppen als dit nog niet is gestopt.
Voorbeelden: SxsTrace Trace -logfile:SxsTrace.etl
SxsTrace Parse -logfile:SxsTrace.etl -outfile:SxsTrace.txt
SYSTEMINFO [/S systeem [/U gebruikersnaam [/P wachtwoord]]] [/FO indeling]
[/NH]
Beschrijving:
Dit hulpprogramma geeft de configuratiegegevens van het besturingssysteem
een lokale of externe computer, inclusief servicepack-niveaus.
Parameterlijst:
/S systeem Bepaalt het systeem voor de verbinding
/U [domein\]gebruiker Bepaalt de gebruikerscontext waarbinnen de
opdracht moet worden uitgevoerd.
/P [wachtwoord] Bepaalt het wachtwoord voor de gegeven
gebruikerscontext. Vraagt om invoer indien
weggelaten.
/FO indeling Bepaalt in welke indeling de uitvoer moet worden
weergegeven. Geldige waarden: "TABLE", "LIST" en
"CSV".
/NH Bepaalt dat de kolomkop niet in de uitvoer moet
worden weergegeven. Alleen geldig voor de
indelingen "TABLE" en "CSV".
/? Dit helpbericht weergeven.
Voorbeelden:
SYSTEMINFO
SYSTEMINFO /?
SYSTEMINFO /S systeem
SYSTEMINFO /S systeem /U gebruiker
SYSTEMINFO /S systeem /U domein\gebruiker /P wachtwoord /FO TABLE
SYSTEMINFO /S systeem /FO LIST
SYSTEMINFO /S systeem /FO CSV /NH
TAKEOWN [/S computer [/U gebruikersnaam [/P [wachtwoord]]]]
/F bestandsnaam [/A] [/R [/D prompt]]
Beschrijving:
Met dit hulpprogramma kan een administrator opnieuw toegang
tot een ontoegankelijk bestand krijgen door opnieuw een
eigenaar toe te wijzen.
Parameterlijst:
/S computer De externe computer waarmee
verbinding wordt gemaakt.
/U [domein\]gebruiker
De gebruikerscontext waarin
opdracht moet worden uitgevoerd.
/P [wachtwoord] Het wachtwoord voor de
gebruikerscontext.
Vraagt om invoer indien weggelaten.
/F bestandsnaam Het naampatroon van de bestandsnaam
of mapnaam. Het jokerteken '*' mag worden
gebruikt
om het patroon op te geven. Toegestaan is:
sharenaam\bestandsnaam.
/A Eigenaar wordt de groep
Administrators in plaats van de huidige
gebruiker.
/R Recursief: hiermee werkt het hulpprogramma
in de opgegeven map en alle
submappen.
/D prompt Standaardantowoord wordt gebruikt als
de huidige gebruiker de bevoegdheid
'mappen weergeven' niet heeft. Dit gebeurt als
/R (recursief) wordt gebruikt in submappen.
Geldige waarden: 'Y' als u eigenaar wilt
worden of 'N' om over te slaan.
/? Deze helptekst weergeven.
OPMERKINGEN:
1) Als /A niet is opgegeven, wordt eigendom overgedragen aan
de huidig aangemelde gebruiker.
2) Gemengde patronen met '?' en '*' worden niet ondersteund.
3) Met de optie /D wordt de bevestigingsprompt weggelaten
Voorbeelden:
TAKEOWN /?
TAKEOWN /F verlorenbestand
TAKEOWN /F \\computer\share\verlorenbestand /A
TAKEOWN /F map /R /D N
TAKEOWN /F map /R /A
TAKEOWN /F *
TAKEOWN /F C:\Windows\System32\acme.exe
TAKEOWN /F %windir%\*.txt
TAKEOWN /S computer /F MijnShare\Acme*.doc
TAKEOWN /S computer /U gebruiker /F MijnShare\foo.dll
TAKEOWN /S computer /U domein\gebruiker /P wachtwoord /F share\bestandsnaam
TAKEOWN /S computer /U gebruiker /P wachtwoord /F Doc\Rapport.doc /A
TAKEOWN /S computer /U gebruiker /P wachtwoord /F Mijnshare\*
TAKEOWN /S computer /U gebruiker /P wachtwoord /F domein\aanmeldingsnaam /R
TAKEOWN /S computer /U gebruiker /P wachtwoord /F Mijnshare\map /R /A
TASKKILL [/S systeem [/U gebruikersnaam [/P [wachtwoord]]]]
{ [/FI filter] [/PID proces-id | /IM imagenaam] } [/T] [/F]
Beschrijving:
Dit hulpprogramma wordt gebruikt om taken op basis van proces-id (pid) of
imagenaam af te sluiten.
Parameterlijst:
/S systeem Bepaalt met welk extern systeem verbinding moet
worden gemaakt.
/U [domein\]gebruiker Bepaalt de gebruikerscontext waarbinnen de
opdracht moet worden uitgevoerd.
/P wachtwoord Bepaalt het wachtwoord voor de gegeven
gebruikerscontext.
/FI filter Past een filter toe voor het selecteren van een
set taken.
Het gebruik van '*' is toegestaan. Bijvoorbeeld
imagenaam = ralph*
/PID proces-id Bepaalt de pid van het te beëindigen proces.
Gebruik TaskList om de PID op te halen.
/IM imagenaam Bepaalt de imagenaam van het proces dat moet
worden beëindigd. Het jokerteken '*' is toegestaan
om alle taken of imagenamen op te geven.
/T Het opgegeven proces en alle
onderliggende processen die erdoor zijn gestart,
beëindigen.
/F Bepaalt de geforceerd te beëindigen processen.
/? Deze helptekst weergeven.
Filters:
Filternaam Geldige operatoren Geldige waarden
---------- ------------------ -------------------------
STATUS eq, ne RUNNING |
NOT RESPONDING | UNKNOWN
IMAGENAME eq, ne Imagenaam
PID eq, ne, gt, lt, ge, le Pid-waarde
SESSION eq, ne, gt, lt, ge, le Sessienummer
CPUTIME eq, ne, gt, lt, ge, le Processortijd in de volgende indeling:
uu:mm:ss.
uu - uur,
mm - minuten, ss - seconden
MEMUSAGE eq, ne, gt, lt, ge, le Geheugengebruik in kB
USERNAME eq, ne Gebruikersnaam in deze indeling:
[domein\]gebruiker
MODULES eq, ne DLL-naam
SERVICES eq, ne Servicenaam
WINDOWTITLE eq, ne Venstertitel
Opmerking
---------
1) het jokerteken * voor de schakeloptie /IM is alleen toegestaan als er
een filter wordt gebruikt.
2) Het beëindigen van externe processen wordt altijd dwangmatig uitgevoerd
(/F).
3) De filters "WINDOWTITLE" en "STATUS" worden genegeerd
als er een externe computer is opgegeven.
Voorbeelden:
TASKKILL /IM notepad.exe
TASKKILL /PID 1230 /PID 1241 /PID 1253 /T
TASKKILL /F /IM cmd.exe /T
TASKKILL /F /FI "PID ge 1000" /FI "WINDOWTITLE ne untitle*"
TASKKILL /F /FI "GEBRUIKER = NT AUTHORITY\SYSTEM" /IM notepad.exe
TASKKILL /S computer /U domein\gebruiker /FI "GEBRUIKER <> NT*" /IM *
TASKKILL /S systeem /U gebruikersnaam /P wachtwoord /FI
"IMAGENAME eq note*"
TASKLIST [/S systeem [/U gebruikersnaam [/P [wachtwoord]]]]
[/M [module] | /SVC | /V] [/FI filter] [/FO indeling] [/NH]
Beschrijving:
Dit hulpprogramma geeft een lijst met actieve taken op
de lokale of externe computer weer.
Parameterlijst:
/S systeem Het externe systeem waarmee verbinding moet worden
gemaakt.
/U [domein\]gebruiker
De gebruikerscontext waarin de opdracht moet worden
uitgevoerd.
/P [wachtwoord] Het wachtwoord voor de gegeven
gebruikerscontext.
/M [module] Alle taken weergeven die de opgegeven
exe-/dll-naam gebruiken. Als de modulenaam niet
wordt opgegeven, worden alle geladen modules
weergegeven.
/SVC De services van elk proces weergeven.
/V Uitgebreide taakinformatie weergeven
/FI filter Geeft een set taken weer die overeenkomen
met een criterium in het filter.
/FO indeling De uitvoerindeling.
Geldige waarden: "TABLE", "LIST", "CSV".
/NH De kolomkop moet niet in de uitvoer worden
weergegeven. Alleen geldig voor de indelingen
"TABLE" en "CSV".
/? Deze helptekst weergeven.
Filters:
Filternaam Geldige operatoren Geldige waarden
----------- ------------------ --------------------------
STATUS eq, ne RUNNING |
NOT RESPONDING | UNKNOWN
IMAGENAME eq, ne Imagenaam
PID eq, ne, gt, lt, ge, le Pid-waarde
SESSION eq, ne, gt, lt, ge, le Sessienummer
SESSIONNAME eq, ne Sessienaam
CPUTIME eq, ne, gt, lt, ge, le Processortijd in de volgende
indeling:
uu:mm:ss
uu - uren,
mm - minuten, ss - seconden
MEMUSAGE eq, ne, gt, lt, ge, le Geheugengebruik in kB
USERNAME eq, ne Gebruikersnaam in de volgende
indeling: [domein\]gebruiker
SERVICES eq, ne Servicenaam
WINDOWTITLE eq, ne Venstertitel
MODULES eq, ne DLL-naam
Opmerking: "WINDOWTITLE" en "STATUS" worden niet ondersteund bij het raadplegen
van een externe computer.
Voorbeelden:
TASKLIST
TASKLIST /M
TASKLIST /V /FO CSV
TASKLIST /SVC /FO LIST
TASKLIST /M wbem*
TASKLIST /S computer /FO LIST
TASKLIST /S computer /U domein\gebruikersnaam /FO CSV /NH
TASKLIST /S computer /U gebruikersnaam /P wachtwoord /FO TABLE /NH
TASKLIST /FI "USERNAME ne NT AUTHORITY\SYSTEM" /FI "STATUS eq running"
De systeemtijd weergeven of instellen. TIME [/T | time] Typ TIME zonder parameters om de actieve tijdsinstelling weer te geven en te vragen voor een nieuwe instelling. Druk op ENTER om dezelfde tijd te behouden. Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, ondersteunt de opdracht TIME de schakeloptie /T, waarmee de opdracht alleen de huidige tijd weergeeft, zonder te vragen om een nieuwe tijd.
TIMEOUT [/T] time out [/NOBREAK]
Beschrijving:
Dit hulpprogramma accepteert een parameter voor time-out. Er wordt
gewacht gedurende de opgegeven periode (seconden) of totdat een
toets wordt ingedrukt. Toetsindruk kan worden genegeerd.
Parameterlijst:
/T time out Het aantal seconden dat dient te worden gewacht.
Geldig bereik is van -1 tot 99999 seconden.
/NOBREAK Negeer drukken op toetsen en wacht de opgegeven
tijd.
/? Dit helpbericht weergeven.
Opmerking: een waarde van -1 betekent dat moet worden gewacht op het
indrukken van een toets.
Voorbeelden:
TIMEOUT /?
TIMEOUT /T 10
TIMEOUT /T 300 /NOBREAK
TIMEOUT /T -1
Stelt de titel in voor het opdrachtpromptvenster. TITLE [tekenreeks] tekenreeks De titel voor het opdrachtpromptvenster.
Microsoft © TraceRpt.Exe (6.1.7600.16385)
Syntaxis:
TRACERPT <[-l] <value [value [...]]>|-rt <session_name [session_name [...]]>> [opties]
Opties:
-? Contextgevoelige Help weergeven.
-config <filename> Instellingenbestand met opdrachtopties.
-y Alle antwoorden zonder te vragen met ja
beantwoorden.
-f <XML|HTML> Rapportage-indeling.
-of <CSV|EVTX|XML> Dumpindeling, standaardwaarde is XML.
-en <ANSI|Unicode> Codering van uitvoerbestand. Alleen
toegestaan als de CSV-uitvoerindeling is
geselecteerd.
-df <filename> Microsoft-specifiek schemabestand voor
tellingen/rapportage.
-import <filename [filename [...]]> Importbestand voor gebeurtenisschema.
-int <filename> De geïnterpreteerde gebeurtenisstructuur in
het opgegeven bestand dumpen.
-rts Tijdstempel voor onbewerkt rapport in de
koptekst voor gebeurtenistracering. U kunt
dit alleen gebruiken met -o, en niet met
-report of -summary.
-tmf <filename> Definitiebestand voor de indeling van
traceringsberichten
-tp <value> Het zoekpad voor TMF-bestanden. U kunt
meerdere paden gebruiken, gescheiden met ';'.
-i <value> Het pad naar de provider-image. De
overeenkomende PDB bevindt zich op de
symboolserver. U kunt meerdere paden
gebruiken, gescheiden met ';'.
-pdb <value> Het pad naar de symboolserver. U kunt
meerdere paden gebruiken, gescheiden met ';'.
-gmt Tijdstempels voor WPP-nettolading converteren
naar GMT-tijd
-rl <value> Systeemrapportniveau van 1 tot 5, de
standaardwaarde is 1.
-summary [filename] Beknopt tekstrapportbestand. Standaard is dit
summary.txt.
-o [filename] Tekstuitvoerbestand. Standaard is dumpfile.xml.
-report [filename] Tekstuitvoerrapportbestand. Standaard is dit
workload.xml.
-lr Minder beperkend; beste poging voor
gebeurtenissen die niet met gebeurtenisschema
overeenkomen.
-export [filename] Exportbestand met gebeurtenisschema.
Standaardwaarde is schema.man.
[-l] <value [value [...]]> Te verwerken
gebeurtenistraceringslogboekbestand.
-rt <session_name [session_name [...]]> Real-time gegevensbron voor een
gebeurtenistraceersessie.
Voorbeelden:
tracerpt logbestand1.etl logbestand2.etl -o logdump.xml -of XML
tracerpt logbestand.etl -o logdmp.xml -of XML -lr -summary logdmp.txt -report logrpt.xml
tracerpt logbestand1.etl logbestand2.etl -o -report
tracerpt logfile.etl counterfile.blg -report logrpt.xml -df schema.xml
tracerpt -rt "NT-kernellogboekregistratie" -o logbestand.csv -of CSV
Syntaxis: tracert [-d] [-h maximum_hops] [-j hostlijst]
[-R] [-S srcaddr] [-4] [-6] bestemmingsnaam
Opties:
-d Adressen niet omzetten in hostnamen.
-h maximum_hops Maximum aantal hops voor het zoeken naar het doel.
-j hostlijst Niet-strikte bronroute volgens hostlijst (alleen IPv4).
-w time-out Time-out in milliseconden voor ieder antwoord.
-R Pad voor retourtracering (alleen IPv6).
-S srcaddr Te gebruiken bronadres (alleen IPv6).
-4 Gebruik van IPv4 afdwingen.
-6 Gebruik van IPv6 afdwingen.
Geeft de mapstructuur van een station of pad grafisch weer. TREE [station:][pad] [/F] [/A] /F De namen van de bestanden in alle mappen weergeven. /A ASCII in plaats van uitgebreide tekenset gebruiken.
De inhoud van een tekstbestand of -bestanden weergeven. TYPE [station:][pad]bestandsnaam
Microsoft © TypePerf.exe (6.1.7600.16385)
Met Typeperf worden prestatiegegevens naar het opdrachtvenster of een
logboekbestand geschreven. Beëindig Typeperf door op Ctrl+C te drukken.
Syntaxis:
TYPEPERF { <counter [counter ...]>
| -cf <bestandsnaam>
| -q [object]
| -qx [object]
} [opties]
Parameters:
<counter [counter ...]> De prestatiemeteritems die moeten worden
gecontroleerd.
Opties:
-? Contextgevoelige Help weergeven.
-f <CSV|TSV|BIN|SQL> De indeling van het uitvoerbestand. Standaard
is dit CSV.
-cf <bestandsnaam> Een bestand met de prestatiemeteritems die
moeten worden gecontroleerd, één per
regel.
-si <[[hh:]mm:]ss> De tijd tussen steekproeven. Standaard is dit
1 seconde.
-o <bestandsnaam> Het pad van het uitvoerbestand of de
SQL-database. De standaardwaarde is
STDOUT.
-q [object] Geïnstalleerde items weergeven (geen
instanties). Als u items voor één object wilt
weergeven, dient u de objectnaam, zoals
Processor, te vermelden.
-qx [object] Geïnstalleerde items met instanties
weergeven. Als u items voor één object wilt
weergeven, dient u de objectnaam, zoals
Processor, weer te geven.
-sc <samples> Het aantal te verzamelen steekproeven.
Standaard worden steekproeven genomen totdat
op Ctrl+C wordt gedrukt.
-config <bestandsnaam> Instellingenbestand met opdrachtopties.
-s <computer_name> De server die moet worden gecontroleerd als
geen server in het itempad is opgegeven.
-y Alle antwoorden zonder te vragen met ja
beantwoorden.
Opmerking:
Item is de volledige naam van een prestatiemeteritem in
de notatie "\\<Computer>\<Object>(<Exemplaar>)\<Item>",
zoals "\\Server1\Processor(0)\% Gebruikerstijd".
Voorbeelden:
typeperf "\Processor(_Total)\% Processor Time"
typeperf -cf counters.txt -si 5 -sc 50 -f TSV -o domain2.tsv
typeperf -qx PhysicalDisk -o counters.txt
Windows-hulpprogramma voor tijdzones
Gebruik:
TZUTIL </? | /g | /s TimeZoneID[_dstoff] | /l>
Parameters:
/? Gebruiksinformatie weergeven.
/g De huidige tijdzone-id weergeven.
/s TimeZoneID[_dstoff]
De huidige tijdzone instellen met behulp van de opgegeven tijdzone-id.
Met het achtervoegsel _dstoff worden aanpassingen aan de
zomer-/wintertijd uitgeschakeld voor de tijdzone(indien van toepassing).
/l Alle geldige tijdzone-id's en de weergavenamen weergeven. De uitvoer
is als volgt:
<weergavenaam>
<tijdzone-id>
Voorbeelden:
TZUTIL /g
TZUTIL /s "Pacific Standard Time"
TZUTIL /s "Pacific Standard Time_dstoff"
Opmerkingen:
Met de afsluitingscode 0 wordt aangegeven dat de opdracht probleemloos is
voltooid.
UNLODCTR
Itemnamen en verklarende tekst verwijderen voor het opgegeven
item.
Syntaxis:
UNLODCTR <stuurprogramma>
stuurprogramma is de naam van het stuurprogramma waarvan de itemnaam-
definities en verklarende tekst moeten worden verwijderd
uit het register van het systeem.
UNLODCTR /m:<manifest>
manifest is de naam van het manifestbestand dat prestatiemeteritem-
definities bevat. Deze items worden van het lokale systeem verwijderd.
UNLODCTR /g:{ProviderGuid}
ProviderGuid is het prestatiemeteritem dat wordt verwijderd.
UNLODCTR /p:<Providernaam>
Providernaam is provider van prestatiemeteritems die wordt verwijderd.
Let op: argumenten met spaties in de naam moeten tussen dubbele
aanhalingstekens staan.
Hiermee kunt u opgeslagen referenties maken, weergeven of verwijderen. De volgende opdrachten worden ondersteund. Typ VaultCmd /<opdracht> /? voor meer informatie. VaultCmd /create VaultCmd /lock VaultCmd /unlock VaultCmd /load VaultCmd /unload VaultCmd /list VaultCmd /listschema VaultCmd /listcreds VaultCmd /addcreds VaultCmd /deletecreds VaultCmd /listproperties VaultCmd /setproperties
Beheer van stuurprogrammacontrole - versie 6.1.7600.16385
Copyright (c) Microsoft Corporation. All rights reserved.
verifier /standard /driver NAAM [NAAM ...]
verifier /standard /all
verifier [/flags VLAGGEN ] [/faults [MOGELIJKHEID [LABELS [TOEPASSINGEN [MINUTEN]]]] /driver NAAM [NAAM ...]
verifier [/flags VLAGGEN ] [/faults [MOGELIJKHEID [LABELS [TOEPASSINGEN [MINUTEN]]]] /all
verifier /querysettings
verifier /volatile /flags VLAGGEN
verifier /volatile /adddriver NAAM [NAAM ...]
verifier /volatile /removedriver NAAM [NAAM ...]
verifier /volatile /faults [MOGELIJKHEID [LABELS [TOEPASSINGEN]]
verifier /reset
verifier /query
verifier /log NAAM_LOGBOEKBESTAND [/interval SECONDEN]
VLAGGEN moet een decimaal of hexadecimaal nummer zijn, een combinatie van bits:
bit 0 - speciale pool-controle
bit 1 - irql-controle forceren
bit 2 - simulatie van onvoldoende bronnen
bit 3 - pool-tracering
bit 4 - I/O-verificatie
bit 5 - deadlock-detectie
bit 6 - ongebruikt
bit 7 - DMA-verificatie
bit 8 - beveiligingscontroles
bit 9 - in behandeling zijnde I/O-aanvragen forceren
bit 10 - IRP-logboekregistratie
bit 11 - verschillende controles
Bijvoorbeeld: /flags 27 is gelijk aan /flags 0x1B
De optie /volatile kan worden gebruikt om de verifierinstellingen
dynamisch te wijzigen zonder het systeem opnieuw op te starten.
Alle nieuwe instellingen gaan verloren als het systeem opnieuw wordt gestart.
Optionele parameters voor foutinvoer:
PROBABILITY - een getal tussen 1 en 10.000 dat de kans op de invoer van
fouten aangeeft. Als u de waarde 100 opgeeft, is de kans op de invoer
waarschijnlijkheid van 1% (100/10.000). Als deze parameter niet
opgegeven is, wordt 6% gebruikt als standaardkans.
TAGS - de groepslabels waarin fouten worden ingevoerd. Scheid de
gescheiden door spaties. Als u deze parameter niet opgeeft,
kunnen in elke groepstoewijzing fouten worden ingevoerd.
APPLICATIONS - de kopiebestandsnamen van de toepassingen waarin fouten
worden ingevoerd. Scheid de namen met spaties. Als u
Als u deze parameter niet opgeeft, kan simulatie van weinig beschikbare bronnen
in elke toepassing optreden.
MINUTEN - een positief getal dat de periode in minuten aangeeft waarin na het
opnieuw opstarten geen fouten worden ingevoerd.
Als u deze parameter niet opgeeft, wordt
de standaardduur van acht minuten gebruikt.
Vertelt CMD.EXE of moet worden gecontroleerd of de bestanden correct naar een schijf worden geschreven. VERIFY [ON | OFF] VERIFY zonder parameter geeft de huidige instelling voor VERIFY weer.
De volumenaam en het volumenummer van een schijf weergeven, indien aanwezig. VOL [station:]
vssadmin 1.1 - Opdrachtregelbeheerprogramma voor Volume Shadow Copy-service (C) Copyright 2001-2005 Microsoft Corp. ---- Ondersteunde opdrachten ---- Delete Shadows - Volumeschaduwkopieën verwijderen List Providers - geregistreerde providers van volumeschaduwkopieën weergeven List Shadows - Geeft bestaande schaduwkopieën weer List ShadowStorage - de opslagkoppelingen voor volumeschaduwkopieën weergeven List Volumes - alle volumes weergeven die voor schaduwkopieën in aanmerking komen List Writers - ingeschreven schrijvers van volumeschaduwkopieën weergeven Resize ShadowStorage - het formaat van een opslagkoppeling voor volumeschaduwkopieën wijzigen
w32tm [/? | /register | /unregister ]
? - dit Help-venster.
register - als uit te voeren service registreren en standaardconfiguratie
aan het register toevoegen
unregister - serviceregistratie ongedaan maken en alle configuratie-
gegevens uit register verwijderen
w32tm /monitor [/domain:<domeinnaam>]
[/computers:<naam>[,<naam>[,<naam>...]]]
[/threads:<aantal>] [/ipprotocol:<4|6>] [/nowarn]
domain - hiermee geeft u het te controleren domein op. Als geen domeinnaam
wordt opgegeven, of de opties domain en computers worden opgegeven,
wordt het standaarddomein gebruikt. Deze schakeloptie kan meerdere
keren worden opgegeven.
computers - hiermee wordt de opgegeven lijst met computers gecontroleerd.
Scheid computernamen met komma's, niet met spaties. Als een naam
wordt voorafgegaan door een '*', wordt deze als AD-PDC behandeld.
Deze schakeloptie kan meerdere keren worden opgegeven.
threads - het aantal computers dat tegelijk wordt geanalyseerd.
De standaardwaarde is 3. Het toegestane bereik is 1-50.
ipprotocol - Het IP-protocol dat moet worden gebruikt. Standaard
wordt het protocol gebruikt dat beschikbaar is.
nowarn - waarschuwingsbericht overslaan.
w32tm /ntte <NT-tijdsepoche>
Een NT-systeemtijd in intervallen van (10ˆ-7) vanaf 0 uur op 1 januari 1601
in een leesbare indeling omzetten.
w32tm /ntpte <NTP-tijdsepoche>
Een NTp-systeemtijd in intervallen van (2ˆ-32) vanaf 0 uur op 1 januari 1900
in een leesbare indeling omzetten.
w32tm /resync [/computer:<computer>] [/nowait] [/rediscover] [/soft]
Bepaalt dat de opgegeven computer zijn systeemtijd zo spoedig mogelijk moet
synchroniseren en alle verzamelde foutstatistieken moet verwerpen.
computer:<computer> de te synchroniseren computer. Als er geen computer
wordt opgegeven, synchroniseert de lokale computer.
nowait - niet op de hersynchronisatie wachten maar onmiddellijk terugkeren.
Zonder deze optie wordt de hersynchronisatie eerst afgemaakt.
rediscover - de netwerkconfiguratie opnieuw detecteren en netwerkbronnen
opnieuw vinden voordat opnieuw wordt gesynchroniseerd.
soft - opnieuw synchroniseren met behulp van foutstatistieken. Deze methode
wordt alleen om compatibiliteitsredenen ondersteund en wordt niet
aanbevolen.
w32tm /stripchart /computer:<doel> [/period:<vernieuwing>] [/dataonly]
[/samples:<aantal>]
Een strepengrafiek van het verschil tussen deze computer en de andere
computer.
computer:<doel> - de computer om het verschil mee vast te stellen.
period:<vernieuwing> - de tijd tussen samples, in seconden. De
standaardwaarde is 2 seconden.
dataonly - alleen de gegevens weergeven, zonder een grafiek.
samples:<aantal> - verzamelt het opgegeven aantal samples. Als er geen
aantal wordt opgegeven, gaat het verzamelen door totdat Ctrl-C wordt
ingedrukt.
w32tm /config [/computer:<doel>] [/update]
[/manualpeerlist:<peers>] [/syncfromflags:<bron>]
[/LocalClockDispersion:<seconden>]
[/reliable:(YES|NO)]
[/largephaseoffset:<milliseconden>]
computer:<doel> - de configuratie van het <doel> aanpassen. Als er
geen doel wordt opgegeven, wordt de lokale computer genomen.
update - meldt de tijdservice dat de configuratie is gewijzigd,
waardoor de wijzigingen van kracht worden.
manualpeerlist:<peers> - stelt de handmatige-peerlijst in op <peers>.
Dit is een door spaties gescheiden lijst met DNS- en/of IP-
adressen. Als er meerdere peers worden opgegeven, dient deze
schakeloptie in dubbele aanhalingstekens te worden opgegeven.
syncfromflags:<bron> - bepaalt de bronnen waarmee de NTP-client
moet synchroniseren. <bron> dient een door spaties
gescheiden lijst met de volgende sleutelwoorden te zijn.
Deze zijn niet hoofdlettergevoellig:
MANUAL - inclusief peers van de handmatige-peerlijst
DOMHIER - synchroniseren vanuit een AD-domeincontroller in de
domeinhiërarchie.
LocalClockDispersion:<seconden> - configureert de accuratesse van de
interne klok die w32time als bron neemt wanneer de tijd niet bij
de geconfigureerde bronnen kan ophalen.
reliable:(YES|NO) - bepaalt of deze computer een betrouwbare tijdsbron is.
Deze instelling is slechts van belang op domeincontrollers.
YES - deze computer is een betrouwbare tijdsbron
NO - deze computer is geen betrouwbare tijdsbron
largephaseoffset:<milliseconden> - stelt het tijdsverschil tussen
de lokale computer en het netwerk in, die w32time als referentie neemt.
w32tm /tz
De huidige tijdzone-instellingen weergeven.
w32tm /dumpreg [/subkey:<sleutel>] [/computer:<doel>]
De waarden weergeven die bij een bepaalde registersleutel horen.
De standaardsleutel is HKLM\System\CurrentControlSet\Services\W32Time
(de hoofdsleutel voor de tijdservice).
subkey:<sleutel> - de waarden weergeven die bij de subsleutel <sleutel> van
de standaardsleutel horen.
computer:<doel> - vraagt de registerinstellingen voor de computer <doel> op
w32tm /query [/computer:<doel>]
{/source | /configuration | /peers | /status}
[/verbose]
De informatie over de Windows Time-service van de computer weergeven.
computer:<doel> - de informatie van <doel> opvragen. Als dit niet wordt
opgegeven, is de lokale computer de standaardinstelling.
source: de bron van de tijd weergeven.
configuration: de configuratie van runtime en waar de instellingen
vandaan komen weergeven. In uitgebreide modus worden de
onbepaalde of ongebruikte instellingen ook weergegeven.
peers: een lijst met gelijken en hun status weergeven.
status: de status van de Windows Time-service weergeven.
verbose: de uitgebreide modus instellen om meer informatie weer te geven.
w32tm /debug {/disable | {/enable /file:<naam> /size:<waarde>
/entries:<waarde> [/truncate]}}
Het persoonlijke logboek van de Windows Time-service van de computer
in- of uitschakelen.
disable: het persoonlijke logboek uitschakelen.
enable: het persoonlijke logboek inschakelen.
file:<name> - de absolute bestandsnaam opgeven.
size:<bytes> - de maximum grootte voor logboekregistratie.
entries: <waarde> - bevat een lijst met vlaggen, met cijfers opgegeven
en gescheiden door komma's, die de typen gegevens opgeven die moeten
worden geregistreerd. Geldige cijfers zijn 0 tot 300. Een bereik van
nummers is geldig,samen met enkele nummers zoals 0-100,103,106.
Waarde 0-300 is voor het registreren van alle gegevens.
truncate: het bestand afbreken als het bestaat.
WaitFor kan op twee manieren functioneren:
Syntaxis 1: signaal verzenden
WAITFOR [/S computer [/U gebruiker [/P [wachtwoord]]]] /SI signaal
Syntax 2: wachten op een signaal
WAITFOR [/T timeout] signaal
Beschrijving:
Dit hulpprogramma verzendt, of wacht op een signaal op een systeem.
Als /S niet is opgegeven, wordt het signaal aan alle computers in een
domein verzonden. Als /S is opgegeven, wordt het signaal alleen
aan de opgegeven computer verzonden.
Parameterlijst:
/S computer Het externe systeem waaraan een signaal wordt
verzonden.
/U [domein\]gebruiker De gebruikerscontext waarin de opdracht
dient te worden uitgevoerd.
/P [wachtwoord] Het wachtwoord voor de opgegeven
gebruikerscontext
/SI Verzendt het signaal via het net naar wachtende
computers
/T timeout Aantal seconden wachten op signaal. Geldig bereik
is 1 - 99999. Standaardinstelling is onbeperkt
wachten.
signaal Naam van het signaal waarop wordt gewacht of
dat wordt verzonden.
/? Dit helpbericht weergeven.
Opmerking: een computer kan op meerdere unieke signalen tegelijk wachten.
De naam van het signaal kan niet langer dan 255 tekens zijn
en kan alleen de volgende tekens bevatten: a-z, A-Z, 0-9
en ASCII-tekens in het bereik 128-255.
Voorbeelden:
WAITFOR /?
WAITFOR SetupReady
WAITFOR CopyDone /T 100
WAITFOR /SI SetupReady
WAITFOR /S computer /U gebruiker /P wachtwoord /SI CopyDone
wbadmin 1.0 - opdrachtregelprogramma voor het maken van back-ups
(C) Copyright 2004 Microsoft Corp.
---- Ondersteunde opdrachten ----
START BACKUP -- Hiermee voert u een eenmalige back-up uit.
STOP JOB -- Hiermee wordt de actieve back-up- of
herstelbewerking gestopt.
GET VERSIONS -- Hiermee geeft u de details weer van back-ups die
kunnen worden hersteld vanaf een opgegeven
locatie.
GET ITEMS -- Hiermee geeft u de items in een back-up weer.
GET STATUS -- Hiermee wordt de status van de actieve bewerking
weergegeven.
Windows Event Collector Utility
Enables you to create and manage subscriptions to events forwarded from remote
event sources that support WS-Management protocol.
Usage:
You can use either the short (i.e. es, /f) or long (i.e. enum-subscription, /format)
version of the command and option names. Commands, options and option values are
case-insensitive.
(ALL UPPER-CASE = VARIABLE)
wecutil COMMAND [ARGUMENT [ARGUMENT] ...] [/OPTION:VALUE [/OPTION:VALUE] ...]
Commands:
es (enum-subscription) List existent subscriptions.
gs (get-subscription) Get subscription configuration.
gr (get-subscriptionruntimestatus) Get subscription runtime status.
ss (set-subscription) Set subscription configuration.
cs (create-subscription) Create new subscription.
ds (delete-subscription) Delete subscription.
rs (retry-subscription) Retry subscription.
qc (quick-config) Configure Windows Event Collector service.
Common options:
/h|? (help)
Get general help for the wecutil program.
wecutil { -help | -h | -? }
For arguments and options, see usage of specific commands:
wecutil COMMAND -?
Opdrachtregelprogramma voor Windows-gebeurtenissen.
Hiermee kunt u informatie over gebeurtenislogboeken en uitgevers ervan
verkrijgen, gebeurtenismanifests installeren en verwijderen, query's
uitvoeren, en logboeken exporteren, archiveren en wissen.
Syntaxis:
U kunt de korte (bijvoorbeeld ep /uni) of de lange (bijvoorbeeld
enum-publishers /unicode) versie van de opdrachten en opties gebruiken.
Opdrachten, opties en optiewaarden zijn niet hoofdlettergevoelig.
Variabelen worden in hoofdletters geschreven.
wevtutil OPDRACHT [ARGUMENT [ARGUMENT] ...] [/OPTIE:WAARDE
[/OPTIE:WAARDE] ...]
Opdrachten:
el | enum-logs logboeknamen weergeven.
gl | get-log informatie over logboekconfiguratie ophalen.
sl | set-log configuratie van een logboek bijwerken.
ep | enum-publishers gebeurtenisuitgevers weergeven.
gp | get-publisher configuratie-informatie over uitgevers weergeven.
im | install-manifest gebeurtenisuitgevers en logboeken installeren uit
manifest.
um | uninstall-manifest gebeurtenisuitgevers en logboeken verwijderen uit
manifest.
qe | query-events query's uitvoeren voor gebeurtenissen vanuit een
logboek of logboekbestand.
gli | get-log-info informatie over logboekstatus ophalen.
epl | export-log een logboek exporteren.
al | archive-log een geÙxporteerd logboek archiveren.
cl | clear-log een logboek wissen.
Veelgebruikte opties:
/{r | remote}:WAARDE
Als deze optie wordt opgegeven, voert u de opdracht uit op de externe
computer. WAARDE is de naam van de externe computer. V/im en /um ondersteunen
geen externe bewerkingen.
/{u | username}:WAARDE
Een andere gebruiker opgeven voor aanmelding bijde externe computer.
WAARDE is een gebruikersnaam met indeling domein\gebruiker of gebruiker.
Alleen geldig als optie /r (remote) wordt opgegeven.
/{p | password}:WAARDE
Wachtwoord voor de opgegeven gebruiker. Als deze niet is opgegeven of als
WAARDE '*' is, wordt de gebruiker om een wachtwoord gevraagd. Alleen van
toepassing als de optie /u (username) wordt opgegeven.
/{a | authentication}:[Default|Negotiate|Kerberos|NTLM]
Verificatietype voor het maken van verbinding met de externe computer.
Standaardwaarde is Negotiate.
/{uni | unicode}:[true|false]
Uitvoer in Unicode weergeven. Als true is opgegeven, is de uitvoer in Unicode.
Typ de volgende opdracht voor meer informatie over een bepaalde opdracht:
wevtutil COMMAND /?
WHERE [/R map] [/Q] [/F] [/T] patroon...
Beschrijving:
Hiermee wordt de locatie van alle bestanden weergegeven die aan het
zoekfilter voldoen. Standaard wordt alleen in de huidige map en
in de paden die zijn opgegeven in de variabele PATH gezocht.
Parameterlijst:
/R Zoekt recursief en geeft de bestanden weer die overeen-
komen met het zoekfilter. Gestart wordt in de opgegeven map.
/Q Retourneert alleen de afsluitcode, zonder de lijst met
gevonden bestanden (stille modus)
/F Geeft de bestandsnaam binnen dubbele aanhalingstekens weer.
/T Geeft de bestandsgrootte, datum/tijd laatst gewijzigd
weer voor alle gevonden bestanden.
zoekfilter
Het zoekfilter waaraan de bestanden moeten voldoen.
De jokertekens * en ? kunnen in het filter worden gebruikt.
de indelingen '$env:pattern' en 'path:pattern' kan ook worden
opgegeven, met "env" als omgevingsvariabele en met /R.
uitgevoerd in de opgegeven paden van de variabele
'env' (omgeving). Deze indeling kan niet worden gebruikt met /R.
De zoekactie wordt ook uitgevoerd met het toevoegen van
uitbreidingen van de variabele PATHEXT aan het zoekpatroon.
/? Dit helpbericht weergeven
OPMERKING: het hulpprogramma retourneert een foutniveau van 0
als de zoekactie resultaat heeft, 1 als geen resultaten worden gevonden
en 2 bij mislukte zoekacties of fouten.
Voorbeelden:
WHERE /?
WHERE mijnbestandsnaam1 mijnbestand????.*
WHERE $windir:*.*
WHERE /r c:\windows *.exe *.dll *.bat
WHERE /Q ??.???
WHERE "c:\windows;c:\windows\system32:*.dll"
WHERE /f /t *.dll
WhoAmI kan op drie manieren functioneren:
Syntaxis 1:
WHOAMI [/UPN | /FQDN | /LOGONID]
Syntaxis 2:
WHOAMI { [/USER] [/GROUPS] [/PRIV] } [/FO indeling] [/NH]
Syntaxis 3:
WHOAMI /ALL [/FO indeling] [/NH]
Beschrijving:
Dit hulpprogramma kan worden gebruikt voor het ophalen van
de gebruikersnaam en groepsgegevens samen met beveiligings-id's,
bevoegdheden, aanmeldings-id's van de huidige gebruiker
op het lokale systeem, m.a.w. wie is de aangemelde gebruiker?
Als er geen schakeloptie wordt opgegeven, wordt de gebruikers-
naam in NTLM-indeling weergegeven (domein\gebruikersnaam).
Parameterlijst:
/UPN Hiermee wordt de gebruikersnaam in UPN-
indeling (User Principal Name) weergegeven.
/FQDN Hiermee wordt de gebruikersnaam in FQDN-
(Fully Qualified Distinguished Name)-indeling
weergegeven.
/USER Hiermee worden gegevens van de huidige
gebruiker samen met beveiligings-id's weergegeven.
/GROUPS Hiermee wordt groepslidmaatschap voor de
huidige gebruiker, type account en de
beveiligings-id's en kenmerken weergegeven.
/PRIV Geeft beveiligingsbevoegdheden van de
huidige gebruiker weer.
/LOGONID Geeft aanmeldings-id van de huidige gebruiker weer.
/ALL Hiermee worden de huidige gebruikersnaam,
groepslidmaatschap en beveiligings-id's
en bevoegdheden voor het huidige token
voor gebruikerstoegang weergegeven.
/FO indeling De indeling van de uitvoer
Geldige waarden zijn TABLE, LIST, CSV.
Kolomkoppen worden niet weergegeven in CSV-
indeling. De standaardindeling is TABLE.
/NH Geeft aan dat de kolomkop niet moet worden
weergegeven in de uitvoer. Dit is
alleen geldig voor TABLE- en CSV-indelingen.
/? Dit helpbericht weergeven.
Voorbeelden:
WHOAMI
WHOAMI /UPN
WHOAMI /FQDN
WHOAMI /LOGONID
WHOAMI /USER
WHOAMI /USER /FO LIST
WHOAMI /USER /FO CSV
WHOAMI /GROUPS
WHOAMI /GROUPS /FO CSV /NH
WHOAMI /PRIV
WHOAMI /PRIV /FO TABLE
WHOAMI /USER /GROUPS
WHOAMI /USER /GROUPS /PRIV
WHOAMI /ALL
WHOAMI /ALL /FO LIST
WHOAMI /ALL /FO CSV /NH
WHOAMI /?
Windows Remote Management Command Line Tool
Windows Remote Management (WinRM) is the Microsoft implementation of
the WS-Management protocol which provides a secure way to communicate
with local and remote computers using web services.
Usage:
winrm OPERATION RESOURCE_URI [-SWITCH:VALUE [-SWITCH:VALUE] ...]
[@{KEY=VALUE[;KEY=VALUE]...}]
For help on a specific operation:
winrm g[et] -? Retrieving management information.
winrm s[et] -? Modifying management information.
winrm c[reate] -? Creating new instances of management resources.
winrm d[elete] -? Remove an instance of a management resource.
winrm e[numerate] -? List all instances of a management resource.
winrm i[nvoke] -? Executes a method on a management resource.
winrm id[entify] -? Determines if a WS-Management implementation is
running on the remote machine.
winrm quickconfig -? Configures this machine to accept WS-Management
requests from other machines.
winrm configSDDL -? Modify an existing security descriptor for a URI.
winrm helpmsg -? Displays error message for the error code.
For help on related topics:
winrm help uris How to construct resource URIs.
winrm help aliases Abbreviations for URIs.
winrm help config Configuring WinRM client and service settings.
winrm help certmapping Configuring client certificate access.
winrm help remoting How to access remote machines.
winrm help auth Providing credentials for remote access.
winrm help input Providing input to create, set, and invoke.
winrm help switches Other switches such as formatting, options, etc.
winrm help proxy Providing proxy information.
USAGE ===== (ALL UPPER-CASE = value that must be supplied by user.) winrs [-/SWITCH[:VALUE]] COMMAND COMMAND - Any string that can be executed as a command in the cmd.exe shell. SWITCHES ======== (All switches accept both short form or long form. For example both -r and -remote are valid.) -r[emote]:ENDPOINT - The target endpoint using a NetBIOS name or the standard connection URL: [TRANSPORT://]TARGET[:PORT]. If not specified -r:localhost is used. -un[encrypted] - Specify that the messages to the remote shell will not be encrypted. This is useful for troubleshooting, or when the network traffic is already encrypted using ipsec, or when physical security is enforced. By default the messages are encrypted using Kerberos or NTLM keys. This switch is ignored when HTTPS transport is selected. -u[sername]:USERNAME - Specify username on command line. If not specified the tool will use Negotiate authentication or prompt for the name. If -username is specified, -password must be as well. -p[assword]:PASSWORD - Specify password on command line. If -password is not specified but -username is the tool will prompt for the password. If -password is specified, -user must be specified as well. -t[imeout]:SECONDS - This option is deprecated. -d[irectory]:PATH - Specifies starting directory for remote shell. If not specified the remote shell will start in the user's home directory defined by the environment variable %USERPROFILE%. -env[ironment]:STRING=VALUE - Specifies a single environment variable to be set when shell starts, which allows changing default environment for shell. Multiple occurrences of this switch must be used to specify multiple environment variables. -noe[cho] - Specifies that echo should be disabled. This may be necessary to ensure that user's answers to remote prompts are not displayed locally. By default echo is "on". -nop[rofile] - Specifies that the user's profile should not be loaded. By default the server will attempt to load the user profile. If the remote user is not a local administrator on the target system then this option will be required (the default will result in error). -a[llow]d[elegate] - Specifies that the user's credentials can be used to access a remote share, for example, found on a different machine than the target endpoint. -comp[ression] - Turn on compression. Older installations on remote machines may not support compression so it is off by default. -[use]ssl - Use an SSL connection when using a remote endpoint. Specifying this instead of the transport "https:" will use the default WinRM default port. -? - Help To terminate the remote command the user can type Ctrl-C or Ctrl-Break, which will be sent to the remote shell. The second Ctrl-C will force termination of winrs.exe. To manage active remote shells or WinRS configuration, use the WinRM tool. The URI alias to manage active shells is shell/cmd. The URI alias for WinRS configuration is winrm/config/winrs. Example usage can be found in the WinRM tool by typing "WinRM -?". Examples: winrs -r:https://myserver.com command winrs -r:myserver.com -usessl command winrs -r:myserver command winrs -r:http://127.0.0.1 command winrs -r:http://169.51.2.101:80 -unencrypted command winrs -r:https://[::FFFF:129.144.52.38] command winrs -r:http://[1080:0:0:0:8:800:200C:417A]:80 command winrs -r:https://myserver.com -t:600 -u:administrator -p:$%fgh7 ipconfig winrs -r:myserver -env:PATH=ˆ%PATHˆ%;c:\tools -env:TEMP=d:\temp config.cmd winrs -r:myserver netdom join myserver /domain:testdomain /userd:johns /passwordd:$%fgh789 winrs -r:myserver -ad -u:administrator -p:$%fgh7 dir \\anotherserver\share
[globale schakelopties] <opdracht>
De volgende globale schakelopties zijn beschikbaar:
/NAMESPACE Pad voor de naamruimte waarop de alias van toepassing is.
/ROLE Pad voor de functie die aliasdefinities bevat.
/NODE Servers waarop de alias van toepassing is.
/IMPLEVEL Niveau van clientimitatie.
/AUTHLEVEL Clientverificatieniveau.
/LOCALE Taal-id die de client moet gebruiken.
/PRIVILEGES Alle bevoegdheden in- of uitschakelen.
/TRACE Foutopsporingsgegevens worden uitgevoerd naar stderr.
/RECORD Alle invoeropdrachten en uitvoer worden in een
logboek vastgelegd.
/INTERACTIVE Stelt de interactieve modus (opnieuw) in.
/FAILFAST Stelt de modus FailFast (opnieuw) in.
/USER De gebruiker die tijdens deze sessie moet worden gebruikt.
/PASSWORD Het wachtwoord dat voor aanmelden bij de sessie
moet worden gebruikt.
/OUTPUT Geeft de modus voor het omleiden van de uitvoer aan.
/APPEND Geeft de modus voor het omleiden van de uitvoer aan.
/AGGREGATE Stelt de optelmodus (opnieuw) in.
/AUTHORITY Geeft het <type autoriteit> voor de verbinding.
/?[:<BRIEF|FULL>] Syntaxis.
Typ voor meer informatie over een bepaalde algemene
schakeloptie: schakeloptienaam /?
De volgende aliassen zijn beschikbaar in de huidige rol:
ALIAS - Toegang tot aliassen die op de lokale computer beschikbaar zijn.
BASEBOARD - Systeemkaart (ook moederbord of systeembord) beheer
BIOS - Beheer van basis in- en uitvoerservices (BIOS)
BOOTCONFIG - Opstartconfiguratiebeheer
CDROM - cd-rom-beheer
COMPUTERSYSTEM - Computersysteembeheer
CPU - Processorbeheer
CSPRODUCT - Productgegevens van het computersysteem uit SMBIOS
DATAFILE - Beheer van gegevensbestanden
DCOMAPP - Beheer van DCOM-toepassingen
DESKTOP - Beheer van het bureaublad van de gebruiker
DESKTOPMONITOR - Beheer van monitor op bureaublad
DEVICEMEMORYADDRESS - Beheer van geheugenadressen van apparaat
DISKDRIVE - Beheer van fysiek schijfstation
DISKQUOTA - Gebruik van schijfruimte voor NTFS volumes
DMACHANNEL - Beheer van DMA (Direct Memory Access)-kanalen
ENVIRONMENT - Beheer van instellingen voor systeemomgeving
FSDIR - Beheer van mapvermeldingen in het besturingssysteem
GROUP - Beheer van groepsaccounts
IDECONTROLLER - IDE-controllerbeheer
IRQ - IRQ (Interrupt Request line)-beheer
JOB - Geeft toegang tot de taken die met de taakplannerservice zijn gepland
LOADORDER - Beheer van systeemservices die uitvoeringsafhankelijkheden definiëren
LOGICALDISK - Beheer van lokaal opslagapparaat
LOGON - Aanmeldsessies
MEMCACHE - Beheer van cachegeheugen
MEMORYCHIP - Gegevens van geheugenchip
MEMPHYSICAL - Fysiek geheugenbeheer van computersysteem
NETCLIENT - Netwerkclientbeheer
NETLOGIN - Gegevensbeheer van aanmeldingsgegevens (van een bepaalde gebruiker) voor het netwerk
NETPROTOCOL - Protocolbeheer (en beheer van netwerkeigenschappen)
NETUSE - Beheer van actieve netwerkverbindingen
NIC - Network Interface Controller (NIC)-beheer
NICCONFIG - Netwerkadapterbeheer
NTDOMAIN - NT-domeinbeheer
NTEVENT - Vermeldingen in het gebeurtenislogboek van NT
NTEVENTLOG - Beheer van NT-logboekbestand
ONBOARDDEVICE - Beheer van veelgebruikte adapterapparaten die zijn ingebouwd in de systeemkaart
OS - Beheer van geïnstalleerde besturingssystemen
PAGEFILE - Beheer van bestandswisseling voor virtueel geheugen
PAGEFILESET - Beheer van instellingen voor wisselbestand
PARTITION - Beheer van gepartitioneerde gebieden op een fysieke schijf
PORT - I/O-poortbeheer
PORTCONNECTOR - Beheer van fysieke verbindingspoorten
PRINTER - Beheer van afdrukapparaten
PRINTERCONFIG - Configuratiebeheer van afdrukapparaten
PRINTJOB - Beheer van afdruktaken
PROCESS - Procesbeheer
PRODUCT - Taakbeheer van installatiepakketten
QFE - Quick Fix Engineering.
QUOTASETTING - Instellingsgegevens voor schijfquota op een volume
RDACCOUNT - Toegangsbeheer voor de verbinding van Extern bureaublad.
RDNIC - Toegangsbeheer voor de verbinding van Extern bureaublad voor een specifieke netwerkadapter.
RDPERMISSIONS - Machtigingen voor een specifieke verbinding van Extern bureaublad.
RDTOGGLE - Op afstand de listener voor Extern bureaublad in- of uitschakelen.
RECOVEROS - Gegevens die uit het geheugen worden verzameld als het besturingssysteem niet meer werkt.
REGISTRY - Registerbeheer voor computersysteem
SCSICONTROLLER - SCSI-controllerbeheer
SERVER - Beheer van servergegevens
SERVICE - Beheer van servicetoepassingen
SHADOWCOPY - Beheer van schaduwkopieën
SHADOWSTORAGE - Beheer van opslaggebied voor schaduwkopieën
SHARE - Beheer van gedeelde bronnen
SOFTWAREELEMENT - Beheer van de onderdelen van een softwareproduct dat is geïnstalleerd op een computer.
SOFTWAREFEATURE - Beheer van onderliggende softwareproductverzamelingen van SoftwareElement
SOUNDDEV - Beheer van geluidsapparaat
STARTUP - Beheer van opdrachten die automatisch worden uitgevoerd als gebruikers zich op het computersysteem aanmelden.
SYSACCOUNT - Systeemaccountbeheer
SYSDRIVER - Beheer van het systeemstuurprogramma voor een basisservice.
SYSTEMENCLOSURE - Beheer van fysieke systeemkast
SYSTEMSLOT - Beheer van fysieke aansluitpunten, inclusief poorten, sloten, randapparatuur en fabriekseigen aansluitpunten.
TAPEDRIVE - Beheer van tapestations
TEMPERATURE - Gegevensbeheer van een temperatuursensor (elektronische thermometer).
TIMEZONE - Beheer van tijdzonegegevens
UPS - UPS (Uninterruptible Power Supply)-beheer
USERACCOUNT - Gebruikersaccountbeheer
VOLTAGE - Gegevensbeheer van voltagesensor (elektronische voltmeter)
VOLUME - Lokaal beheer van opslagvolumes
VOLUMEQUOTASETTING - Hiermee wordt de instelling voor diskquota aan een specifiek schijfvolume gekoppeld.
VOLUMEUSERQUOTA - Quotabeheer per gebruiker voor opslagvolumes
WMISET - Beheer van operationele parameters van WMI-service
Typ voor meer informatie over een bepaald alias: alias /?
CLASS - naar volledig WMI-schema.
PATH - naar volledig WMI-objectpad.
CONTEXT - Geeft de status van alle algemene schakelopties weer.
QUIT/EXIT - Hiermee wordt het programma afgesloten.
Typ voor meer informatie over CLASS/PATH/CONTEXT: (CLASS | PATH | CONTEXT) /?
Bestanden en mapstructuren kopiëren.
XCOPY bron [doel] [/A | /M] [/D[:datum]] [/P] [/S [/E]] [/V] [/W]
[/C] [/I] [/Q] [/F] [/L] [/G] [/H] [/R] [/T] [/U]
[/K] [/N] [/O] [/X] [/Y] [/-Y] [/Z] [/B]
[/EXCLUDE:bestand1[+bestand2][+bestand3]...]
bron Te kopiëren bestand(en).
doel Plaats en/of naam van de nieuwe bestanden.
/A Alleen bestanden waarvan het archiveringskenmerk is ingesteld,
worden gekopieerd. Het kenmerk wordt niet gewijzigd.
/M Alleen bestanden waarvan het archiveringskenmerk is ingesteld,
worden gekopieerd. Het archiveringskenmerk wordt uitgeschakeld.
/D:d-m-j Bestanden die op of na de opgegeven datum zijn gewijzigd, worden
gekopieerd. Als u geen datum opgeeft, worden alleen bestanden
gekopieerd waarvan de brontijd later is dan de doeltijd.
/EXCLUDE:bestand1[+bestand2][+bestand3]...
Hiermee wordt een lijst met bestanden opgegeven die
tekenreeksen bevatten. Elke tekenreeks moet op een aparte regel
in het bestand staan. Als een van de tekenreeksen overeenkomt
met een deel van het absolute pad van het te kopiëren bestand,
wordt dit bestand niet gekopieerd. Bijvoorbeeld: wanneer een
tekenreeks zoals \obj\ of .obj of wordt opgegeven, worden
respectievelijk alle bestanden in de map Obj of met de extensie
.OBJ uitgesloten.
/P Vóór het maken van een doelbestand wordt om bevestiging
gevraagd.
/S Niet-lege mappen en submappen worden gekopieerd.
/E Alle mappen en submappen, zelfs lege, worden gekopieerd.
Gelijk aan /S /E. Kan worden gebruikt om /T aan te passen.
/V De grootte van elk nieuw bestand wordt gecontroleerd.
/W U wordt gevraagd op een toets te drukken voordat het kopiëren
begint.
/C Het kopiëren gaat door, zelfs als er zich fouten voordoen.
/I Als het doel niet bestaat en er meerdere bestanden worden
gekopieerd, wordt ervan uitgegaan dat het doel een map is.
/Q Tijdens het kopiëren worden geen bestandnamen weergegeven.
/F Tijdens het kopiëren worden volledige bron- en doelbestandsnamen
weergegeven.
/L De te kopiëren bestanden worden weergegeven.
/G Hiermee kunnen versleutelde bestanden worden gekopieerd naar
locaties die geen versleuteling ondersteunen.
/H Verborgen en systeembestanden worden ook gekopieerd.
/R Alleen-lezen bestanden worden overschreven.
/T Er wordt een mapstructuur zonder lege mappen of submappen
gemaakt maar er worden geen bestanden gekopieerd. Met /T /E
worden ook lege mappen en submappen gemaakt.
/U Er worden alleen bestanden gekopieerd die al bestaan in de
doelmap.
/K Kenmerken worden gekopieerd. Standaard wordt met Xcopy het
kenmerk Alleen-lezen gewist.
/N Er wordt gekopieerd met de gegenereerde korte namen.
/O Gegevens van de bestandseigenaar en ACL-gegevens worden
gekopieerd.
/X Bestandscontrole-instellingen worden gekopieerd (impliceert /O).
/Y Bij het overschrijven van een bestaand doelbestand wordt niet
om bevestiging gevraagd.
/-Y Bij het overschrijven van een bestaand doelbestand wordt om
bevestiging gevraagd.
/Z Netwerkbestanden worden in modus voor opnieuw starten
gekopieerd.
/B In plaats van het doel van de koppeling wordt de symbolische
koppeling gekopieerd.
/J Hiermee wordt niet-gebufferde in-/uitvoer gekopieerd.
Aanbevolen voor zeer grote bestanden.
De schakeloptie /Y kan vooraf worden ingesteld in omgevingsvaria
This HTML help file was generated by AllHelp.vbs, Version 3.21
Written by Rob van der Woude
http://www.robvanderwoude.com
page last modified: 2015-10-11; loaded in 0.0220 seconds